Geen recensie van Karavanserai

- door Olaf Risee

KaravanseraiHet grote voordeel van recensie-exemplaren is dat ze gratis zijn. Het grote nadeel is de verplichting die eraan vasthangt om iets van de betreffende bundel te vinden. Voor wat hoort wat. Gij zult gratis lezen en vervolgens zult gij iets vinden, verdomme.

Het is natuurlijk absoluut not done om als recensent toe te geven dat je het even niet weet, dat je 'het' niet gevonden hebt. Dat is toch zoiets als een komiek die toegeeft dat ie niet grappig is. Nu kan ik me natuurlijk lekker makkelijk verschuilen achter het feit dat ik geen échte recensent ben, maar slechts een goedwillende amateur. Bovendien bevind ik me in goed gezelschap. Samuel Vriezen schrijft in een discussie op Facebook over het debuut van Martijn Benders, Karavanserai: 'I keep wanting to write something about it on my own blog, but I just can't find the right angle! For me, though, part of it is that I don't want to write reviews at all... it's definitely a very good read, one of the most exciting poetry books I read recently; that I can say; but what does it mean to say that?'
Als zelfs de huisintellectueel van poëtisch blogland het al niet weet, dan hoeft u van mij natuurlijk helemaal niets meer te verwachten.

Lees meer "Geen recensie van Karavanserai" »

Poëziekrant nr. 5, juli-augustus 2008

- door Olaf Risee

In het laatst verschenen nummer van de Poëziekrant:

Poëziekrant nr. 5- een interview met Peter Verhelst over zijn bundel Nieuwe sterrenbeelden: "Er is nooit te weinig of te veel in poëzie. Ik vind het zo'n rare opvatting dat er beperkingen zouden zijn op manieren van schrijven. Dat iedereen vooral doet wat hij of zij denkt dat ie moet doen. Weet je, er is zoveel mogelijk in poëzie. Je kunt bijna zuiver poëticale gedichten schrijven die veel meer over het leven gaan dan belijdenispoëzie. Het omgekeerde kan ook, zolang het maar goed gedaan is. Dus in die zin proberen sommige van deze gedichten een vorm te vinden voor een bepaald gevoel of proberen ze bepaalde gevoelens op te wekken, wat haaks staat op de poëzie van nu en op die postmoderne etikettering die men mij verkeerdelijk altijd heeft gegeven. Dit is geen autobiografische bundel en het is geen poging iets van me af te schrijven, maar het geeft wel vorm aan een aantal dingen die lijken op autobiografie. (...) Ik denk dat het een minder negatieve bundel is. Veel van mijn vorige boeken waren bijna suïcidaal. Het leek altijd wel te eindigen met een apocalyptische scène waarbij alle hoop de bodem in werd geslagen, terwijl dat hier helemaal niet het geval is."

Lees meer "Poëziekrant nr. 5, juli-augustus 2008" »

Neus ik heb je zegt ze

[Onderstaand artikel verscheen op 27 juni 2008 in De Groene Amsterdammer]

- door Erik Lindner

Tsead Bruinja
De geboorte van het zwarte paard
Cossee

Tsead Bruinja publiceerde drie bundels in het Nederlands, waarvan de laatste Bang voor de bal vorig jaar verscheen. Hij stelde de bloemlezing Droom in blauwe regenjas. Nieuwe Friese dichters samen en publiceerde eerder gedichten in het Fries. Uit die vier Friese bundels is nu een tweetalige keuze verschenen. Die biedt niet alleen een kans om de ontwikkeling van Bruinja te volgen, ook toont de bloemlezing de aard van de dichter. Hij is in het Fries begonnen en zijn laatste Friese werk Gers dat alfêst laket / Gras dat alvast lacht is van recente aard.

Lees meer "Neus ik heb je zegt ze" »

Poëziekrant nr. 4, juni 2008

- door Olaf Risee

In het laatst verschenen nummer van de Poëziekrant:

Poëziekrant nr. 4- een interview met Kurt De Boodt: "(...) ik hou van composities. In het proza zie ik daarbij Ivo Michiels, Jeroen Brouwers en António Lobo Antunes als grote voorbeelden. Dichten?, ik doe het overal. Taal maalt in mijn hoofd als ik wandel, douche, wakker lig, op de trein zit. Ja, ook wel in mijn achterhoofd op het werk. Mijn minst productieve periode is als ik op vakantie ben en niets aan mijn hoofd heb. Ik maak notities in boekjes en op stukjes papier. Zonder aanzet ga ik zelden of nooit achter mijn beeldscherm zitten. Dan schrijf ik met een zo open mogelijke geest door, met zo min mogelijk remmingen. Er moet vlug een eerste versie staan. Binnen een week of twee moet ik dan het gevoel hebben dat het gedicht er staat, anders valt het niet meer te redden. Na een kelderperiode begin ik doorgaans weer te prutsen. Soms wordt het pas echt interessant als je denkt dat je geen letter meer kunt veranderen. Ik pot enorm op, kom niet eerder met mijn gedichten naar buiten dan wanneer ik tevreden ben over het geheel. Maar op een bepaald moment moet die hele handel gelost worden, wil ik me ervan bevrijden. Dan komen de gedichten los van mij te staan. In die zin gaat het bij mij schoksgewijs: laden en lossen."

Lees meer "Poëziekrant nr. 4, juni 2008" »

'Ek het die klapwiekende vleuels van 'n mitiese voël gesien'

- door Olaf Risee

Charl-Pierre Naudé
Sien jy die hemelliggame
Slibreeks nr. 123

Gastvrijheid voor vreemdelingenIn het recentelijk prachtig gerenoveerde Museum voor Schone Kunsten in Gent, hangt een fresco van Gustave van de Woestijne uit 1920. Het was niet zozeer de betrekkelijk eenvoudige en op de keeper beschouwd weinig opzienbarende afbeelding die mijn aandacht trok, maar des te meer de titel: Gastvrijheid voor vreemdelingen. Het stond er gewoon, haast plompverloren. Het duurde een paar tellen voordat de verbazing tot me doordrong dát ik me erover verbaasde. En nog weer een paar tellen voordat ik de cynische aard van die verbazing voelde. Anno 2008 kon ik me een dergelijke titel enkel voorstellen in een ironische context. Bij Van de Woestijne, meer dan tachtig jaar geleden, echter geen spoor van ironie te bekennen. De afbeelding toont een man die voor zijn huis staat en een uitnodigend gebaar maakt naar een vreemdeling met, jawel, een heuse knapzak. Een beeld uit ver vervlogen tijden, een titel die je onwillekeurig in je hoofd uitgesproken hoort door de polygoon-stem van Philip Bloemendal.

Lees meer "'Ek het die klapwiekende vleuels van 'n mitiese voël gesien'" »

Als een draaitol

[Onderstaand artikel verscheen op 13 juni 2008 in De Groene Amsterdammer]

- door Erik Lindner

Wiljan van den Akker
De afstand
De Arbeiderspers

Zoals deze week bekend werd gemaakt, is de C. Buddingh’-prijs voor Nieuwe Nederlandstalige Poëzie dit jaar gewonnen door Wiljan van den Akker voor zijn bundel De afstand. Een opmerkelijke keuze van de jury, die bestond uit dichter Paul Bogaert, schrijver Willem Jan Otten en programmeur van festival de Wintertuin Monique Warnier. De andere genomineerden waren Arnoud van Adrichem, met de bundel Vis, Edwin Fagel met Uw afwezigheid en Peter Swanborn met Bij het zien van zijn lichaam. Niet genomineerd waren Ruth Lasters, die in Vouwplannen een aanstekelijke beeldtaal aan het ontwikkelen is, Annemieke Gerrist met haar grillige impressies in Waar is een huis en Samuel Vriezen met zijn dynamische en opgeruimde Vier zinnen.

Lees meer "Als een draaitol" »

Confrontaties?

