« Interview met Rodaan Al Galidi | Hoofdmenu | Poëzie in Carré, 1966 »

Knelpunten vrij voor alle donkerblauwe Audi’s - Starik luistert naar Rita Verdonk

- door F. Starik

‘Dames en heren!’ Effectvolle pauze. ‘Dames en heren. Goeienavond allemaal. Heerlijk! Wat heerlijk dat u zo massaal gekomen bent. Zoveel mensen die samen met mij trots willen zijn op Nederland. Dank u. Fantastisch!’ Rita Verdonk spreekt het volk toe. Ze heeft er drie kwartier voor uitgetrokken. Ze heeft er heel lang op geoefend. Dat kun je zien.

Verdonk spreekt het volk toe als was zij een dichter, alsof haar tekst een gedicht betrof. Ze spreekt in korte, afgemeten zinnen. Herhaalt waar nodig een zinsnede, bouwt op, bouwt uit, neemt de tijd. Ze spreekt extreem langzaam, haar bewegingen, minimaal en afgemeten, lijken met een zekere vertraging te worden uitgevoerd. Dames en heren. Iedere nieuwe strofe wordt met die zinsnede aangekondigd. Er mag geen twijfel over bestaan dat ze tot ons spreekt, dat haar woorden voor ons bedoeld zijn. Ze spreekt niet voor zichzelf. Ze doet het voor ons.

Ze spreekt ons toe van achter een voor ons nauwelijks zichtbare autocue, een doorzichtige glazen plaat, waarop, voor ons onzichtbaar, de teksten oplichten die moeten klinken alsof die spontaan, à l’improviste, in haar opwellen. Haar betoog wil een doorleefde indruk wekken, alsof het vanuit een innerlijke drang is ontstaan.

Er wordt in brede streken een hele wereld voor ons neergezet. Over hoe we in dit land met elkaar omgaan. Hoe jammer het is dat sommige mensen niet leuk meedoen. Die lui krijgen sowieso te veel aandacht. Het gaat hier om de mensen die wel leuk meedoen. Die moeten de ruimte krijgen. Die staan maar in de file, terwijl overal in het land slavernijmonumenten verrijzen, vanwege een of ander schuldgevoel, dat zij ons willen aanpraten. Zij. Sommige linkse intellectuelen.

Ze zegt dat ze er zin in heeft, dan volgt er een gekunsteld lachje. Je kunt aan alles zien dat deze vrouw uit zichzelf niet graag lacht: de bittere mond, die in een smalle streep naar beneden wijst, de donkere, onzekere ogen, de altijd gespannen frons. Dat lachen maakt het erger. Van binnen kookt ze: daar kolkt het ongemak, een intens onzekere, boze vrouw, die vindt dat ze nog lang niet serieus genomen wordt, nog lang niet genoeg. Ze moet heel wat overwinnen. Ze moet zich harnassen. Ze trekt over die bittere mond een felrode streep, die het allemaal nog erger maakt. Haar mantelpak is even rood. Zelfs de krukken die ze draagt zijn in dezelfde kleur gekozen. Ze houdt van oranje, zegt ze.

‘Wat mij drijft, zijn al die mensen, die weer trots willen zijn. Trots op hun land. Mensen die willen bouwen aan een betere toekomst, voor onszelf, voor onze kinderen, voor onze kleinkinderen. Dames en heren. Vandaag is een belangrijke dag. Een belangrijke dag voor Nederland, voor de beweging en voor mij. Vandaag is een nieuw begin, van een andere politiek, van een nieuwe beweging, van een beter Nederland.’ Zegt ze.

Ze hunkert naar een nieuw zelf. Dat nieuwe zelf ontleent ze aan u, dames en heren. U bent het, die haar optillen moet, u moet de oplossingen aandragen van die vage, onbenoembare ontevredenheid, vanuit uw eigen, vage, onbenoembare ontevredenheid, vanuit de onvervuldheid van uw bestaan. Dat is de schuld van die linkse intellectuelen, met hun weg-met-ons-mentaliteit. Wij willen niet meer weg met ons.

