Iemand van wie je het leuk zou vinden als hij op je feestje kwam - I.M. Adriaan Jaeggi
- door F. Starik
Op 27 december van het afgelopen jaar verzorgde Adriaan Jaeggi zijn laatste eenzame uitvaart in zijn rol als stadsdichter van Amsterdam. Het volledige verslag en het gedicht dat hij voor eenzame dode nummer 85 maakte vindt u in de bundel Het is hier altijd laat van licht. Die uitvaart is me bijgebleven, omdat Adriaan in zijn gedicht refereert aan de vermoeidheid die zich de laatste tijd van hem meester had gemaakt: het jaar is moe en wij ook. Een paar weken later ging hij toch maar eens naar een dokter, met zijn klacht. Had hij dat maar nooit gedaan. Het werd snel duidelijk dat kanker bezit van zijn lichaam had genomen. In de maanden die daarop volgden, werden de prognoses telkens slechter, vrat de kanker hem in een verbijsterend tempo leeg. Vandaag, maandag 16 juni 2008, wordt Adriaan Jaeggi zelf ten laatste weggebracht, door zijn vrouw, zijn twee kinderen, een lange, lange stoet vrienden en bewonderaars.
In het verslag dat ik van die uitvaart maakte ondernam ik een poging te beschrijven wat voor een man die Jaeggi nu eigenlijk was: ik heb daar de laatste dagen veel aan gedacht. Hij was iemand waar je graag dicht bij gaat staan: ik vind dat een neiging die je als volwassen man moet onderdrukken, wat niet altijd helemaal lukte. Misschien kwam het door zijn lengte, riep zijn gestalte kinderlijke gevoelens bij me op, het verlangen gekoesterd te worden, als door een vader, een grote, warme vader.
Woensdagmiddag stond ik met de twee kleine mannen Jasper Henderson en Alfred Schaffer in de kamer waar die grote man nu onbewegelijk lag en besefte dat zoiets bij kleine mannen juist andersom werkt: dan word je ineens zelf de vader, die een troostende, sterke arm om de kleine man wil slaan. Ik heb dit altijd als een wonderlijke sensatie ervaren: de nabijheid van mensen die zo duidelijk thuis in hun eigen lichaam zijn, daarmee min of meer samenvallen. Jaeggi droeg altijd een uitstekend humeur, een onverwoestbaar optimisme met zich mee. Wie Adriaan ontmoette, kreeg er op slag ook zelf weer geweldig zin in. Iemand waar je blij van wordt.
Bij die laatste eenzame uitvaart die Adriaan verrichtte verwonderde ik me over een kleine opeenvolging van gebaren, waarvan ik vermoedde dat die opzettelijk zo werden uitgevoerd – Adriaan verzekerde me later, dat die handelingen volstrekt onbewust zo geschiedden.
‘Dan stapt Jaeggi naar voren. Voor hij begint te spreken, strijkt hij aarzelend met zijn hand over zijn wang, alsof hij er nu pas aan denkt, dat hij zich al dagen niet geschoren heeft. Hij kucht. Vangt dan bijna aarzelend zijn lezing aan.
Dede Oso
Wie zal je wassen? Wie zal er zingen?
Wie zal foto’s omdraaien, spiegels naar de wand keren?
Wie zal kinderen die nog niet praten
over je heen tillen, en fluisterend je geest bezweren?Het groot bazuinkoor is niet verschenen,
er komt geen dinari en geen singiman.
Niemand komt je nieuwe huis bekleden.
Wij staan buiten en kijken door het oude raam.(…)
Dag trucker, dag Amsterdamse Surinamer.
Het zal hier wel snel worden opgeruimd.
Het jaar is moe en wij ook, maar voor wij je vergeten
besteden wij dagenlang geen aandacht aan ons uiterlijk.
