« Eva Cox trekt bundel terug | Hoofdmenu | Herman Gorter – Zie je ik hou van je »

4 gedichten + een prozafragment van L.Th. Lehmann

Laden ledigenTitel: Laden ledigen
Auteur: L.Th. Lehmann
Uitgever: De Bezige Bij
ISBN: 978 90 234 27742
Prijs: € 24,90


Op 15 mei verschijnt Laden ledigen van L.Th Lehmann, een 'keuze uit hervonden werk'. Het boek bevat jeugdherinneringen, gedichten, beschouwingen, columns, muziek- en toneelstukken en vertalingen.
Hieronder kunt u alvast 4 gedichten en een prozafragment uit Laden ledigen lezen.


Ik was enig kind, geboren in Rotterdam, 1920. Er waren volwassenen die de drang voelden dat enige kind eens mores te leren.
Het blok huizen aan de Gerrit Jan Mulderstraat liep tot aan de Davidstraat. Het eerste huis, dat een gevel aan de Davidstraat had, had alleen maar een benedenverdieping, met een plat daarop ter hoogte van de vloer van de eerste verdieping. Het tweede huis had weer dezelfde hoogte als de omgevende huizen. Achter dat plat was de blinde zijmuur van de rij huizen van de Davidstraat. Wat er onder het plat was herinner ik me niet, hoewel ik er vaak langs gelopen ben toen ik naar school ging. Het was daar eenvoudig straat.
Als je vanuit de ramen van ‘onze’ achterkamer naar links keek zag je het plat, vaak met volwassenen erop. Ik herinner me twee mannen van wie ik nu zou weten dat ze jong waren en schertsboksten. Ze lachten veel. Ja, dat lachen. Grote mensen lachten erg veel, behalve mijn moeder, natuurlijk. Dit begrijpt de lezer niet, maar wees verzekerd dat zij een somberaarster was. Rechts van de blinde muur was een net van bovenkanten van heiningen waarover katten liepen; als ik een kat van dichtbij zag, zei ik: ‘liefie, hè’. Ik weet niet wanneer ik voor het eerst met een kat in fysiek contact kwam. Ik heb een vage herinnering aan, tot mijn verbazing, gekrabd te worden door een kat in een winkel, waar een oliekachel stond.
Mijn voornaamste speelgoed was voor mij een bijna levensgrote vilten speelgoedkat op houten wieltjes, geheten Miepie. Ik droeg hem altijd mee als dat mocht en dat was vaak, in mijn herinnering. Als ik hem thuisliet, zette ik hem voor het raam aan de straatkant, zodat hij uit kon kijken. Zodra ik op straat was, keek ik naar hem op. Wij woonden op de eerste verdieping.
Ik geloof wel dat wat voorafging aanduidt dat Miepie voor mij belangrijker was dan enig menselijk wezen dat binnen mijn gezichtskring kwam. Mensen die ik voor mijn zesde jaar, toen ik naar school ging, geregeld zag waren: mijn moeder, de wekelijkse werkster, Agatha Hogendijk, aangesproken als Daatje, mijn moeders moeder en haar twee andere dochters, tante Dina en tante Co, en de onafscheidelijke vriendin van tante Dina, bekend als tante Corrie. De grootvader die daarbij hoorde werd wel gezien door mij, maar hij was een enigszins dreigende schim. Elke week kwam Daatje. Mijn moeder had een bundel ‘kinderliedjes’, waarvan mij één geheel duister bleef: ‘De duivel rijdt op zijn blaaspijp uit’. Ik geloof dat deze dingen geschreven en gecomponeerd waren door Catharina van Rennes. Er was ook een liedje bij over een snoepwinkel, dat begon: ‘In de donkere straat, waar het belletje gaat’. Ons huis in de Gerrit Jan Mulderstraat had drie kamers ‘en suite’. De middelste had schuifdeuren aan beide kanten. Daar stond een breed bed en daaronder kroop Daatje om schoon te maken en achter haar kroop ik. Ik noemde die omgeving: de donkere straat waar het belletje gaat.

Uit: Fragmenten jeugd


Ik schrijf een brief aan la princesse lointaine.
Dus iets van mij komt zeker in haar hand.
Een aethergolf tokkelde mijn antenne,
ik hoor het liefst de dancebands uit haar land.

Je kunt ook zonder mij ’t terrein verkennen
waar golven pluimbalspelen op het strand.
Je kunt met geen brief me zo hard verwennen
dat ik bij mijn herinnering aanland.
Je staat nu in mijn hemelsbreed verlangen.

Uit: Gedichten (1945 - 1950)


Sahel, sa hel, ss hel, Shell,
you name it, they have got it.
De boer hij plantte voort, opdat hij oud
steun had, die kreeg hij niet, maar hij stierf wel.

De nood werd eens een deugd en deugd werd nood.
De rowdy die graag slaat op Jood en kraker.
En dan de ordelijke lijkenmaker.
En hij die geld ziet in leven en dood.
De niet-begrijper die bij alles helpt
en schrikt als hem een dood kind wordt vertoond.
Maar d’ouders daarvan lustig verder doodt.

Uit: Gedichten (1968 - 1973)


Canto I

Toen murpten de grebbels van Ochteli-Bla
en zwaatsten de rornels van Oe,
de nummelpruk gradzelde altijd nog na
in Torrenom achter de Snoe.
Ook kweptelden olgig de neggels in Fuit
en liepen de gromboks te hoop.
Een morgmodde sloopte twee bakstenen uit
de Murgelse bioscoop.
Zo empten de nochels van Peizeli-Krucht
en kechten de jaaspels van Woof.
Een eenzame Ompt op zijn nacht’lijke vlucht
dacht: is ’t feest hier of catastroof?
De renhoeken wisselden sneller van vorm.
Dat was ’t werk van de wuffels van Snaap,
en grillig als een bosrand bij storm
stroomde ’t licht uit de gammele graap.
Alleen, in een zolderkamer in Strool,
dacht Striddel: zou ’t mogelijk wezen
het verhaal Gubbert van Ogtermool
en zijn dochter Jentette te lezen?
Haar dissertatie is enkel te zien
in de bibliotheek in Bruuljaar,
over ’t recht van bol en beer, dat misschien
nog vigeert bij de groddels aldaar.

Canto II

Drie huizen stonden daar ergens in
’n gelijkzijdige driehoek bijeen:
Schompe. Ogtermool. Droenis. Een zin
werd daarin gezocht door menigeen.

Uit: Gedichten na 2000

Reacties

Laat een reactie achter

Feeds

  • klik hier voor het allerlaatste (literatuur-)nieuws


    > Meer feeds...

Zoeken

  •  

Laatste reacties

Colofon

Advertenties