Poëziekrant nr. 4, juni 2008
- door Olaf Risee
In het laatst verschenen nummer van de Poëziekrant:
- een interview met Kurt De Boodt: "(...) ik hou van composities. In het proza zie ik daarbij Ivo Michiels, Jeroen Brouwers en António Lobo Antunes als grote voorbeelden. Dichten?, ik doe het overal. Taal maalt in mijn hoofd als ik wandel, douche, wakker lig, op de trein zit. Ja, ook wel in mijn achterhoofd op het werk. Mijn minst productieve periode is als ik op vakantie ben en niets aan mijn hoofd heb. Ik maak notities in boekjes en op stukjes papier. Zonder aanzet ga ik zelden of nooit achter mijn beeldscherm zitten. Dan schrijf ik met een zo open mogelijke geest door, met zo min mogelijk remmingen. Er moet vlug een eerste versie staan. Binnen een week of twee moet ik dan het gevoel hebben dat het gedicht er staat, anders valt het niet meer te redden. Na een kelderperiode begin ik doorgaans weer te prutsen. Soms wordt het pas echt interessant als je denkt dat je geen letter meer kunt veranderen. Ik pot enorm op, kom niet eerder met mijn gedichten naar buiten dan wanneer ik tevreden ben over het geheel. Maar op een bepaald moment moet die hele handel gelost worden, wil ik me ervan bevrijden. Dan komen de gedichten los van mij te staan. In die zin gaat het bij mij schoksgewijs: laden en lossen."
- een essay van Bertram Mourits over Jan Hanlo: 'Hanlo had in Helmond schoolgegaan en na het behalen van zijn diploma ging hij journalistiek studeren in Utrecht. Hiervan zijn weinig sporen te vinden, of het zou in zijn proza moeten zijn. Zijn analytische aandacht is een breed scala aan onderwerpen waard die hij vaak nuchter en helder behandelt: strips, film, jazz. Hij maakt in deze periode deel uit van het "Katholiek filmfront" en dat ging gepaard met veel ruzie en onzekerheid over de rol van kunst. "Katholieke film" bestond niet; Hanlo raakte er steeds meer van overtuigd dat kunst geen betogende functie moest hebben. Discussies voerde hij bepaald niet alleen met de kracht van argumenten, zijn alcoholgebruik speelde een grote rol in de ruzies die hij in die tijd uitvocht. In de poëzie onthield hij zich van het debat maar de alcohol krijgt wel een plaats in Hanlo's poëzie, alweer op een statige en ironische manier: "Gij mergelende dronkaards / wáárheen voert uw weg?" en met een inzicht in de problematiek die van inlevingsvermogen getuigt: "Ik denk aan U / o mergelende dronkaards / die uw lach te vroeg verleerd hebt / en wier vlees door ziekt' of ander ongemak, / verteert tot gij uw 'Nooit meer' / nooit meer zweert."'
- een recensie van Luc Renders over Het is onnatuurlijk om te leven van Gert Vlok Nel: 'Aan het traditionele poëtische taalgebruik heeft Gert Vlok Nel een broertje de dood. Hij doorspekt zijn gedichten met Engelse woorden, vloekwoorden en nogal wat andere onwelvoegelijke termen: "(dit klink so fokken kak maar dit is so fokken waar)". Naar de regen wordt verwezen als "die kak drizzle" en naar een koude wind als "yl die wind die suidpoolpoep". Ook de beeldspraak is tegendraads en daardoor verrassend expressief. Het opslaan van een circustent wordt beschreven als "die tent het vanmiddag opgestaan / hemelhoog soos i borssuiker-reënboog", de lichten van een auto die in het donker rijdt "het getippex oor opgehewe heuwels", een trein in de nacht wordt tot een uiterst unheimliche ervaring: "en op die agtergrond kom i trein soos i byl uit die nag". (...) Gert Vlok Nel volgt eigenzinnig zijn eigen koers. Hij is een dichter zonder literaire pretentie of ambitie. In een interview gaf hij te kennen nooit meer een dichtbundel te zullen schrijven. Het laat hem toe, zowel vormelijk als inhoudelijk, een hoogst originele stem te zijn.'
- een interview met Joke van Leeuwen: "Er zijn vier soorten kritieken: slechte slechte, goede slechte, slechte goede en goede goede. Bij een slechte slechte kritiek vraag je je af waar het op slaat, maar goede slechte, daar heb je wat aan. Slechte goede is dan weer de positieve kritiek van iemand die het niet gesnapt heeft. Een goede goede kritiek, dus van iemand die het echt helemaal begrepen heeft, kom je niet vaak tegen. Meestal zijn de kritieken wat oppervlakkig."
- een interview met de Georgische dichter Rati Amaghlobeli: "Poëzie is een spel met ritmische spoken. Voor mij wordt een idee, een concept uitgedrukt door de muziek. Het is dus strategisch spel met muzikale spoken. Je kunt veel meer muzikaliteit bereiken als je de klanken op zich laat zingen. Dat gaat veel intenser dan wanneer de dichter het op een rationele manier zou proberen te bereiken. Ik moet hieraan toevoegen dat ik zulke gedichten nu niet meer kan schrijven. Toen ik dat deed, besefte ik dat, om muzikale helderheid te bereiken, ik als auteur bijna onpersoonlijk moest zijn of dat poëzie zou moeten samenvallen met een onpersoonlijke dichter. Dat gaat nu niet langer, dat lukt niet meer. Het is heel moeilijk om de synthese te vinden tussen een onpersoonlijke dichter en zijn biografie."
- een column van Geert van Istendael: 'Hoeveel zou vandaag een schilderij van Gustave van de Woestijne kosten? Een vermogen, neem ik aan. En het verzameld werk van zijn broertje? Hondervijfentwintig euro voor acht kloeke delen, ik heb het nagekeken bij een paar antiquaren op het wereldwijde web. Ach, dat poëzie op de markt geen rotte bal waard is, het heeft zo zijn voordelen. De gedichten van Richard Minne kocht ik destijds voor achtenveertig franken. Voor de jeugdige lezertjes, die niet vertrouwd zijn met dukaten, dubloenen en ander antiek gerief, dat is één euro twintig cent. Eén euro twintig voor honderdtwintig van de prachtigste verzen. Absolute topklasse. Een kind kan uitrekenen hoeveel dat is per gedicht: één cent. Net niet nul. Wie durft daar nog te zeggen dat poëzie elitair is?'
De volledige inhoudsopgave van deze Poëziekrant vindt u hier.
Reacties