Inleiding bij 'Waarop de klok ontwaakt!' van Kurt De Boodt
Op 20 februari jl. werd in Mechelen de vierde bundel - Waarop de klok ontwaakt! - van Kurt De Boodt gepresenteerd. Bij die gelegenheid sprak Hans Groenewegen een inleiding uit, die u nu hieronder kunt lezen.
- door Hans Groenewegen
Goedenavond dames en heren, de komende twintig minuten zal ik u iets vertellen over mijn ervaringen met de dichter Kurt De Boodt. Ik heb op dat punt een voorsprong op de meesten van u. Want ik ken hem niet. Ik ontmoet hem vanavond voor het eerst. Straks na afloop van deze presentatie schud ik hem de hand, stel me aan hem voor en hef het glas op zijn nieuwe bundel Waarop de klok ontwaakt! Omdat ik Kurt De Boodt niet persoonlijk ken, valt het me makkelijker om iets te zeggen over de dichter zoals hij zich nu in vier bundels manifesteert.
Zoals u weet publiceerde De Boodt voor Waarop de klok ontwaakt! drie andere bundels. In 2000 debuteerde hij met En alles staat stil, in 2002 volgde Moules Belges, en in 2004 Anselmus. Ik maakte voor het eerste kennis met het werk van De Boodt toen ik vorig jaar als freelance poëzieredacteur van de Wereldbibliotheek het manuscript van Waarop de klok ontwaakt! onder ogen kreeg. De bundel verraste me aangenaam. De gedichten sproedelen en spetteren. Ze deinen en stokken. De dichter heeft zich laten aanraken door belangrijke avantgardistische stromingen van het begin van de vorige eeuw: futurisme en dada. Hij wil zijn omgeving in beweging brengen door bij het schrijven zelf ontvankelijk te zijn voor de bewegingen en de bewegingsmogelijkheden van onze taal. Daarbij is de bundel meer dan een verzameling losse gedichten. Dat spreekt me aan. Wat mij betreft is niet alleen een afzonderlijk gedicht een kunstwerk, een bundel is dat ook. Zelfs een verzameling van allemaal geslaagde verzen hoeft nog geen geslaagde dichtbundel te zijn. Waarop de klok ontwaakt! is een van die dichtbundels met een extra waarde omdat Kurt De Boodt niet alleen oog heeft voor de compositie van afzonderlijke gedichten. Hij heeft ook oog voor de compositie van het geheel van de bundel.
Wat er is, heeft altijd een voorgeschiedenis. Wat we doen is meestal een voortzetting van wat we deden. Wat we begin noemen is meestal geen breuk maar een continuïteit met een andere naam. Een voorgeschiedenis geeft reliëf aan de uitkomst. Omdat deze uitkomst, deze bundel me intrigeerde, raakte ik geïnteresseerd in de voorgeschiedenis. Ik wilde weten hoe de dichter De Boodt naar deze prachtige bundel heeft toegewerkt. Ik werd opnieuw verrast. Ik had een verworteling verwacht in het Vlaams postmodernisme - dat vanwege De Boodts liefde voor de avant garde in combinatie met de tijd waarin hij debuteerde. Toen ik zijn debuut ter hand nam, kwam ik echter in een heel àndere wereld terecht. Die wereld deed me eerder Noordnederlands aan, Namen als die van J. Bernlef en Hans Tentije schoten me te binnen.
In de voorgeschiedenis van Waarop de klok ontwaakt! bleek wel degelijk een breuk te zijn voltrokken. Ik noem enkele aspecten van die breuk, ik duid enkele verschuivingen aan in werkwijzen en aandachtspunten van de dichter Kurt De Boodt.
Ik hoef alleen maar de titels naast elkaar te zetten van het debuut en van de bundel wier geboorte we vanavond vieren, om u een indicatie te geven.
En alles staat stil
Waarop de klok ontwaakt!
Het contrast wordt nog duidelijker als we ons de omslagen voor ogen stellen. Het debuut is kalm grijs gekartonneerd met een witlinnen rug: beeldloze stilstand verbeeldend. Op de vierde bundel prijkt een afbeelding van een kunstmatige mensfiguur van El Lissitzky: een constructie van één brok dynamiek en beweging, voorwaarts. Die afbeelding van Lissitzky verraadt nog steeds de andere professie
van De Boodt, die van de kunsthistoricus, maar wat een ander plaatje is dit dan de plaatjes waaromheen En alles staat stil is geconstrueerd. Die tonen alle verstilling, sferische stilstand, reminiscenties aan de dood. Ik zal u de kunstenaars die het uitgangspunt vormden voor de gedichten van De Boodt niet noemen. Het zijn dezelfde namen die genoemd worden in de opsomming van zijn publicistische praktijk als kunsthistoricus. Dát feit, het feit dat die eerste poëzie gebaseerd is op beeldende kunst, dat is veelbetekenend. Die poëzie is kunstgeschiedenis met andere middelen. In gevallen als deze biedt poëzie dan de mogelijkheid om verkort, krachtiger, in onopgeloste paradoxen te spreken kortom, ze biedt een mogelijkheid om de beeldende kunst te verkennen in een andere taal dan in die van de kunsthistoricus. Dichter en kunsthistoricus vullen elkaar dan aan. Of degene die beide disciplines beheerst, kan zichzelf tegenspreken.
