« Poetry at the 2012 Olympic Games? There's no rhyme or reason why not | Hoofdmenu | "The best poetry is always religious" »

Jan Arends - Ik...

In de rubriek Op het eerste gedicht vertellen poëzieliefhebbers over het allereerste gedicht dat bij hen 'het heilige poëzievuur' heeft aangewakkerd.
Aflevering 25: dichter, muzikant en schilder Lammert Voos.

Gedichten lees ik pas sinds een tiental jaar. En dan vaak kom ik niet verder dan flarden. Als jongeling had ik het veel te druk met opstandig zijn, motorraces aflopen met mijn broer en genieten van de geur van bier, broodjes braadworst en uitlaatgassen. Bossen waren immers door God geschapen om er met een zware motor doorheen te rauzen. En het bier en de broodjes braadworst waren aan de gebroeders Voos wel besteed! Als kind kwam ik niet verder dan de nobele jongensromantiek van K. Norel en de zee-avonturen van Thor Heyerdahl. Er was in mijn jeugd namelijk een hoop om te vergeten en om van te ontsnappen. Mijn leven was te gecompliceerd om open te staan voor literatuur, laat staan poëzie.

Pas op latere leeftijd leerde ik de poëtische kracht van het werk van Konstantin Paustovskij kennen en toen ik zijn autobiografische reeks die verscheen in de Privédomein serie las, gingen de deuren langzaam bij mij open. Maar zoals gezegd: het waren vaak flarden van gedichten die me aanspraken. Zo vond ik de reactie van Johnny van Doorn op I can’t get no satisfaction van de Rolling Stones met het gedicht Kom toch eens klaar klootzak meesterlijk. Als performer was Van Doorn groots maar ik prefereer nog steeds zijn proza boven zijn poëzie. Ik zag de lol en waarde ook wel in van de gedichten van Jan Hanlo en dan met name Oote Boe en De Mus. Ik kreeg daar een “dat kan ik ook!”-erlebnis van. Later kwam ik erachter dat het “ook kunnen” een stuk moeizamer was dan het in eerste instantie leek.

De gedichten die mij echt aanspraken gingen meestal over iets wat direct betrekking had op mezelf. C.O. Jellema schreef gedichten over noord-Groningen en dat vond ik mooi en ooit dacht ik dat ik ze begreep. Nu ben ik daar niet meer zo zeker van, maar twee strofen uit Saaxum vind ik meesterlijk:

Licht getild hoe zwaar ook de klei zich uitstrekt
onder stapelwolken: zo woonden mensen,
stuk voor stuk, geboren, begraven, stil nu
tussen de hagen.

En:

Kleine terp, verhoogd in een toren. Kraaien
zwenken galmgedragen de tijd uit. Waarom
onbevangen niet ook de geest te geven
zo aan de winden?

Dat gaat over de wereld waar ik geboren ben en spreekt me dus enorm aan. Ik ben zelf geen vernieuwer en dus is het gedicht, het ultieme gedicht, het gedicht die uitlegt waarom ik schrijf en uitlegt waarom ik het als ik kind zo druk had met vluchten ook verre van nieuw. Het is van Jan Arends en staat in de bundel Lunchpauzegedichten en is bij mijn weten titelloos. Wat mij betreft zegt het alles:

Ik
schrijf gedichten
als dunne bomen.

Wie
kan zo mager
praten
met de taal
als ik?

Misschien
is mijn vader
gierig geweest
met het zaad.

Ik heb
hem nooit
gekend
die man.

Ik heb
nooit
een echt woord gehoord
of het deed pijn.

Om pijn
te schrijven
heb je
weinig woorden
nodig.

Reacties

Laat een reactie achter

Feeds

  • klik hier voor het allerlaatste (literatuur-)nieuws


    > Meer feeds...

Zoeken

  •  

Laatste reacties

Colofon

Advertenties