Op 16 mei jl. organiseerde Perdu een avond met de titel Voorstel tot verandering: poezie en wereld, toen en nu - Over Laden en Lossen van Marc Kregting. Onderstaand de tekst die die avond werd uitgeproken door Sven Vitse.

- door Sven Vitse

De essaybundel Laden en lossen kreeg veelzeggend de ondertitel Confrontaties mee. Veelzeggend omdat Kregting met deze ondertitel verwijst naar de controversiële essaybundel die Jacq Firmin Vogelaar in 1974 bij de Socialistiese Uitgeverij Nijmegen publiceerde, Konfrontaties. Kritiek en kommentaren. Kregting maakt deze verwijzing expliciet in een intermezzo over onder meer de poëzie van Esther Jansma.
Aan de verwijzing naar Vogelaar gaat een merkwaardig zinnetje vooraf: ‘De tijdgeest is soms meer grijpbaar dan misschien gedacht’ (1). Bedoeld wordt wellicht dat in het werk van Jansma een spoor zichtbaar wordt van de op consensus gerichte maatschappij, de maatschappij van de radicale middelmatigheid, en van de nivellering naar het centrum toe. Dat deze consensus misschien veeleer als een zogeheten postmoderne parasensus (2) kan worden opgevat, blijkt uit de receptie van het werk van Tonnus Oosterhoff.

Lees meer "Confrontaties?" »

Iemand van wie je het leuk zou vinden als hij op je feestje kwam - I.M. Adriaan Jaeggi

- door F. Starik

Adriaan JaeggiOp 27 december van het afgelopen jaar verzorgde Adriaan Jaeggi zijn laatste eenzame uitvaart in zijn rol als stadsdichter van Amsterdam. Het volledige verslag en het gedicht dat hij voor eenzame dode nummer 85 maakte vindt u in de bundel Het is hier altijd laat van licht. Die uitvaart is me bijgebleven, omdat Adriaan in zijn gedicht refereert aan de vermoeidheid die zich de laatste tijd van hem meester had gemaakt: het jaar is moe en wij ook. Een paar weken later ging hij toch maar eens naar een dokter, met zijn klacht. Had hij dat maar nooit gedaan. Het werd snel duidelijk dat kanker bezit van zijn lichaam had genomen. In de maanden die daarop volgden, werden de prognoses telkens slechter, vrat de kanker hem in een verbijsterend tempo leeg. Vandaag, maandag 16 juni 2008, wordt Adriaan Jaeggi zelf ten laatste weggebracht, door zijn vrouw, zijn twee kinderen, een lange, lange stoet vrienden en bewonderaars.

Lees meer "Iemand van wie je het leuk zou vinden als hij op je feestje kwam - I.M. Adriaan Jaeggi" »

Awater, zomer 2008

- door Olaf Risee

In het laatst verschenen nummer van Awater:

- een interview met H.H. ter Balkt: "Ik hou niet van academische poëzie. Ik sta ver boven jullie: dat klinkt er in door. Zoals bij Pfeijffer - heb je toch een naam. Je hoort er een duidelijk rooms-katholieke achtergrond in. Poëzie moet ook niet druipen en klotsen. Laat de mayonaise in de friettent maar klotsen. (...) Poëzie moet natuurlijk wel gevaarlijk zijn. Maar niet gemeen! Een gevaarlijk gedicht is een gedicht waar je in meegaat. Poëzie kan je behoorlijk uit elkaar trekken. Je moet je aan poëzie kunnen overgeven, maar toch met mate. Ik valsheid geloof ik niet. Ik geloof niet dat valsheid de poëzie goed doet. Ik geloof in de waarheid. Ook in poëzie. Doe anders de rechtbanken maar op slot. Lul maar raak. Doe maar. 'Rij maar an ossewa': dat is een oud liedje. Dan denk ik: niet doen. Maar nu klinkt het alsof ik de wijsheid in pacht heb en dat ik het laatste wat ik heb. (...) Poëzie moet enerverend zijn. Het moet leven, geen kantoormeubel zijn. Dat is niet alleen vorm. Vorm en inhoud zijn één. Als je grijze poëzie bouwt, dan is de inhoud ook grijs. Ik verzet me tegen die grauwheid. Mijn schrijven is rebellie tegen het geijkte. Ik ben - en u moet niet lachen - voor schoonheid en bezieling."

Lees meer "Awater, zomer 2008" »

Poëziekrant nr. 3, april-mei 2008

- door Olaf Risee

In het laatst verschenen nummer van de Poëziekrant:

Poëziekrant nr. 3- een interview met Hafid Bouazza: "Porno heeft een cadans, maar geen ritme, is eentonig. Poëzie heeft ritme, cadans en rijmt (in het specifieke Arabische geval). Porno is voor het directe stimuleren van het onderlijf, de stimulans van poëzie is sensueel, intellectueel en mnemonisch en geeft stof tot nadenken. Poëzie heeft niet die horreur der horreurs: een cumshot. Er bestaat ongetwijfeld poëzie die pornografische handelingen beschrijft en die opwindend kan zijn, maar die opwinding wordt via de verbeelding gestimuleerd, niet via het oog. (...) Ik erger mij altijd bijzonder aan lezers die van oude literatuur directe begrijpelijkheid eisen, maar tegelijk de grootste hermetische onzin van contemporaine dichters voor zoete koek slikken omdat de onbegrijpelijkheid ervan wel iets van diepgang suggereert. Poëzie is er voor het leven: blijven herlezen. Eén gedicht per dag en het lijkt alsof je van je geliefde elke dag een andere smaak en meer begrip te pakken hebt. Helaas zijn vrouwen geen poëzie."

Lees meer " Poëziekrant nr. 3, april-mei 2008" »

Meester van / nieuwe / woorden

- door Renaat Ramon

VagantJan van der Hoevens jongste gedichtenbundel – zijn tiende als we El Camino de Santiago wel en zijn light verse niet meerekenen (*) – heet Vagant.
Wij lezen er onder meer vier cycli die de neerslag zijn van ongeorganiseerde tochten in door toeristen bezette gebieden: Egypte, Marokko, Cataluña en Italië. Bij gebrek aan een betere term kunnen wij deze dertig gedichten reisgedichten noemen, maar Van der Hoeven brengt geen verslag uit. Uit vroeger werk weten wij dat hij een bijzonder kleurgevoelige dichter is – maar een schilder met woorden, nee. Pittoreske details? Nee. Historische fresco’s? Nee. Eerder zouden wij kunnen zeggen dat hij met woorden componeert. Visie wordt verklankt. Toch weet hij de genius loci op te roepen in wat wij ‘Schriftuurlijke beelden’ zouden kunnen noemen. Zo bv. in Sfinx van Giza:

Kijkt
hij voorbij de tijd
kent
hij van de twijfel
het blijvende,
alleen het
zwijgende weet
hij van woorden
en van hoop
de roest in de
verte van woestijnen.

Lees meer "Meester van / nieuwe / woorden" »

In het oorspronkelijke - over het engagement van René Char

Perdu organiseerde op 24 februari jl. een avond rondom René Char. Hieronder kunt u de toespraak lezen die Henk van der Waal bij de gelegenheid hield.

- door Henk van der Waal

Zeg wat het vuur aarzelt te zeggen
Zon van de lucht, licht dat durft,
En sterf door het voor allen gezegd te hebben. (Toegewijde tegenstanders, 35)

Jawel, ook ik heb mijn pelgrimage gemaakt. Het was een paar maanden voor de dood van de dichter. We hadden plannen gemaakt om een dunne bundel van René Char te vertalen en daar waren twee dingen voor nodig: zijn verzameld werk, dat een paar jaar daarvoor uitgekomen was in de prestigieuze Pleiadereeks, en een bezoek aan de geboortestreek van Char, vooral omdat dat zo’n grote rol speelt in veel van zijn gedichten. Die twee eisen samengevoegd bracht ons ertoe de aanschaf van zo’n 1200 pagina’s poëzie in dundruk te doen in L’isle sur Sorgue. Maar dat deden we natuurlijk niet dan nadat we de mysterieuse bron van de Sorgue die opbruist uit de blinde rotswand van de Vaucluse, hadden bezocht.