Het feit dat deze poëzie op beeldende kunst is gebaseerd, niet op eigen ervaring met de werkelijkheid of op talige werkelijkheid, heeft consequenties voor die poëzie. In de eerste plaats betekent het dat het een poëzie is die op een andere kùnst is gebaseerd, niet op werkelijkheid of eigen werkelijkheid. In die andere kunst wordt met met materiaal gewerkt dat aan andere wetten onderhevig is. Verf is geen taal. Je neemt verf niet in de mond. Je spatelt de woorden niet op papier. Daarbij duwt die andere kunst de dichter een mal in de mond die niet de zijne is, de mal van het beeldende kijken of van het plastisch uitbeeldende of verbeeldende, of van de abstractie.
De dichter neigt dan eerder tot beschrijving van wat hij al dan niet ziet in dat werk of hij neigt tot ideeën poëzie om recht te doen aan wat hij denkt dat het idee van het beeldend werk is. Vervolgens kun je zeggen dat een schilderij voor de beschouwer onmiddellijk aanwezig is. Laat ik voor het gemak zeggen: het beeld is af en tijdloos. Als gevolg daarvan stelt het de vragen van tijd en vergankelijkheid op een heel eigen wijze. Voor de lezer is poëzie een lineaire kunst, een die zich noodzakelijk in de tijd afspeelt.
In de vierde plaats is beeldende kunst meestal taalloos. Schilderijen maken eindeloze verhalen in ons los, als we het toelaten, of ze inspireren tot gedichten, maar ze komen meest zonder taal tot stand. Poëzie is van taal, zelfs als het van zwijgen spreekt of in zwijgen uitmondt. Stilte en zwijgen zijn belangrijke aspecten van het tijdsverloop, ze sturen het ritme van de regels, het zijn betekenisvolle aspecten in wat wèl hoorbaar of zichtbaar gearticuleerd wordt.
Deze aspecten van de beeldende kunst domineren De Boodts poëzie in zijn debuut: de andere tijdsbeleving van de beeldende kunst leidt tot reflecties op tijd, vergankelijkheid, dood en tot het verlangen om te verstillen en eeuwig te blijven. Het andere materiaal verleidt tot het verlangen naar het verdwijnen van taal, tot het verlangen naar taalloosheid. Daarom is het laatste beeld van de bundel een zo goed als witte pagina. Het wit is weliswaar gebroken wit en enkele lijnen delen het op in vlakken, maar het is veelbetekenend dat het in de bundel gereprocuceerde kunstwerk een werk is zonder titel: ik mag geen naam hebben is zijn dubbelzinnige naam.
Dit einde wordt in het voorwoord van Alles staat stil als volgt omschreven: ''De slotcyclus Wit wit maakt komaf met lichaam en kunst. Op een blanco blad delft uiteindelijk ook taal het onderspit. Wederom slaat de klok het uur nul...''
Wat hier als triomf geformuleerd wordt, moet de dichter, de taalkunstenaar, uiteindelijk toch als nederlaag hebben ervaren. Dit is niet de plaats om de ontwikkelingen in het dichterschap van Kurt De Boodt in détail na te gaan. Ik wil alleen een betekenisvolle breuk aanwijzen en uiteindelijk iets van continuïteit.
In de tweede bundel Moules Belges is meer dynamiek dan in het debuut. Maar het merendeel van de referenties aan andere kunstenaars is nog steeds aan beeldend kunstenaars. Een werkelijke verandering, een omkeer vindt plaats in Anselmus. Je zou zelfs kunnen zeggen dat in die bundel exclusief gewerkt wordt aan de verandering van blikrichting, met alle tegenspraken vandien. Ik tip enkele elementen aan:
Een van de eerste gedichten heet nawoord. Je kunt die titel interpreteren als 'nawoord bij het voorgaande dichterschap'. Ik citeer dat gedicht:
Niet alles krijgt u onder ogen: dochter drie
nam vrij van spraak en kunst drukproef onder handen.
Wat hier oorspronkelijk stond doorstond vernielzucht niet.
Dan valt de dichter zichzelf in de rede met:
'Cut the crap,' Kurt,
cut -up, zoek wan
orde een oord.
