K. Schippers - De autobezitter
In de rubriek Op het eerste gedicht vertellen poëzieliefhebbers over het allereerste gedicht dat bij hen 'het heilige poëzievuur' heeft aangewakkerd.
Aflevering 24: dichter en journalist Hans van Willigenburg.
Geloof me, ik epateer niet als ik zeg dat ik op de middelbare school in het middelste van het middelste peloton zat waar het de waardering van poëzie betreft. Met andere woorden, ik vond poëzie iets voor watjes en de belangrijkste reden dat ik die mening was toegedaan was ongetwijfeld het gegeven dat al mijn klasgenoten er, naar mijn stellige indruk, precies zo over dachten. Ik herinner me nog goed hoe het werk van een dichter als Lucebert zijn best deed om onze klas in deze op niets gebaseerde mening te stijven. Deze dichter smeet een ogenschijnlijk even gemakzuchtige als orgiastische woordpuree in je gezicht en leek er in elke dichtregel plezier in te scheppen om je na twee of drie woorden volledig het bos in te sturen. Het zie-je-wel-wat-een-onzin?-gehalte van zijn poëzie was erg hoog, en ik verbeeld me dat Lucebert en het lerarenkorps dat hem bewonderde eind jaren ’70 samen verantwoordelijk zijn geweest voor het uitdoven van de laatste vlammetjes ‘goodwill’ die bij mij en talrijke medeleerlingen nog brandden voor de dichtkunst.
Helemaal precies weet ik het niet meer, maar het staat me bij dat ik op zomaar een middag in de bibliotheek (ik moest tenslotte mijn reguliere leeslijst ‘afwerken’) afboog richting de poëzie-afdeling en dat ik als vaag plan had opgevat om te checken of die Lucebert maatgevend was voor de bagger die deze beroepsgroep uitstootte. Volgens mij sloeg ik zelfs een zogenaamd ‘secundair boekwerk’ open waarin de dichters in stromingen en tijdvakken waren ingedeeld.
Toen ik las dat Lucebert deel uitmaakte van de 50’ers en dat zij de spontaniteit van het kind verheerlijkten, begon ik half te vermoeden dat er misschien ook andere poëzie bestond, poëzie, bijvoorbeeld, die de ‘spontaniteit van het kind’ niet verheerlijkte. Lang hoefde ik niet te zoeken, want na de 50’ers kwamen, jawel, de 60’ers, en die hadden, gelukkig maar, hele andere ideeën, zo meldde het boek. De 60’ers vonden de hele discussie over wat poëzie was en wat niet maar gezeur; zij hadden geen vreemde obsessie met kinderen en in hun ogen kwam gewoon ‘alles in aanmerking’ om tot poëzie te worden omgesmeed: een kroket, een handleiding, een voetbalwedstrijd, een krantenverslag. Joehei!!!! Toffe lui, die 60’ers!!! Het was alsof er een steen van mijn hart werd opgetild!!! Dus dat mocht ook poëzie heten?
Het volgende moment wilde ik weten welke lieden dit nobele standpunt propageerden en in de praktijk brachten en ik hoefde, opnieuw, niet lang te zoeken. Een paar pagina’s verderop stond, bij wijze van voorbeeld, het gedicht De autobezitter van K. Schippers. Ik las het in een seconde of vijf ademloos uit voor zover je iets in vijf seconden ademloos uit kunt lezen, en...? – Ik was verkócht! Het kon niet anders of ik ging een glorieuze toekomst als dichter tegemoet. Met pen en papier zou ik dagelijks door de straten gaan lopen, onopvallende bijkomstigheden noteren en die dan, net als K. Schippers, vertalen in een gedicht met veel mysterieus wit. Enfin. Dat ik eerst nog twintig jaar journalist zou zijn, alvorens mijn eerste bundel zou verschijnen, wist ik toen - gelukkig - nog niet.
Nu ik De autobezitter teruglees, heeft het een deel van zijn magie verloren. Logisch. Mijn toenmalige waardering werd grotendeels door de context bepaald, dat wil zeggen: mijn leeftijd, het literatuuronderwijs en de zoektocht naar wat ik later wilde gaan doen. In zekere zin vind ik het gedicht zelfs slecht en onritmisch lopen, maar daar gaat het uiteindelijk niet om. Het statement dat de De autobezittter over poëzie, kunst en leven maakt, vind ik nog steeds indrukwekkend. Dank, K. Schippers.
De autobezitter
Er stapt een man in een auto
verricht de nodige handelingen
voor het rijden
en rijdt
daarna
dan ook
inderdaad
weg.
Reacties