Lees meer "In het oorspronkelijke - over het engagement van René Char" »

Readymade in Rotterdam

- door Renaat Ramon

C.B. VaandragerAls je Rotterdam kent, ken je de hele wereld. De Rotterdamse dichter Cornelis Bastiaan Vaandrager (1935-1992) heeft zijn thuishaven die evolueerde van ‘visserdorp tot wereldhaven’, het ‘Manhattan aan de Maas’, dan ook zelden verlaten. Wel was hij in 1966 op Ibiza met o.m. de eveneens Rotterdamse dichter Hans Sleutelaar. Daar kwam het tot een breuk met zijn kompaan – wegens de ‘betaalkramp’ van ‘Cor-met-de-knip’. Het kwam nooit meer echt goed. Sleutelaar en de andere Rotterdammers, Armando en Hans Verhagen, waarmee hij in de jaren zestig ‘de nieuwe stijl’ en de ‘totale poëzie’ propageerde, ‘schitterden door afwezigheid’ op zijn begraving op 23 maart 1992, zoals Sleutelaar zelf vertelt. Toch is het Hans Sleutelaar die samen met Martin Bril onder de titel Made in Rotterdam zijn gedichten heeft verzameld. De lay-outman Michaël Snitker heeft er voor De Bezige Bij een mooi boekwerk van gemaakt.

Lees meer "Readymade in Rotterdam" »

Knelpunten vrij voor alle donkerblauwe Audi’s - Starik luistert naar Rita Verdonk

- door F. Starik

‘Dames en heren!’ Effectvolle pauze. ‘Dames en heren. Goeienavond allemaal. Heerlijk! Wat heerlijk dat u zo massaal gekomen bent. Zoveel mensen die samen met mij trots willen zijn op Nederland. Dank u. Fantastisch!’ Rita Verdonk spreekt het volk toe. Ze heeft er drie kwartier voor uitgetrokken. Ze heeft er heel lang op geoefend. Dat kun je zien.

Verdonk spreekt het volk toe als was zij een dichter, alsof haar tekst een gedicht betrof. Ze spreekt in korte, afgemeten zinnen. Herhaalt waar nodig een zinsnede, bouwt op, bouwt uit, neemt de tijd. Ze spreekt extreem langzaam, haar bewegingen, minimaal en afgemeten, lijken met een zekere vertraging te worden uitgevoerd. Dames en heren. Iedere nieuwe strofe wordt met die zinsnede aangekondigd. Er mag geen twijfel over bestaan dat ze tot ons spreekt, dat haar woorden voor ons bedoeld zijn. Ze spreekt niet voor zichzelf. Ze doet het voor ons.

Lees meer "Knelpunten vrij voor alle donkerblauwe Audi’s - Starik luistert naar Rita Verdonk" »

Inleiding bij 'Waarop de klok ontwaakt!' van Kurt De Boodt

Op 20 februari jl. werd in Mechelen de vierde bundel - Waarop de klok ontwaakt! - van Kurt De Boodt gepresenteerd. Bij die gelegenheid sprak Hans Groenewegen een inleiding uit, die u nu hieronder kunt lezen.

- door Hans Groenewegen

Goedenavond dames en heren, de komende twintig minuten zal ik u iets vertellen over mijn ervaringen met de dichter Kurt De Boodt. Ik heb op dat punt een voorsprong op de meesten van u. Want ik ken hem niet. Ik ontmoet hem vanavond voor het eerst. Straks na afloop van deze presentatie schud ik hem de hand, stel me aan hem voor en hef het glas op zijn nieuwe bundel Waarop de klok ontwaakt! Omdat ik Kurt De Boodt niet persoonlijk ken, valt het me makkelijker om iets te zeggen over de dichter zoals hij zich nu in vier bundels manifesteert.

Lees meer "Inleiding bij 'Waarop de klok ontwaakt!' van Kurt De Boodt" »

Poëziekrant nr. 2, maart 2008

- door Olaf Risee

In het laatst verschenen nummer van de Poëziekrant:

Poëziekrant nr. 2 - een interview met Gerrit Komrij: "Ik ben mijn hele leven al gefascineerd geweest door oude kinderboeken; ik verzamel ook al langer 18de- en 19de-eeuwse bundels kinderpoëzie. Terwijl ik de andere bloemlezingen samenstelde, had ik ook al het idee dat er nog een groot onbekend terrein was. Van Alphen is dan wel tot de canon doorgedrongen, maar ik kwam ook dichters tegen als Pieter 't Hoen, die met hun gedichten voor kinderen buiten zicht bleven. Het zijn gescheiden werelden, al is die scheiding gekunsteld. (...) In elk geval beleefde ik er plezier aan omdat kindergedichten me over het algemeen toch vrolijk stemmen, ze beantwoorden ook precies aan wat ik zelf in de poëzie belangrijk vind: ze zijn down to earth, heel rechtstreeks, een beetje functioneel ook. Of laat het me anders zeggen: in kinderpoëzie ontbreekt wat me zo ergert in de poëzie in het algemeen: die verwaandheid, bombast, verhevenheid, eigendunk, ondoorzichtigheid, het hermetisme. Sommige dichters voor volwassenen lopen op stelten door de wolken, ze hullen zich in onbegrijpelijkheden waar kinderen niet zouden intrappen. Terwijl je met kinderen alles kunt doen met taal: absurditeit, omkering... Kinderpoëzie is een heel exacte, nuchtere poëzie die betrekking heeft op dagelijkse zaken en op voorwerpen, wat ik altijd heel erg interessant vind, en die natuurlijk ook veel taalspelletjes probeert uit te halen."

Lees meer "Poëziekrant nr. 2, maart 2008" »

Geen gedaver in het kadaver - over Hugo Claus in mijn leven als lezer

Vandaag vindt de afscheidsplechtigheid van Hugo Claus plaats. Op verzoek van in Letterland schreef Alain Delmotte een persoonlijk in memoriam.

- door Alain Delmotte

Ziedend en met de slag van een stoothamer beukte Claus zich in mij in met volgende openingsverzen:

Ik ben niet, ik ben niet dan in uw aarde.
Toen gij schreeuwde en uw vel beefde
Vatten mijn beenderen vuur.

Zoals voor zovele lezers, was De moeder inderdaad het eerste gedicht dat ik ooit van Claus las. Ik was vijftien - in mijn nog jonge leven als lezer - en ik begreep niets van het gedicht, kon het niet situeren, maar me beetpakken, door en door, deed het wel. Het had iets huiveringwekkend. Het bracht me in de war. Het spande mijn longen op als ik het gedicht uitsprak. Het viel me aan met een overdaad aan zuurstof. De gedurfde, grauwende en knauwende beeldspraak schudde me hard wakker, hield me in die schok:

Haar gewrichten waren jonge katten.

En hoe kon ik nog op ongerepte wijze mijn ouders aankijken na het lezen van die onthutsende regels:

‘Je bent mij ontgroeid’ zegt zij traag mijn
Vaders voeten wassend, en zij zwijgt
Als een vrouw zonder mond.

Lees meer "Geen gedaver in het kadaver - over Hugo Claus in mijn leven als lezer" »

Leeglopen - Starik leest Mensema en Goudeseune

F. Starik las voor u twee boeken: Doem Dada van Bill Mensema, te verschijnen op 30 maart bij uitgeverij Passage, alsmede Het boek is beter dan de vrouw, van Koenraad Goudeseune, vorig jaar al bij Atlas uitgebracht.

- door F. Starik

Doem Dada‘Op de een of andere manier heb ik een boek geschreven,’ begint Bill Mensema de begeleidende brief, die bij zijn boek (roman, zegt zijn uitgever, het is een roman) is gestoken. ‘Het werd verdorie nog aan toe ook wel hoog tijd, zei een goede vriendin van me.’ Verdorie nog aan toe. Daarmee is de toon meteen gezet. De schrijver vindt het zelf ‘een grappig boek dat ook nog eens schijt heeft aan conventies.’ Op precies dat zelfde toffe toontje kletst hij zijn boek vol, 395 pagina’s lang. Lang en dik.