Wij willen vooraan staan. Wij zijn de mensen die dagelijks in de file staan om een eerlijke boterham te verdienen. En die eerlijke boterham van ons wordt door de negers opgegeten, door buitenlanders, door linkse intellectuelen, die de boterham al op hebben nog voor wij er zelf maar een hap van genomen hebben.

‘Te veel mensen zijn hun trots kwijtgeraakt. En veel mensen maken zich ook zorgen over onze cultuur. Onze cultuur is ontstaan uit een jarenlange strijd. De strijd van onze voorouders, trouwe burgers van Nederland, onze vaders, onze grootvaders, onze over-over-over-grootvaders, die soms hun leven hebben gegeven voor onze vrijheid. Onze vrijheid, dames en heren. Onze vrijheid om, wanneer we de hele week in de file hebben gestaan, op zondag eens lekker te gaan winkelen. Die cultuur, dames en heren, onze eigenheden, daar zijn we trots op.’

Rita Verdonk Ze zegt dat ze blij is, dames en heren, mevrouw Verdonk is blij. Blij dat we vrij zijn. Vrij van buitenlandse overheersing. Ze pauzeert, kijkt de zaal verwachtingsvol aan. Massaal gejoel. Goed zo. Buitenlandse overheersing. Open doekje. We moeten vechten. Vechten voor onze vrijheden. Leven is een strijd. Ze schroeft zich op. Want onze vrijheden worden bedreigd. Wij worden bedreigd. Door buitenlandse overheersing. Van binnenuit. Onze vrijheden als daar zijn: winkelen op zondag. Dat Sinterklaas ineens niet meer goed is. Laten we ons dat afnemen? Ze spreidt haar armen, om het opstijgend gejoel in ontvangst te nemen. En pakt daaroverheen met een ferm: ‘Dan zeg ik: waar zijn we toch mee bezig in dit land!’

Nu klinkt ze verontwaardigd. Dat is een rol die haar beter past. De stem, die tot nog toe in een onnatuurlijk laag register heeft geklonken, alsof die stem extra warm moest klinken, gaat zowat een octaaf omhoog. Nu wordt ze ineens echt, dat doet ze eigenlijk het liefst, het spottend-beledigde toontje, die is haar eigen, daarin voelt ze zich thuis. Die Sinterklaas. Ze vindt het zelf een geweldige vondst, een metafoor. Dat is het detail dat de grotere werkelijkheid zichtbaar maakt.

Ze leeft er van op. Maar de media-adviseurs hebben haar afgeraden teveel de kwade kaart te spelen. Ze moet positiviteit uitstralen. Dus zegt ze, dames en heren, dat ze trots is, trots op Nederland. Ze is trots op Sinterklaas. Op Sinterklaas ja. Die willen ze ons afnemen. Ze plempen het hele land vol met slavernijmonumenten. Ze willen het winkelen op zondag verbieden. Daar krijgen ze nog subsidie voor ook. Van onze centen! En wanneer moeten wij die cadeaus dan allemaal kopen? Als we de ontwikkelingshulp afschaffen, zouden we geld zat hebben om cadeautjes te kopen voor de nette mensen, die gewoon overdag in de file staan.

Ze spreidt haar armen weer, kijkt omhoog, als om God’s hulp aan te zoeken ter verklaring van deze gruwelijke misstanden. Daarbij spreidt ze haar vingers – per ongeluk?- in het beruchte duivelsteken, dat alle grote machthebbers in toespraken hebben tentoongespreid: de wijsvinger en de pink geheven, de andere vingers in de hand gevouwen. Toen ik op de Rijksacademie studeerde, was er een Duitse studente die talloze tycoons en presidenten terwijl ze dat handgebaar maakten had gefotografeerd. Ze wist heel zeker dat ze hiermee aangaven dat ze van de Maffia zijn, of lid van Opus Dei, het geheime genootschap dat stiekem de wereld regeert, en dat ons via dat handgebaar wil laten weten. Ik geloofde haar toen niet. Maar nu zie ik het gebeuren.

Ze wil dat de echte problemen echt worden opgelost. Er zijn acht echte problemen, in ons land. Ze noemt ze allemaal op. Oplossingen heeft ze niet, die moeten wij zelf maar bedenken, daar is iets met een website voor, wiki noemt ze dat, en daarmee bedoelt ze niet dat we massaal op Wikipedia naar oplossingen moeten gaan zoeken, nee, dat bedoelt ze niet, dit is iets nieuws waar ze overduidelijk zelf niets van snapt, dat moeten we allemaal zelf maar op die website gaan bekijken.