Zoals ik al zei, ik ken de dichter niet. Ik weet niet of hij op het moment van schrijven drie dochters had of een dochter van drie, Ik kan dus vrijuit 'dochter drie' intepreteren als verwijzend naar deze derde dichtbundel. De taalkunst, de poëzie heeft zelf het heft in handen genomen. Ze heeft de dichter de beeldende kunst uit handen geslagen. Dat blijkt ook in dit gedicht, het verwoordt niet langer eloquent ideeën, de taal gaat zingen met allerlei onordelijke gelijktijdige betekenissen:
Al de eerste woorden nemen ook afscheid van visualiteit:
Niet alles krijgt u onder ogen
Die dochter van drie of de derde dochter lijkt allereerst een speelse taalloze cultuurbarbaar, zo een waar we allemaal vertederd naar kijken als ze in onze boekenkast klautert. Ze vernielt de drukproef 'vrij van spraak en kunst', ze heeft geen weet van taal, van kunst. Bij nader inzien staat er tegelijkertijd wat anders: er staat ook dat haar spráák vrij is, dat haar kunst vríj is. Dat is aan de orde in deze bundel.
De bevrijding van de kunsthistoricus/dichter van de beeldende kunst.
De bevrijding van de dichter door de poëzie.
Alleen door de wanorde en de toevallen van de taal toe te laten, haar muzikale mogelijkheden, haar ritme, kan hij zich een oord scheppen. Een talig oord. En dat is wat hij doet in deze bundel, afscheid nemen van de beeldende kunst om het materiaal van de dichter op te zoeken. In de cyclus Vluchtwegen zegt hij het zelf zo:
Museum uit, wereld in
de ware, die onder je voeten.
De dichter geeft zichzelf de opdracht op eigen benen te staan, en opnieuw te beginnen. Hij moet opnieuw leren lopen. Hij moet zich de taal eigen maken, opnieuw eigen maken.
Hij neemt die opdracht letterlijk. De cyclus na Vluchtwegen heet Maan roos vis, naar de eerste leeslessen op de basisschool. Hij bootst daarin kindertaal na, speelt met onomatopeeën; duikt in een abc-boekje, laat zich door woordbeelden verleiden, misleest letters en woorden, maakt muziek van taal, brengt een ode aan Dick Bruna. Hij spreekt bij de aanblik van een klein meisje zelfs het romantische verlangen uit, dat zijn gedichten net zo onbevangen zullen zijn als zij.
Dat verlangen naar onbevangenheid, het verlangen naar de eerste blik, naar het onbelaste woord, dat is de rouw over het verlies van wat je nooit had. Een kind wordt geboren in een taal die vol geschiedenis is. Leert het kind spreken, leert het zijn identiteit articuleren, dan doet het dat in een taal die we met elkaar delen. Een taal met een geschiedenis, met vloek en zegen. We volgen allemaal dezelfde leeslessen. De Boodt weet dat. Zijn Dick-Bruna-leesles-gedicht is minder naïef dan zijn verlangen. Bruna's roos loopt uit op de frase 'een roos is geen roos .... geen roos is'. De wending naar de poëzie blijkt een wending naar de vraag naar de reikwijdte van de taal, naar de verhouding van taal en werkelijkheid en uiteindelijk naar de vraag van taal en identiteit. Het is die vraag die centraal komt te staan in Waarop de klok ontwaakt!
Ik beloofde u een opmerking over de continuïteit in het werk van Kurt De Boodt. Die continuïteit zie ik in zijn verlangen naar steeds een nieuw begin naar breuken. Hij wil steeds opnieuw beginnen zichzelf te articuleren. Daarom grijpt hij naar de futuristen en naar dada.. Zij zijn bij uitstek de kunstenaars die beseffen dat de taal waarin je geboren bent, een mal is waarin je al als kind gegoten wordt, waarin je gevangen bent en waarin je gek kunt worden. Zij proberen zichzelf met behulp van de onvermoede, onbeheersbare mogelijkheden van de taal opnieuw te articuleren, opnieuw uit te vinden. Tot mislukkens toe.
Hun kunsttaal bevrijdt misschien niet van de opgelegde voorgevormde identiteit, maar wel van de naïviteit. Na de leesles van Dick Bruna, lagen de lessen van Majakovski en Chlebnikov en Kurt Schwitters te lonken. Kurt De Boodt nam ze in Waarop de klok ontwaakt! ter hand.
Tot slot: taalkunst is tijdkunst, de beweging die in Anselmus is ingezet, is een beweging in en door de taal. In Waarop de klok ontwaakt! staat het gedicht Manifest dat het zo formuleert:
de kunst is in beweging te blijven
alles willen tegelijk en wel nu
Met deze formulering is zowel levenskunst bedoeld als een definitie van kunst. Het is een definitie van kunst die het tautologisch rondcirkelen in de kunsten lijkt te willen verlaten. De dichter spreekt in de slotregels van dit gedicht een belofte uit, een belofte die het het doel van zijn schrijven lijkt in te houden:
alles wat leeft en beweegt komt uit
bij werkelijkheid
Welke werkelijkheid, dat zult zult u ontdekken als u de bundel koopt en leest. Ik hoop wel dat straks in de werkelijkheid aan de bar niet iedereen 'alles wil' en 'alles tegelijk'. Dat zou een teveel aan beweging opleveren, dan hebben de meesten niets en dan gaan we ons boekje van wellevendheid te buiten.
Verder lezen op in Letterland:
Reacties