Doem Dada speelt zich af tijdens ‘de grote recessie’ van begin jaren tachtig. Twee jongens ‘uit de provincie,’ de vrienden Bill en Han, komen vanuit Delfzijl naar ‘de grote stad,’ en daarmee bedoelt Bill Groningen. Ze raken verzeild in jongerencentrum Vera, waar ze als vrijwilliger gaan werken. Bill, de held van het verhaal, doet een halfslachtige poging om Nederlands te studeren. De gehele roman lang probeert hij een boek te lezen. Hij vindt dat boek maar saai. En moeilijk. Bill beschikt over een uiterst beperkte woordenschat. Hij bezit gelukkig een woordenboek, daarin kan hij moeilijke woorden opzoeken. Onaneren, nooit van gehoord. Perceptie, wat zou dat kunnen betekenen?

Lees meer "Leeglopen - Starik leest Mensema en Goudeseune" »

Inleiding bij '4 zinnen' van Samuel Vriezen

Afgelopen donderdag werd in Amsterdam de bundel 4 zinnen van Samuel Vriezen gepresenteerd. Hieronder kunt u de inleiding lezen die Hans Groenewegen bij die gelegenheid uitsprak.

- door Hans Groenewegen

Geheel tegen mijn gewoonte wil ik beginnen met een anekdote. Omdat Samuel Vriezen geen gewoon dichter is, mag ik dat van mezelf, van een gewoonte afwijken. Tussen haakjes gezegd, Vriezen is een van die speciale dichters die je doen beseffen dat er ook gewone dichters zijn.
De anekdote: ik liep met Samuel Vriezen door een Nederlandse stad. Ik ben niet alleen zijn redacteur bij Wereldbibliotheek. Als dichters komen we elkaar tegen in het project 'dichters lezen dichters'. Als we dan samen door een stad lopen, dan praten we over de wereld en dus over poëzie. Dat is net zo vanzelfsprekend als wanneer je over poëzie praat, of wanneer je poëzie schrijft, dat je het dan over de wereld hebt, dat je dan werkelijkheden verkent. We kwamen te spreken over de gedichten van William Carlos Williams. Voor de anekdote maakt dat eigenlijk niet uit. We hadden net zo goed over een andere interessante dichter kunnen spreken: John Ashberry, Louis Zukofsky, Rolf Dieter Brinkmann, Petrarca of C. Tarkos. Maar we hadden het als ik me goed herinner over Williams. Wat Vriezen over hem zei trof me bijzonder. Het trof me omdat er uit een van de zinnetjes een houding spreekt die ik van mezelf niet ken. Hij zei: ''Toen ik Williams las dacht ik, ha, dat hoef ik niet meer te schrijven.'' Ikzelf dacht toen ik Williams las, shit, dit kan ik niet meer doen.

Lees meer "Inleiding bij '4 zinnen' van Samuel Vriezen" »

Schoon verbrand - statement tijdens de Lucebert-avond in Perdu

Perdu organiseerde 7 maart jl. een avond rondom Lucebert. Marc de Kesel is als filosoof verbonden aan de Arteveldehogeschool in Gent en het Heyendaal Instituut in Nijmegen, en plaatste Luceberts esthetica in een filosofisch kader. Zijn toespraak kunt u hieronder lezen.

- door Marc de Kesel

Lucebert De schoonheid heeft haar gezicht verbrand. Zo klinkt het in één van Luceberts eerste dichtbundels, apocrief / de analfabetische naam (1952), in een vers dat tot het collectieve literaire geheugen van de Nederlandse taal is gaan behoren. Het is bij Lucebert trouwens niet zomaar een vers onder de vele: het heeft een centrale plaats in één van zijn meest uitgesproken programmatische gedichten. Ik citeer het gedicht ten voeten uit [1].

Lees meer "Schoon verbrand - statement tijdens de Lucebert-avond in Perdu" »

Twee cd's uitgebracht in de vorm van een boekje - Starik leest Hofman en Vranken

- door F. Starik

Vorige week besprak ik voor u op in Letterland een cd-project van FOSKO, Gat in de markt, niet eens bedoeld als poëzie, maar bedoeld of niet toch dicht in de buurt van het genre komend, een cd waar teksten van onder anderen Jan Arends en Ingmar Heytze opdoken en twee korte prozafragmenten van Armando, door Fosko cs op muziek gezet, met precies die bedoeling: er muziek van maken. Ik noemde de verklankte gedichten dan meteen ook maar een tekst, omdat er een liedje van is gemaakt. Het gedicht heeft een functie gekregen.

AjaaVanmiddag (ik schrijf dit op de zondagmiddag, dat ik mezelf beloofde naar de bundelpresentatie van Tjitse Hofman in Groningen af te reizen, in plaats waarvan ik lief op mijn kamertje ging zitten typen) werd Ajaa, de derde bundel van deze Hofman gepresenteerd. Bij die presentatie zou, onder andere, André Manuel optreden. Niet onaantrekkelijk. Ook Manuel verschijnt op cd en niet in een boekje, terwijl je zijn liedteksten met enige goede wil tot poëzie zou kunnen bestempelen, al zou het op papier allemaal wat te gemakkelijk ogen, te conservatief, al dat voorspelbare eindrijm dat je in een liedje zo goed kunt gebruiken maar dat op papier toch teleurstelt. In een liedtekst moet veel vanzelfsprekend zijn, moeten de beelden voor de hand liggen, het moet allemaal vertrouwd klinken, er mag maar 1 kleine verrassing in zitten, anders wordt het een vreemd lied. Vreemd lied.

Lees meer "Twee cd's uitgebracht in de vorm van een boekje - Starik leest Hofman en Vranken" »

Inleiding bij 'Navagio. Wrakhoutgedichten' van Peter Holvoet-Hanssen

Op vrijdag 29 februari werd in Antwerpen de nieuwe bundel van Peter Holvoet-Hanssen, Navagio. Wrakhoutgedichten, gepresenteerd. Hoogleraar en criticus Joris Gerits hield een inleiding bij de bundel.

- door Joris Gerits

Al bijna twee decennia geleden maakte Peter Holvoet-Hanssen plannen voor een hallucinante poëtische cruise. Hij had een reisroute uitgestippeld, kaarten getekend voor wat hij zelf zijn ‘poëtische exploraties’ noemde. Zijn gedichten dus. Hoewel Strombolicchio chronologisch als zijn tweede bundel verscheen, bevat hij zijn oudste gedichten en al een eerste dieptepunt. In de cyclus Voorbij Vuureiland bereikt het schip van Pierre Creuxpied de nulmeridiaan.

Lees meer "Inleiding bij 'Navagio. Wrakhoutgedichten' van Peter Holvoet-Hanssen" »

Gat in de Markt - Starik luistert naar een dichtbundel uitgegeven op cd

- door F. Starik

Gat in de Markt Ik heb hem al een tijdje in huis, zoals andere mensen een vogelkooi met vogels erin bezitten. Af en toe luister je ernaar. Ik heb het over de nieuwe cd van Fosko, Gat in de Markt. Er zit een dvd bijgestoken, met een reportage van een half uur over hoe die cd tot stand kwam. De film opent met een paar glazig in de camera starende witte koeien, zoals die in de omgeving waar de cd werd opgenomen voorkomen. Op het eind serveert Fosko côte de boeuf, karbonades van precies die koeien.

De opnamen voor de cd werden in gemaakt in een Franse boerderij in de zuidelijke Bourgogne, gedurende drie zomerdagen in 2007. Zes muzikanten en een zanger, mannen die elkaar allemaal goed kennen. De zanger heeft een stapeltje teksten bij zich. Er zijn van te voren nauwelijks afspraken gemaakt. Er gaat geschept worden, geschapen.

