Mark Braet
- door Renaat Ramon
Vijf jaar geleden stierf de dichter Mark Braet (1925 – 2003), auteur van een twintigtal gedichtenbundels en van vertalingen o.m. van Heinrich Heine en, samen met Willy Spillebeen en Bart Vonck, van de Canto General van Pablo Neruda.
Hij werd door de vzw Uitstraling Permanente Vorming op zondag 1 juli 2008 in Brugge herdacht. Jaak Fontier haalde herinneringen op aan zijn klasgenoot en vriend; Nele Ghyssaert, de weduwe van Mark, droeg een aantal gedichten voor en Renaat Ramon werd verzocht in (te) kort bestek enkele aspecten van Braets poëzie te belichten. De neerslag van deze vrijwel onmogelijke opgave volgt hier.
Rode liefde
Alleen legenden leven voort. En Mark Braet was reeds tijdens zijn leven een legende.
Dat is het gevolg van het samengaan van diverse factoren: zijn rol in het verzet, zijn politieke activiteit, zijn charme, zijn enigszins raadselachtige persoonlijkheid en natuurlijk zijn dichterschap. Want dat hij zich in de eerste plaats als dichter beschouwde en dat ook was, daarover kan geen twijfel bestaan.
Hij beklaagde er zich wel eens over dat men de dichter Braet nooit los zag van de politieke activist. Maar dat was vrijwel onvermijdelijk, want hij was nu eenmaal een notoir communist; de politiek, de partij was zijn broodwinning. Ook dat droeg overigens bij tot zijn aanzien – in een kleine partij kunt ge vlug een groot man zijn en hij heeft het ook gebracht tot lid van het Centraal Comité. Dat is zo’n beetje wat de Curie is voor de Katholieke kerk. Hij kende natuurlijk de beroemde kopstukken van de partij: Louis van Geyt, Jef Turf en velen in het buitenland. En hij wist iedereen te vriend te houden: de Stalinisten, de Euro- communisten en de links-liberale cultuurjournalist van De Rode Vaan.
Hoe groot zijn invloed wel was, moge blijken uit de volgende anekdote.
Amsterdam. Zomer 1962. Ik zou voor Kruispunt een stukje schrijven over Theun de Vries. Een bloedhete namiddag. Wij, de blonde vrouw en ik, wij bellen aan: een mooi herenhuis langs de zonovergoten gracht. De bel produceert geen geluid, maar de deur staat op een kier. Na enige aarzeling, na enig overleg nemen wij de trap naar de eerste verdieping. Komen op de overloop, zien recht voor ons, achter een immens bureau de man die wij herkennen als Theun de Vries. De schrijver veert op, gestoord, gebelgd: wat doen jullie hier, hoe durven jullie, verdwijn… Ik heb de tegenwoordigheid van geest om te zeggen: ik kom met de groeten van Mark Braet. Deze woorden hadden een magische uitwerking. Komt u binnen, zei de schrijver. Gaat u zitten. Hij liet koffie brengen, schonk eigenhandig cognac. Uren hebben we met hem gepraat. En de vrolijkheid ging in het rood gekleed.
In zijn bundels hield hij de partijpolitiek zorgvuldig op afstand. Enige tijd terug heb ik te goeder trouw in een artikel beweerd dat hij, in tegenstelling tot kameraad Pablo Neruda, geen odes aan Stalin geschreven heeft. Dat was onjuist en ik heb in Poëziekrant mijn ongelijk bekend.
In 1952 verscheen nl. op de voorpagina van De Rode Vaan een gedicht van Mark ter gelegenheid van de verjaardag van kameraad Stalin, een lofzang waarbij de ode van de Nobelprijswinnaar verbleekt. Maar zoals gezegd in zijn gebundelde gedichten laat hij zich niet kennen als poëtisch propagandist van een totalitaire ideologie.
Er is ongetwijfeld een dosis socio-politiek engagement in zijn poëzie, maar het is zeerwel vol te houden dat hij in de eerste plaats een liefdesdichter was. Hij zwierf, schreef Bart Vonck ‘tussen strijd en liefde’. Er is in zijn poëzie zelfs een neiging naar het idyllische en ook naar wat Karl Krolov noemde de ‘Demokratisierung des Lyrischen’. Er zijn geen zware woorden in zijn werk. Braet appelleert aan het gevoel. Hij wist zijn gedichten ook op een opdringende manier voor te dragen, vandaar de publieke bijval.
Marc M. Braet debuteerde in 1950 met de bundel Achttien stappen in de storm. Dat zijn 18 qua vormgeving traditionele strofische gedichten, meestal met gekruist rijm en vaak in de jambische maat. De gedichten zijn geïnspireerd door het recente verleden, vol hoop en strijdlust. Er zal een rode strijd worden gevoerd. Van het verleden wordt afscheid genomen in het gedicht Adieu. Eerste strofe luidt:
De laatste kussen zijn gegeven,
de heetste tranen zijn geschreid:
bereid zijn voor het wenkend leven,
bereid zijn tot de zware strijd.
en de laatste:
de rode vlaggen wuiven wijd
en elke droom is weggegeven
en alle tranen zijn geschreid.