Het is natuurlijk gemakkelijk afzeiken, dames en heren, deze politica die vier jaar minister was en nog altijd vindt dat ze geen deel uitmaakt van ‘het Haagse circuit.’ Een politica die ik persoonlijk niet ken. Het mag duidelijk zijn, dat ik dit geen enorm aantrekkelijke vrouw vind, er is maar weinig behoefte bij haar in de smaak te vallen, en het valt gemakkelijk bij in het koor der cynici die menen dat mevrouw Verdonk niet erg over de problemen heeft nagedacht of zelfs maar over de mogelijkheden beschikt om over de problemen na te denken.

Mevrouw, als ik denk in de lijn van uw kleine gedachten, maak ik u thans graag deelgenoot van de eerste oplossing voor een van de problemen die u schetst. Ten eerste, dames en heren, is daar het fileprobleem. We staan met zijn allen vast op de weg en de kosten en de lasten daarvan worden eenzijdig afgewenteld op de hardwerkende, goedwillende mensen van dit land die dagelijks stilstaan, neuspeuteren, radioluisteren, mobielbellen en het daarbij eigenlijk geweldig naar hun zin hebben, maar daar gaat het nu niet om. Misschien zou het een goed plan zijn om eens een wc-tje in de auto te bouwen. Staat wel zo rustig stil.

In uw jaloerse wereldbeeld, dames en heren, moeten we uitsluiten dat iemand anders het beter naar zijn zin heeft dan u nu. Als uw buurman al thuis is terwijl u nog op de snelweg wacht is dat onrecht, u aangedaan. Oplossingen willen we zien. Dus. Voortaan gaan de directeuren eerst. Die mogen tussen vijf en half zes ’s ochtends vertrekken: donkerblauwe Audi’s vanaf type A6, met chauffeur, dan weten wij zeker dat de baas eerder op zijn werk is dan wij aankomen, zo kan hij zien, dat wij op tijd zijn. Hij verdient meer en moet dus ook harder werken.

Vanaf half zes geven wij de knelpunten vrij voor alle donkerblauwe Audi’s met een leaseprijs tussen drie en zeshonderd euro, het uitvoerend personeel dat zelf moet sturen, want dat is onze kernvoorraad. Ruim baan voor de kernvoorraad van ons electoraat. Dit voorrecht geldt tot bij tienen, dan moeten we allemaal aan het werk zijn, ja. Daarna pas komen de rotautootjes tevoorschijn, daar hebben wij dan niks meer mee te maken, het gaat immers om ons. Wij komen voortaan op tijd.

Tussen tien en twee mogen de bejaarden rijden. Net als de buitenlanders. Al die vreemdelingen in hun goedkope rotauto. Bij drieën moet de weg weer leeg, voor ons. Dan mogen wij weer, terug naar huis. Dit is eenvoudig te controleren. Als je voortaan in de spitsuren rond wil rijden lease je maar een donkerblauwe Audi. Dat is één, dames en heren. Als wij om zes uur allemaal aan de maaltijd zitten, mag de directeur naar huis. Om acht uur is de weg dan leeg.

Punt twee is natuurlijk Sinterklaas. Of preciezer: Zwarte Piet. Als we nu eens tegenover ieder slavernijmonument een Zwarte Piet monument plaatsen. Dan is het Sinterklaasfeest onuitwisbaar in onze openbare ruimte verankerd. Daar gaat een geweldig opvoedende werking van uit. Een monument voor Zwarte Piet, het nederige hulpje van Sinterklaas, het bewijs dat ook negers van nut kunnen zijn, leuk en ijverig met ons mee kunnen doen, en de negers er bovendien op wijst, dat men de keuze heeft: leuk meedoen of eindigen als slaaf.

Reacties

Laat een reactie achter

Feeds

  • klik hier voor het allerlaatste (literatuur-)nieuws


    > Meer feeds...

Zoeken

  •  

Laatste reacties

Colofon

Advertenties