Lees meer "Gat in de Markt - Starik luistert naar een dichtbundel uitgegeven op cd" »

Awater, winter 2008

- door Olaf Risee

In het laatst verschenen nummer van Awater:

- een interview met Tjitske Jansen: "Een tijd lang was ik bang dat ik cynisch zou worden. Dat ik niet meer zou geloven dat het goed zou komen en geen vertrouwen meer zou hebben in de mensen. Dat ik wel altijd een soort praatje klaar zou hebben en zou weten wat ik moest zeggen, maar dat het nooit echt zou zijn. Dat wilde ik niet. Iemand zei me dat hij naïef gebleven was, en ik dacht: dat wil ik ook! Weer naïef worden, weer onschuldig worden. In plaats van spelen dat ik volwassen ben. Dat is allemaal onderdeel van het verlangen om een zo persoonlijke bundel te maken als Koerikoeloem is geworden. Er moest iets op het spel staan, het moest er toe doen. En voor mij doet het er toe dat ik me zo kwetsbaar maak. Dat ik zonder schaamte mijn verhaal kan vertellen. De schaamteloosheid is overigens in de eerste plaats een schaamteloosheid naar mijzelf toe. Het boek is inhibitionistisch en niet exhibitionistisch. En het is natuurlijk wel zo opgeschreven dat het poëzie is. Wat dat verder dan ook precies inhoudt. (...) Uit optreden met mijn gedichten put ik kracht. Wanneer ik poëzie voorlees, word ik iemand anders. Toen ik voor de eerste keer moest voorlezen, in café Festina Lente in Amsterdam, waar al jaren poetry slams worden georganiseerd, was ik heel zenuwachtig. Omdat ik wist dat ik er iets teweeg kon brengen, iets dat meer dan alleen maar goed was. Ik kan veel dingen niet, maar dit kan ik, wist ik."

Lees meer "Awater, winter 2008" »

De schaduwen van Pippi Langkous

- door Johan Reijmerink

Tjitske Jansen
Koerikoeloem
Uitgeverij Podium

Er was een dag waarop ik een leraar van mijn vroegere middelbare school weer ontmoette. Hij vertelde me dat hij mij altijd Pippi Langkous-achtig had gevonden.

Koerikoeloem De nieuwe bundel Koerikoeloem van Tjitske Jansen is sterk autobiografisch gekleurd en laat zich lezen tegen de achtergrond van het verhaal van het eigenzinnige meisje Pippi Langkous. Pippi’s moeder woont in de hemel en haar vader is een piratenhoofdman, is dik en koning van het eiland Taka Tukaland. Schatrijk en bijna even sterk als zijn dochter. In haar Villa Kakelbont woont Pippi samen met haar aapje, meneer Nilsson en haar paard Witje. Haar vrijgevochten optreden is een doorn in het oog van de elite van de stad. Zij beschouwen het gezin als de hoeksteen van de samenleving. Daarom veroordelen ze het vrijgevochten optreden van Pippi. Wat voor een geluk en een ongeluk een dergelijke vrijgevochtenheid en eigenzinnigheid teweegbrengt, legt Tjitske Jansen in haar bundel aan ons voor. Als pleegkind opent de ik-persoon voor ons haar innerlijke wereld, vol gevoelens van onzekerheid en humor, maar ook een sterke behoefte om op eigenzinnige wijze de wereld te ontdekken.

Lees meer "De schaduwen van Pippi Langkous" »

Altijd gevat

- door Erik Lindner

Tonnus Oosterhoff
Ware grootte
De Bezige Bij

Ware grootte Tonnus Oosterhoff is terug bij af. Zijn vijfde bundel lijkt een nieuw begin: een raar ruw en ogenschijnlijk ongesloten geheel waarin spontaniteit iedere mogelijke orde verstoort en veel te ontdekken valt. Valt in het ene gedicht het begrip verticuteermachine – een apparaat dat de aarde met messen bewerkt om verdichting van de grond tegen te gaan door dood gras te verwijderen, dan heeft hij het in een ander gedicht over ‘de wriemelpootjes van het gras’. Tot twee maal toe wordt er door oude nummers van het tijdschrift Groei en bloei gebladerd.

Het gaat bij Oosterhoff dikwijls om het perspectief. ‘De wilg aan de overkant van de brug / staat op de ruit als zilver, / een elleboog en een hand hoog’ staat in een lang, titelloos gedicht dat als beginregel ‘Ik ben de dwerg van gemiddelde lengte’ heeft. Al eerder, in zijn essaybundel Ook de schapen dachten na, liep de dichter het raam van zijn werkkamer met een meetlint na. Het uitzicht bleek een ‘stapeltje’ van 21 cm. dijk, 14 cm. rivier, 7 cm. tegenoverliggende dijk en 155 cm. lucht. In zijn tweede bundel De ingeland zit ‘de ik’ achter de spiegel bij de deur in het midden van een bus die staat te wachten op vertrek. Op het trottoir lopen twee vrouwen elkaar tegemoet, de een ziet hij door het glas, de ander als spiegeling. Dan vallen hun omtrekken samen: ‘één oudjonge vrouw’. In zijn nieuwe bundel schrijft Oosterhoff: ‘Wat is het raam groot. Om het op papier te krijgen moet ik / met het papier achteruit en dan haal ik het nog niet.’

Lees meer "Altijd gevat" »

Poëziekrant nr. 1, januari-februari 2008

- door Olaf Risee

In het laatst verschenen nummer van de Poëziekrant:

Poëziekrant nr. 1 - een interview met Peter Holvoet-Hanssen: "Ik heb me steeds kwetsbaar opgesteld, het falen getoond. In Santander liet ik gevaarlijke narren met opzet de evenwichtskunstenaar uit balans brengen, dat was geen ‘new age op speed’ maar noodzakelijk voor de beweging: zet je gewicht op het ene been en dan weer op het andere: je zet geen stap vooruit. En mijn poëzie is heel hard geworteld in de wereld. Het leven ís onveilig. Het was echt te doen om dat camerastandpunt. Kijk, als jongeling keek ik op naar Vondel. Zijn Kinder-lyk heeft me van mijn stuk gebracht… hoe hij in dat gedicht in plaats van te schrijven ‘ik sta hier bij het graf’…, de camera in de hemel plaatst en Constantijntje tot de vader en de moeder laat spreken. Dat precies vond ik te weinig opduiken in de poëzie. Ik vond te veel gedichten die meer zeggen over de dichter dan over de geliefde. Daar lag voor mij een nieuwe uitdaging. Zonder wierookdampen of kabbalablablabla kun je toch in de poëzie de camera eens wat meer in een andere hoek plaatsen en bijv. de geliefde naar de dichter laten kijken? Dat is de kracht van de verbeelding, een spel dat de werkelijkheid evoceert, dat op zich werkelijkheid is."

Lees meer "Poëziekrant nr. 1, januari-februari 2008" »

Inleiding bij 'Door het oog van de os'

Afgelopen zondag werd de bundel Door het oog van de os van Maurice Buehler gepresenteerd in Den Haag, met gastvoordrachten van Tsead Bruinja, Xavier Roelens en Lucas Hirsch, en muziek van Hanna Sleumer. Buehlers vrouw, Saskia, sprak een inleiding uit die u hieronder kunt lezen.

- door Saskia Buehler

Maurice Buehler Om te zeggen wat ik zo mooi vind aan deze bundel van Maurice ga ik even een ingewikkeld uitstapje maken: Ik wil het graag hebben over twee eigenschappen die volgens mij in deze gedichten te vinden zijn, die op mij een 'oog van de storm'-effect hebben, iets heel tastbaars en iets vervreemdends en abstracts.