De dichter, hij noemt zichzelf een Rebel – met een hoofdletter.
Ik citeer:
Bourgeois, -
de dag vlekt rood,
en gans de wereld wordt getooid
met vlaggen als voor Eerste Mei;
en ik, - Rebel,
geknecht of vrij,
zwijg nooit, nooit, nooit !
Dat liegt er niet om.
Bourgeois is hij nooit geworden, zoveel is zeker.
Mark Braets tweede publicatie was een plaquette met een enkel gedicht: Vrede (1952).
De 14 strofen van telkens 4 regels zijn opnieuw kruisgewijs berijmd. Het is een ballade- achtige enumeratie, eigenlijk één lange zin; alle versregels beginnen met ‘Op’, behalve de tweede en de laatste vier. Het is opgedragen aan ‘alle strijders voor de Vrede, in vrijheid of gevangenschap, - waar ook ter wereld’. Ik citeer de eerste en de laatste strofe:
Op mijn tafel, op de muren,
in het stof dat op de kast ligt,
op de heenglijdende uren,
op de glans van een gezicht,schrijf ik groot, reusachtig groot,
als een strijdkreet, als een bede,
wenkend, vlammend, bloeiend rood,
het eenvoudig woordje: VREDE !
Variaties op een gegeven thema verscheen in 1956 en telt 12 gedichten, waaronder een ingekorte versie van het voornoemde Vrede, nu onder de titel Eluard achterna. Het bundeltje is voorzien van een aanbeveling van Willem Elsschot, een flamingant met communistische sympathieën: ‘Lees “Eluard achterna” en het zal tot u doordringen dat Marc Braet, als de aartsengel Michaël, bereid is het zwaard te hanteren en alles te offeren in dienst van broederliefde en vrede’.
Verder staat er maar één ‘gevechtvers’ in – de term is van Mark zelf – namelijk het bekend geworden:
Vergeet dan
wie het kan:de kampen en de doden,
de beulen en de haat,
de martelgang der Joden,
de klopjacht in de straat.
De moeders zonder zonen,
de vrouwen zonder man.Vergeet dan
wie het kan!
We vinden er ook – voor het eerst – een rijmloos gedicht, maar de bundel besluit met een specimen van de poëzie die hem populair heeft gemaakt:
De haven uitgevaren,
de vlaggen in de wind;
zijn eigen vaart verklaren
en blij zijn als een kind.Wie zou er willen landen
of schreien droef en zacht?
De zon staat in mijn handen
naast het geluk op wacht.
In de beeldvorming is hier duidelijk de invloed van de Vijftigers te merken. We denken aan de beroemde regel van Simon Vinkenoog: ‘Ik sta aan het eind van mijn armen / te zingen…’
Dit gedicht lijkt tevens, inhoudelijk althans, een prelude op Liefde mijn huis die verscheen in 1957. De teneur is hier buitengewoon positief, optimistisch. ‘Verdriet’, schrijft hij, ‘je gelaat wordt me vreemd, / een huis zonder ramen ( ) Je gelaat is me vreemd, / een landschap met kraters.’
Formeel is de bundel hybride. De dichter kan het kruisrijmen niet laten, maar onder invloed van de experimentelen worden vrije verzen geschreven en ontstaan surrealistische beelden als: ‘de weiden zijn flessen vol zon’, ‘de dansende bomen en het lachend / gelaat van het water’.
Ook de invloed van Hans Lodeizen, een ‘voorloper’ van de Vijftigers, gestorven in 1950, doet zich gelden. Er is ook een gedicht aan hem opgedragen.
Maar nog altijd is de ‘rode vlag van ons leven’ aanwezig. Rood is trouwens het meest gebruikte kleurwoord in Braets poëzie.
Ook in Alles 1 wereld (1962) blijft er poëticaal spanning tussen vrede en vrijheid. Geluk komt niet meer ter sprake, wel Auschwitz, Hiroshima, de shoah – ‘er rijdt een trein met Joden door uw droom’, - en er is de ballade de Algerijnse jongen, een gedicht dat hij in die jaren vaak heeft voorgelezen.
En er is ook het Spanje van Franco – waar hij overigens graag zijn vakanties doorbracht. Want, nietwaar, alles is één wereld – de zon en het kwaad. Toch, ook hier in deze boeiende bundel vol met wat wij humanitaire poëzie zouden kunnen noemen, zegt hij: ‘De wanhoop heeft geen waarde, / ‘k weet het ik zeg het, / zij heeft ongelijk.’
Afscheid nemen is opnemen beginnen leven’ schreef Mark in zijn exemplaar van de in 1965 verschenen bundel afscheid nemen.