(© Adriaan Jaeggi, Amsterdam, 24 december 2007)
De dichter van dienst vouwt het papier na lezing in de lengte dubbel en legt het op de kist. Blijft een moment als in weemoedige berusting staan, geeft meneer Hoevelaken een laatste overpeinzing mee, beent dan gedecideerd terug in het smalle bankje waarin wij ongemakkelijk moeten zitten, leunt naar voren, als om niets van het schouwspel te missen, zwijgt. Adriaan Jaeggi is een man die onmiskenbaar iets gezelligs heeft, een hartelijke, open, goedlachse man, iemand die ondertussen toch altijd scherp oplet, iemand die goed luisteren kan, mensen graag vragen stelt, iemand bij wie men zich gemakkelijk op zijn gemak voelt, iemand die de kunst van het goede humeur verstaat. Iemand van wie je het leuk zou vinden als hij op je feestje kwam. Schrijft veel voor damesbladen, het betere damesblad, hij is heel geschikt voor de doelgroep, het prototype van de leuke man. Iemand die ermee wegkomt dat hij in zijn gedicht zegt: ‘dag trucker, dag Amsterdamse Surinamer,’ bij wie die woorden er naturel, warm, oprecht, gemeend uitkomen. Hier is iemand echt dag komen zeggen.
Het kleine gebaar vooraf, het strijken over de baard, als om de aandacht op de wangen te vestigen: ‘het jaar is moe en wij ook, maar voor we je vergeten, besteden we dagenlang geen aandacht aan ons uiterlijk.’ Alsof hij zich gedurende de vijf dagen die er verstreken tussen de melding van de uitvaart en de uitvaart zelve doelbewust niet geschoren heeft. Sterk. Een gebaar dat in de vertraging zijn kwaliteit krijgt. Toen hij peinzend zijn hand over zijn wang streek, hadden wij het gedicht nog niet gehoord. Er zit in komische relatiedrama’s dikwijls een scène waarbij de twee verliefden elkaar moeten nadoen, kleine dingen, altijd beginnend met een paar slokken water, veel handigheidjes later eindigend met het straaltje dat één beider al die tijd in de mond heeft bewaard, tot het warm en kleverig is geworden, dat krijgt de ander dan in de schoot geworpen. De ander, die de slokjes water allang weer vergeten was, meteen had doorgeslikt.’
En verderop, wanneer de kist is weggebracht:
‘Jaeggi vertelt over zijn afscheidstournee als stadsdichter. Hij zal in het kader daarvan bij een paar gewone Amsterdammers op bezoek gaan. Hij zal zelfs een verjaardag bezoeken. ‘Een verjaardag?’, steun ik, ‘neem je dan een cadeautje mee?’ Maar nee, de dichter is zelf het cadeautje. ‘En ga je daar dan ook een taartje eten? Met een vorkje op een driezitsbank, tussen twee lijvige personages ingeklemd, het schoteltje op de knieën?’ Dat gaat hij allemaal doen. Hij kan dat. Even later fietst het geschenk op zijn rijwiel dat opnieuw niet is gestolen (Jaeggi hield er de merkwaardige opvatting op na dat je een fiets niet op slot hoeft te doen wanneer je die op een begraafplaats neerzet) het terrein af, vol vertrouwen, een dikke groene das om zijn nek geknoopt, terug zijn leven in, naar huis, om zich te scheren. Onwillekeurig betast ik de smalle das die ik eenmaal om de jas heb gewikkeld, opdat de kraag zich recht houdt, tegen de tocht in de nek. De volgende dag zal ik op zijn weblog lezen: ‘Mannen knopen hun sjaals. Vrouwen wikkelen.’
Dat bedoel ik: een mensenman, waaraan ook mijn koude hart zich graag warmde. Op zoek naar het bestandje waaruit deze fragmenten afkomstig zijn, zag ik, dat we elkaar in de afgelopen jaren honderden mails stuurden: heel veel grapjes: ‘steeds als ik Frank zeg moet ik eraan denken dat ik je ooit in een dronken vlaag Frans noemde; en dan zie ik je verbijsterde gezicht weer voor me’, over muziek, gedichten, dichters, de liefde: Adriaan was een liefhebber, en dat maakt het zo onvoorstelbaar, dat die grote bron waarvan je dacht dat die nooit leeg zou raken, dat die bron zo snel is uitgedroogd.
wat een mooi stukje over adriaan, dank je wel
ook ik werd vrolijk van hem, blij met iedere reaktie die ik van hem kreeg
op mijn log zie je mijn in memoriam, herinneringen aan zijn warmte
met vriendelijke groet,
Geplaatst door: alja spaan | 16 juni 2008 om 21:17