In zijn 6 Memo's voor het volgende millennium, zes bespiegelingen over schrijven heeft Italo Calvino een essay gewijd aan exactheid. Hij deelt dit begrip, toegespitst op literatuur, op een gegeven moment op in twee componenten: namelijk exactheid afgeleid van de mathematische, ontlichaamde taal van de wiskunde, die terug te vinden is in patronen, 'spelletjes,' thema's en structuren in geschreven teksten. En hij heeft het, verder toegespitst op schrijven, over de exactheid van het precieze, tastbare beschrijven. Dit door het oproepen, aanraken, verbeelden van de levende wereld met levende, specifieke taal. Deze exactheid van levende taal zal als je het vergelijkt met de wiskundige taal (die streeft naar formules en patronen en vaste (deel-)structuren) altijd een soort ruis met zich mee dragen omdat ze levende taal is. Omdat ze gesproken wordt door mensen en telkens verandert, nu, morgen en vandaag.

Lees meer "Inleiding bij 'Door het oog van de os'" »

Ashbery: ongrijpbaar, virtuoos, frustrerend, verleidelijk

- door Samuel Vriezen

"Later, there were so many protagonists
one got quite lost, as in a forest of doppelgängers.
Many things were going on. And the moon, poised
on the ridge like an enormous, smooth grapefruit, understood
the importance of each and wasn’t going
to make one’s task any easier, though we loved her."

(John Ashbery, fragment van Dull Mauve)

In 1995 verscheen bij Meulenhoff een bundel met vertalingen van het werk van John Ashbery door J. Bernlef en Peter Nijmeijer onder de titel De mandril op de slagboom. Hoewel er al eerder werk van Ashbery in het Nederlands was verschenen fungeerde deze bundel als een introductie van zijn oeuvre in het Nederlandse taalgebied. Bernlef karakteriseert in zijn nawoord bij de bundel Ashbery’s werk als een ‘hardop denken’, een ‘naar alle kanten uitwaaierende stroom associaties en woordverbindingen’ en ‘een soort lucide verstrooidheid die nog door geen enkele denkrichting wordt gestuurd’. ‘Het lezen van een gedicht van Ashbery geeft de sensatie in snelle vaart door een landschap te worden gevoerd zonder dat ergens bij stilgestaan wordt, een poging wordt ondernomen om de essentie aan een veelheid van indrukken te ontlokken.’

Dat klopt met de regels hierboven. In het werk van Ashbery, ‘many things are going on’; een lezer die het allemaal leest kan ‘get quite lost’. Dat geldt niet alleen voor de individuele gedichten. Het geldt ook voor het oeuvre als geheel.

Lees meer "Ashbery: ongrijpbaar, virtuoos, frustrerend, verleidelijk" »

Poëziekrant nr. 8, november-december 2007

- door Olaf Risee

In het laatst verschenen nummer van de Poëziekrant:

Poëziekrant, nr. 8 - een interview met Leonard Nolens: "Ik schrijf geen dagboeken meer. Er verschijnt misschien nog één deel, dat ik hier netjes uitgetikt heb liggen, maar ik weet niet of ik het publiceer. Het schrijven van een dagboek is niet moeilijk. Het zijn notities die zich opdringen en die met de losse pols geschreven worden. Maar de manier van leven die samenhangt met het schrijven van dagboeken is moeilijk, en daarom houden de meeste mensen het ook niet vol. En daarom hou ik het nu ook niet meer vol, het is genoeg geweest. Als dat laatste deel verschijnt, zijn het meer dan duizend bladzijden. Dat corpus, die kwantiteit is ook noodzakelijk, omdat je pas een kwaliteit krijgt in een dagboek als er een hoeveelheid aanwezig is, als de puzzel zo groot mogelijk is, als er zoveel mogelijk jaren en facetten van je leven in voorkomen. Je kunt natuurlijk tot je tachtigste af en toe een notitie maken, maar dat is niet wat mij interesseert in een dagboek. Als je het dagboek leest van Cioran, dat postuum gepubliceerd werd, of van Michel Leiris: daarin komt alles voor, zowel dat hij in zijn broek schijt als hij een hele nacht op stap is geweest, als dat hij een subtiel gesprek heeft met zijn secretaris in het Musée de l'homme in Parijs. Gedichten schrijven is construeren, bouwen, en dat is het enige wat mij op dit moment nog interesseert. Ik had natuurlijk de mogelijkheid van een schriftuur waarin spontaniteit aanwezig bleef. Ik kwam 's ochtends naar mijn werkkamer hier, en er drongen zich bepaalde gedachten op, vooral gedachten, omdat ik denk dat die wel degelijk ook tot de realiteit behoren, en ik haastte me om hier aan te komen, om toch maar niet de zinnen te verliezen die door mijn hoofd spookten. Ik heb het ook nooit gelijktijdig kunnen doen. Het was altijd een periode, een aantal maanden waarin ik uitsluitend met het dagboek bezig was, en dan kwam er weer een periode waarin ik dacht: nee, nu moet het stoppen, nu wil ik echt weer bakstenen aanslepen en een huis bouwen. (...) Het is niet zo dat bepaalde zinnen in het dagboek automatisch leiden tot een gedicht. Heel vreemd, dat die twee idiomen toch moeilijk te vermengen zijn. Je kunt niet 's ochtends een dagboeknotitie maken, tenminste als het iets voorstelt en als je een beetje diep bent gegaan, en dan 's middags na de koffie een gedicht, of andersom. Het sluit elkaar bijna uit. je moet vermijden dat de indruk ontstaat dat het gedicht een uitkristallisering is van een dagboeknotitie. Het is veel complexer. Je overziet het zelf niet. Misschien is het maar goed, dat het voor jezelf een geheim blijft."

Lees meer "Poëziekrant nr. 8, november-december 2007" »

Het kind en het badwater

- door Xavier Roelens

Wat hieronder staat, is als reactie op Risee's commentaarstuk bedoeld. Omdat zij zo lang is, plaats ik haar als aparte posting. Zij begint in medias res met een bedenking bij Breukers' slotpleidooi voor geld aan de uitgeverijen voor poëziepublicaties. Lees eerst Breukers' manifest en Risee's commentaar.

Lees meer "Het kind en het badwater" »

Möchten Sie wissen, wie Sterben ist? - inleiding bij Anne Vegter

Vadem is een avondvullend programma waarin één dichter centraal staat. Het uitgangspunt van de avond is een goed geïnformeerd en inhoudelijk gesprek met een hedendaagse dichter. Op 11 december jl. gingen Jan-Willem Anker, Tsead Bruinja en Thomas Möhlmann dieper in op het werk van Anne Vegter, van wie recentelijk de bundel Spamfighter verscheen.
Vadem wordt mogelijk gemaakt door Athenaeum en Spui 25.

- door Thomas Möhlmann

‘Een gesprek naar aanleiding van het verschijnen van een poëziebundel’, liet onze gast van vanavond, wier nieuwste, derde bundel we hier in één moeite door ten doop houden, zich eens in de Volkskrant ontvallen, komt op haar over als ‘een verkapte vorm van stervensbegeleiding’.
Van harte welkom dus, dames en heren, bij wat mogelijk een wat macabere zesde aflevering van Vadem zal worden. Eén blik op de voorkant van Spamfighter, gesierd door een omgekeerd doodshoofd van Gerhard Richter, is eigenlijk al voldoende om ons te verzekeren dat de dood vanavond niet steeds veilig heel ver weg zal blijven.

Vijfentwintig van de 150 Fragebögen (of: ‘Lastige vragen’) die ik me wel eens door de ruim zestien jaar geleden overleden Zwitserse schrijver Max Frisch laat stellen, hebben betrekking op de dood. Het zijn stuk voor stuk vragen waar je zelf lang op kan sabbelen, en die tot mooie uitspraken van een ander kunnen leiden, als diegene er tenminste de tijd voor heeft en neemt. De eerste luidt: ‘Haben Sie Angst vor dem Tod und seit welchem Lebensjahr?’ Maar de lastige vraag die ik het liefst aan onze Vadem-gast zou voorleggen, als ik het genoegen had gehad haar te interviewen in plaats van het plezier haar aan te kondigen en in te leiden, zou nummer acht zijn: ‘Möchten Sie wissen, wie Sterben ist?’