Naast ‘elf vroegere gedichten’, overgenomen uit eerdere bundels, vinden we hier enkele langere, soms compacte gedichten met lange, rijmloze regels. Liefde en het menselijk tekort zijn hier de thema’s, maar ook de taal en het dichten zelf. De openingsverzen ‘woorden werden vreemde verblijfplaats / om in te wonen’ roepen direct Slauerhoffs bekende regel ‘alleen in mijn gedichten kan ik wonen’ op. In ‘altijd for ever’ stelt hij: ‘men moet van de taal het geluid hernieuwen / de echo vertragen vertragen de vraag het antwoord / men moet de letters meester laten’ … En op een andere plaats: ‘nu ik geen handen meer heb / hoe zou ik kunnen spreken’.
Onder de titel Van de vuurrode bloem stelde hij in 1980 zelf een bloemlezing samen uit zijn eigen werk en in hetzelfde jaar verscheen ook Liefde het meervoudig woord met nieuw werk. Een motto is ontleend aan Berteld Brecht ‘Ich will mich um besser verstanden zu werden, lieber etwas undeutlich ausdrücken’.
Inderdaad drukt de dichter zich hier soms minder eenduidig uit; hij schrijft, Lucebert parafraserend, ‘ik (ren) wanhopig taal achterna / maar waar kan ik verder gaan’. Maar ook het motief van ‘de maakbare mens’, de woede en het geluksverlangen blijven aanwezig:
Als een korf vol bijen gonst de wereld,
veranderingen voltrekken zich wetmatig.
De woedende mens is een architect geworden
die een nieuwe kartering maakt,
geluk en vrede aan de dagorde stelt.
Ik ben bedroefd maar niet wanhopig, uit 1992 is weer een anthologie uit eigen werk. Het kon vroeger natuurlijk ook al, maar de computer heeft het gemakkelijk gemaakt. In deze bundel zijn alle gedichten netjes gecentreerd. Op enkele inleidende verzen na beginnen alle strofen van de volgende gedichten met een woord in kapitalen.
Eén der eerste gedichten begint als volgt:
van kleine woorden
vingers als kreupel hout
breekbaar en angstig
met honderdduizend woorden
maar ik ben ze vergeten
een vlakte van liefde
Het is duidelijk waarover het hier weer gaat: over de liefde en over het woord – macht en onmacht van het woord. De eerste regels van het eerste gedicht luiden: ‘De dichter schrijft / met zijn vingers op het water’. Dat duidt natuurlijk op de vergankelijkheid van het geschrevene.
Maar uit het vervolgt blijkt dat hij de dichter ziet als een tovenaar, als een schepper, als een God die zegt: ‘Er zij licht’ en er is licht. ‘Bij machte is hij / (de dichter dus) de dag te doen opstaan / te kleuren naar wens en begeerte’.
Maar:
dat het hart beroert
Hij kan een stamp geven
tegen het vermolmde wrakhout
dat het onrecht recht houdt
dat de dingen bij naam niet durft noemen
En een lied zingen dat het hart beroert, dat kon Mark Braet, dat kon hij als geen ander.
En dan is er de laatste strofe waarin hij de zijns inziens voornaamste opdracht van de dichter beschrijft:
tot het omhelzen van een mens
maan kind bloem gedicht zon
Dit is niet alleen een zeer mooi gedicht, het is ook een geloofsbelijdenis, in zekere zin een testament. Het gedicht eindigt met het woord ‘Misschien’ en dat relativeert weer de almacht van de dichter.
Dat poëzie werken met woorden is, dat de dichter met en van woorden leeft, dat wordt wel duidelijk.
Om slechts enkele beelden aan te halen: ‘Huis uitgegaan / beginpunt van wegen / met woorden betast / in de regen gestaan’; ‘Gooi / de verf van woorden / tegen de slapende muur / een winter van zwart’; ‘papieren woorden’; ‘woorden vervagen / samen met het parfum van de herinnering’.
Zoals ik al zei, werkt Braet zelden met begrippen als volk, vaderland, maatschappij. Hij gebruikt een ander register: liefde, vrede, verdriet, tederheid.
Er is in zijn poëzie veel strijd, maar vooral veel hoop, hoop op vrede, op liefde, op universele broederschap.
‘Ach morgen, mijn morgen’, schrijft hij in Liefde mijn huis, ‘jij zult bestaan / altijd even hoopvol en bereid om te leven.’
Alleen legenden leven voort.
In een ingetogen stemming heb ik dit relaas over Mark Braet gelezen. Spijtig dat in de vele teksten en publicaties zelden diep wordt ingegaan op zijn werk, zijn broodwinning tenslotte, voor de vriendschapsvereniging België - USSR. Voor mij was Mark Braet niet alleen een goede vriend, maar ook mijn mentor en mijn voorganger als nationaal secretaris van de VBU. Iemand die voor een deel mijn leven heeft veranderd en bepaald. Een fijn mens, een goede kameraad en een bepalende mentor. Het deed deugd over hem te lezen, spijtig dat ik er op 1 juli niet bij was.
Geplaatst door: Johan Ghyselen | 13 juli 2008 om 19:21