Lees meer "Möchten Sie wissen, wie Sterben ist? - inleiding bij Anne Vegter" »

Awater, najaar 2007

- door Olaf Risee

Awater, najaar 2007In het laatst verschenen nummer van Awater:

- een interview met Anne Vegter: "[Spam] is van een grote onbeschaamdheid. Je wilt er niet mee geconfronteerd worden, maar het is er en het gaat niet weg. Het zijn een soort bacteriën. Iedereen heeft er last van, je vecht tegen iets wat niet te bevechten valt. Het maakt niet uit in welk deel van de wereld je leeft, overal is een overmaat aan prikkels. Dat beschouw ik als een vorm van spam. Spam is daarnaast rommel en vuil. Mensen worden daar de hele dag mee geconfronteerd, ook met het vuil van elkaar. Wat ik als onhygiënische processen beschouw, zijn de massahysterie zoals we die hebben gezien bij Fortuyn en de knieval voor laagopgeleiden. Dat ervaar ik als het opdringen van een soort spam in het denken, waarvoor ook op intelectueel niveau gevoeligheid getoond wordt. (...) Tegelijk is er een dubbel gevoel, want je kunt spam ook goed gebruiken. Ik wil niet als een heremiet in het leven staan. Een reclameblok van vijf minuten is irritant, maar ook vermakelijk. Als je je er voor openstelt, kun je met beelden of een bepaald ritme daaruit aan de slag."

Lees meer " Awater, najaar 2007" »

Kunstgras in de badkamer

- door Erik Lindner

Ruth Lasters
Vouwplannen
Meulenhoff/Manteau

Voor de tentoonstelling ‘Vreemde dingen: surrealisme en design’ in het Museum Boijmans Van Beuningen zijn er werken verzameld als een tafel op vogelpoten en een in stof verpakte naaimachine. Het zijn ikonen, zoals de sofa in de vorm van de lippen van Mae West. Andersom bekeken lijken anno 2007 de werken van Dali en verwanten nogal op de computerwerkelijkheid van Second life. Vooral de schilderijen van Paul Delvaux tonen overeenkomsten met de gewaden en de zelfgemaakte huizen die de bewoners van die virtuele wereld zich aanmeten. De Franse dichter Jacques Darras stelde het surrealisme voor als het modernisme van de armen. Als kunst democratiseert, wat in Second life het geval is, wordt er nogal regelmatig teruggegrepen op de esthetiek van het surrealisme.

Van Ruth Lasters, die deze week de Vlaamse debuutprijs ontvangt voor haar roman Poolijs, verscheen een dichtbundel, Vouwplannen. Lasters is een lustig verzamelaar van beelden. Regenschermen groeien onder de elleboog, okkernoten worden verzameld in een schort, appels stapelen zo mooi. En al even lustig gaat Lasters tekeer met haar beelden, koppelt ze aan andere beelden en begrippen en zet ze samen in gang.

Lees meer "Kunstgras in de badkamer" »

Poëziekrant nr. 7, oktober 2007

- door Olaf Risee

In het laatst verschenen nummer van de Poëziekrant:

Poëziekrant nr. 7 - een interview met de Sloveense dichteres Lucija Stupica: "In mijn land spelen dichters een belangrijke rol in de geschiedenis. Ze hebben ook in belangrijke mate bijgedragen tot de ontwikkeling van de Sloveense taal. Meer dan in andere landen het geval is, wordt de publicatie van boeken in het Sloveens gesubsidieerd door het ministerie van Cultuur. Zonder die steun zou er bij ons nooit zo'n rijke poëzieproductie zijn. Natuurlijk is er het probleem van de markt, die het de literatuur allesbehalve gemakkelijk maakt. Anderzijds kent de boekenmarkt in een dermate klein taalgebied nauwelijks enige competitie: jaarlijks verschijnen ongeveer evenveel poëziebundels als romans. Wij zijn gelukkig vrij onafhankelijk van het algemene gewin. Ik ben ervan overtuigd dat poëzie met intimiteit te maken heeft, dat ze appelleert aan nadenkende, gevoelige zielen. De tijd dat grote dichters als Majakovski, Dylan Thomas en Brecht hun poëzie naar de massa's brachten, is voorbij. Vandaag is een dichter al dankbaar wanneer hem of haar een honderdtal lezers te beurt valt."

Lees meer "Poëziekrant nr. 7, oktober 2007" »

Poëziekrant nr. 6, september 2007

- door Olaf Risee

In het laatst verschenen nummer van de Poëziekrant:

Poëziekrant nr. 6 - een interview met H.C. ten Berge: "De wereld van Bernlef en Schippers was geheel apart. Ze behoren tot mijn generatie, maar zij begonnen eerder. Ze hadden wel een open geest, maar het was een voor mij ontoegankelijke club. Heel begrijpelijk overigens: ik werd gerekend tot een ander soort literatuur. In de muziek had of heb je dat ook: Schönberg en Stravinski, allebei vernieuwers, behoorden tot verschillende kampen die elkaar met argwaan bekeken. (...) Toch sympathiseerde ik meer met de Vijftigers dan met de Barbarbergroep. Ik ha er ook niks tegen, maar het waren in die tijd gescheiden werelden. Er waren nog stromingen. Er waren tijdschriften waarin je wel of niet publiceerde. Niet omdat je vijandig tegenover die tijdschriften stond, maar het leek wel alsof zo'n tijdschrift aanvoelde dat jouw werk daarin niet thuishoorde en dan kreeg je het terug. Bladen als Podium en iets later Merlyn accepteerden mijn werk wel, goddank zonder kruiwagens of voorspraak van beschermheiligen. Ik kwam daar op eigen kracht en op natuurlijke wijze terecht, terwijl ik dat van tevoren niet had gekozen. In een tijdschrift als Tirade was ik niet welkom, omdat de oude Van Oorschot niets zag in het soort poëzie dat bepaalde jongere auteurs maakten. Dat was niet uit vijandigheid, maar hij gaf cijfers en als je een zes min kreeg, werd je gepubliceerd. Ik kreeg een vier of lager. Hij was een schoolmeester, net als K.L. Poll, die ook cijfers uitdeelde in NRC/Handelsblad. (...) Ik dacht niet in clubs en stromingen. Je was bezield door het een of ander en door de poëzie als zodanig. Je had bewondering voor bepaalde schrijvers, ongeacht in welk tijdschrift ze publiceerden en je had niet het idee dat je zelf tot een bepaalde stroming zou kunnen behoren."

Lees meer "Poëziekrant nr. 6, september 2007" »

Addendum

In de laatste Yang-bespreking ontbrak de vermelding dat het tijdschrift ook een sterke gedichtencyclus van Frédéric Leroy bevat, waarbij in Letterland (dankzij Sylvie Marie) ook nog een eigen, auditief omzetsel van de cyclus kan aanbieden. Bij deze is dat aangevuld.

Yang 2.2007, juli 2007: Omzetsels

- door Xavier Roelens

Hoe saai is de titel Omzetsels niet in vergelijking met vroegere Yang-titels, maar hoe avontuurlijk is de inhoud. Over de grenzen van ruimte en tijd komen ze naar de lezer. De Shakespeare-sonnetten binnengesmokkeld in het kloontijdperk. Zo schrijft Ulrike Draesner in haar inleiding (over klonen, dus.): “Droom en nachtmerrie zijn de grenzen waar iemand roept: let’s change the subject en daarmee bedoelt ‘Ik kan niet meer’. Droom en nachtmerrie waren (en zijn) de redenen waarom mensen ervan droomden mensen te veranderen. Droom en nachtmerrie is de kloon wiens verschijning het subject wezenlijk, fundamenteel, in alle kenmerken die er ooit aan toegekend zijn, verandert – doordat hij het subject op zichzelf laat lijken. […] Misschien is ook de taal onze kloon? Verwekt uit onze mogelijkheden en, als het reële van onze mogelijkheden, steeds op ons vooruit. Iets wat achteromkijkt naar ons en met ons stuivertje-wisselen speelt: to change the subject.”

Lees meer "Yang 2.2007, juli 2007: Omzetsels" »

Poëziekrant nr. 5, juli-augustus 2007

- door Olaf Risee

In het laatst verschenen nummer van de Poëziekrant:

Poëziekrant nr. 5 - een interview met Jan Lauwereyns: "Toen ik aan mijn proefschrift 'cognitieve psychologie' werkte - erg droog onderzoek, erg technisch - zag ik geen verband met de literatuur. Toen was ik aan de ene kant af en toe met gedichten bezig, aan de andere kant met mijn papers. Toen ik in de neuropsychologie terechtkwam, verzweeg ik het zelf voor mijn collega's. Ik wilde niet dat ze het wisten. Bij sommige wetenschappers leeft er minachting voor kunst en literatuur, en zeker voor poëzie, dus ik zweeg omdat ik vreesde niet voor vol te worden aangezien. (...) In de neurowetenschap wachten mensen tot ze een 'externe validatie' hebben. Zodra ze namelijk vernemen dat ik op buitenlandse festivals word uitgenodigd, weten ze dat het op niveau is. (...) De uitgangspositie is er vaak een van vooroordelen en afstand, maar dat wordt doorbroken als er een exterene validatie komt. Dan worden er zelfs vergelijkingen gemaakt tussen mijn stijl en de neurowetenschappen. (...) In wetenschappelijk onderzoek ga je vaak deductief te werk. Dat verloopt in een rechte lijn. Maar op een moment weet je dat je daar even afstand van moet nemen; je leest bijvoorbeeld een andere onderzoekspaper, en merkt dat daar iets interessants in zit. Op dat moment spring je uit het eerste discours en ontwikkel je een tweede. Later keer je natuurlijk terug. Het gaat dus zo: je beweegt je rechtdoor, maakt even een zijsprong, en dan kom je terug, en op die manier kun je veel beter de lijn voortzetten. Het gebeurt wel eens dat die zijsprong zo'n sterke aantrekkingskracht heeft, dat hij tot een ombuiging leidt. Daarom is het erg belangrijk dat wetenschappers open blijven staan voor die andere perspectieven, want dat kan echte vooruitgang genereren."

Lees meer "Poëziekrant nr. 5, juli-augustus 2007" »

Awater, zomer 2007

- door Olaf Risee

Awater, zomer 2007 In het laatst verschenen nummer van Awater:

- een interview met Maria Barnas n.a.v. haar tweede bundel Er staat een stad op: 'Barnas zei ooit in een interview met Krakatau: "Wat mij irriteert zijn dichters die woorden gaan uitvinden.' Maar in deze bundel gebruikt ze zelf woorden waar Word een rood golfje onder zou tekenen. Knokkelwaarts. Bloembloed. Vlugvluchtig.
Lachend: "Bestaan die niet dan?" Dan: "Ik ben daar wat in veranderd, denk ik. Ik had er echt een grote allergie voor en nog steeds vind ik het een groot verschil of je woorden bedenkt om maar woorden te bedenken en een soort bizarheid de wereld in te kogelen, of dat je een woord verzint omdat er echt geen beter is. Maar ik laat nu meer toe dat dingen niet helemaal onder controle zijn. Er staat zelfs nog een vierde verzonnen woord in."
En soms vraagt een gedicht er gewoon om. Zoals met spuuglikken, het vierde verzonnen woord. Ze gebruikt het in een gedicht waarin het beeld wordt teruggespoeld. Bezoekers 'spuuglikken koffie in kopjes'. Barnas: "Terug in de tijd drinken, daar moest ik iets voor verzinnen. Je kunt ze niet laten spugen, dat is te onbeheerst. Het kon hier niet anders."

Lees meer "Awater, zomer 2007" »

Vechtende spiegels, DWB, juni 2007 (nr. 3)

- door Xavier Roelens

Wanneer een multimediaal project van start gaat, een begin gemaakt wordt met de verliteraturing van een strip en wetenschappelijke inzichten zich mengen met poëzie en theater, kunnen we gerust spreken van een experimenteel DW B-nummer. De titel van het nummer is Vechtende spiegels en toont hoe, in de woorden van de Cubaan José Lezama Lima, “invloeden  geen oorzaken zijn die bepaalde uitwerkingen produceren, maar uitwerkingen die licht werpen op oorzaken”.

Lees meer "Vechtende spiegels, DWB, juni 2007 (nr. 3)" »

Ons Erfdeel, nr. 2 (mei 2007)

- door Xavier Roelens

Het culturele tijdschrift Ons Erfdeel bestaat vijftig jaar. Dat werd niet alleen gevierd in De Brakke Grond in Amsterdam en in de aula van de Universiteit Gent, maar sinds begin dit jaar houdt de stichting een eigen weblog bij en vooral: het tijdschrift zelf is in een nieuw kleedje gestopt, heeft er enkele grammen papier bij gewonnen, met in het midden ook een portfolio in kleur (handig bij beeldende kunst), en is (jammer genoeg) de frequentie dan weer gedaald van vijf naar vier nummers.

Lees meer "Ons Erfdeel, nr. 2 (mei 2007)" »

Poëziekrant nr. 4, juni 2007

- door Olaf Risee

In het laatst verschenen nummer van de Poëziekrant:

Poëziekrant, nr. 4 - een interview met Roland Jooris: "Weet u, ik ben niet alleen een tekenaar (...) maar ook een beeldhouwer van taal. En dat heeft alles met compactheid te maken. Dat is in tegenspraak met het postmodernisme, niet? Waarom doe ik dat? Het moet een goed sluitend, zo gesloten mogelijk ding zijn. Ik denk dat het komt door mijn afkomst. Mijn vader was een hoefsmid, en mijn moeder was een hoedenmaakster. Ze waren allebei bezig met het maken van compacte vromen die ergens op moesten passen, niet zomaar, maar heel precies. Zo'n ijzer moest exact passen op die hoef. Mijn moeder gebruikte vilt. Ze spande het op mallen om zo een gewenste vorm te verkrijgen. Ze probeerden allebei met materie een zo juist en gebald mogelijke vorm te scheppen. Dat is precies wat ik nu met taal doe. Ik weet dat het tegen de tijdgeest indruist en tegen de wegwerpmaatschappij, maar ik wil iets compacts en duurzaams maken. Ik ben daar heel koppig in. Als we dat niet kunnen, waarom leven we dan?"

Lees meer "Poëziekrant nr. 4, juni 2007" »

Inleiding bij het debuut van Xavier Roelens

- door Olaf Risee

(Afgelopen zaterdag werd de debuutbundel er is een spookrijder gesignaleerd van Xavier Roelens gepresenteerd in Menen. Hieronder kunt u de inleiding lezen die ik bij die gelegenheid heb uitgesproken.)

er is een spookrijder gesignaleerd

In de uitnodiging voor deze presentatie die Xavier per mail verstuurd heeft, stond te lezen dat hij mij gevraagd heeft de inleiding te verzorgen omdat - en ik citeer - ‘Olaf de enige is van wie ik weet dat hij op zo'n avond eerlijk zijn mening zal geven’. Dan weet u meteen hoe Xavier kennelijk over ú denkt: onbetrouwbaar volk.
Het lijkt wellicht heel stoer van Xavier dat hij iemand vraagt waarvan hij zeker zegt te weten dat ie eerlijk zijn mening zal geven, maar het moet gezegd dat ik al een jaar geleden, toen ik voor de ongeveer 63e keer door Xavier gedwongen werd de 238e versie van zijn bundel door te lezen, tegen hem gezegd heb dat ik het een bovengemiddeld goede bundel vond.
En - ik zal u niet langer in spanning houden - ik vind dat nog steeds.

Lees meer "Inleiding bij het debuut van Xavier Roelens" »