In het oorspronkelijke - over het engagement van René Char
Perdu organiseerde op 24 februari jl. een avond rondom René Char. Hieronder kunt u de toespraak lezen die Henk van der Waal bij de gelegenheid hield.
- door Henk van der Waal
Zeg wat het vuur aarzelt te zeggen
Zon van de lucht, licht dat durft,
En sterf door het voor allen gezegd te hebben. (Toegewijde tegenstanders, 35)
Jawel, ook ik heb mijn pelgrimage gemaakt. Het was een paar maanden voor de dood van de dichter. We hadden plannen gemaakt om een dunne bundel van René Char te vertalen en daar waren twee dingen voor nodig: zijn verzameld werk, dat een paar jaar daarvoor uitgekomen was in de prestigieuze Pleiadereeks, en een bezoek aan de geboortestreek van Char, vooral omdat dat zo’n grote rol speelt in veel van zijn gedichten. Die twee eisen samengevoegd bracht ons ertoe de aanschaf van zo’n 1200 pagina’s poëzie in dundruk te doen in L’isle sur Sorgue. Maar dat deden we natuurlijk niet dan nadat we de mysterieuse bron van de Sorgue die opbruist uit de blinde rotswand van de Vaucluse, hadden bezocht.
Enige overmoedigheid bracht ons ertoe aan de boekhandelaarster in het dorp te vertellen dat we Char aan het vertalen waren, waarop ze prompt ons de weg ging vertellen naar zijn huis. Tegen het vallen van de avond kwamen we daar aan. Een eenvoudige Frans maison de maître, uit natuursteen opgetrokken. Ervoor een aantal prachtige bomen in de licht glooiende tuin. Het hek stond wagenwijd open, alsof hij ons verwachtte. Alleen een grindpad scheidde ons van de dichter die toen al hoog op de Parnassus van de poëzieberg was geklommen. Maar een soort van angst gekoppeld aan verlegenheid beving ons bij de aanblik van zoveel eenvoudige schoonheid. We durfden ons niet op te dringen aan deze poëet, die ongetwijfeld andere dingen aan zijn hoofd had. Nog geen paar maanden later, toen we hoorden van zijn overlijden, begrepen we dat dat ook zo was, dat hij, toen wij daar op de rand van zijn erf stonden, al een ernstig zieke man was.
Of dit halve bezoek mijn begrip van de dichter heeft vergroot, ik durf het niet te zeggen. Wel heb ik de kosmische intensiteit gevoeld die uitging van alles wat daar, bij het vallen van de duisternis, ademde, ritselde, en zich uitleverde aan de stilte die betracht werd in aanloop naar de astrale duisternis. Het wordt vaak gememoreerd dat de ervaring die Char als kind tijdens zijn zwerftochten door de Vaucluse heeft gehad, essentieel is geweest voor zijn dichterschap. Misschien dat ik daar toen even deelgenoot van ben geweest, van dat zinderende, dat verblindende en overdadige dat op je afkomt, je onderdompelt, maar dat weigert zijn geheim prijs te geven.
Eenmaal thuis moest ik het weer alleen met zijn woorden doen, maar wist ik wel waar die woorden zwanger van gingen. Char is voor mij vanaf dat moment degene geweest die in het oorspronkelijke staat.
Gevaarlijke woorden in deze tijd: in het oorspronkelijke staan, besmette woorden bijna. Toch ga ik het er mee proberen. Wat opvalt als je het vaak moeilijk te doorgronden werk van Char probeert te lezen, is dat het gemotiveerd lijkt te zijn door een intrinsieke noodzakelijkheid. Hij laat zich niet zoveel aan de lezer gelegen liggen. Hij lijkt er nooit op uit om te behagen of om een boodschap over te brengen van welke aard ook. Zonder er duur of gewichtig over te doen legt hij in zijn gedichten zijn vondsten voor, zijn trouvailles, zijn uit woorden gehakte edelstenen. Al de observaties en overwegingen die hij zo munt lijken zich niets aan te trekken van het de overgeïntellectualiseerde literatuur waar Frankrijk zo onder gebukt gaat. Hoewel zijn werk gefragmenteerd is, versnipperd en nooit een eenheid nastreeft staat het heel ver af van het postmoderne sampelen, versnijden, knippen en plakken dat in onze tijd nogal eens de kop op steekt, en loopt het ook nooit in de val van een formalistische of conceptuele aanpak.
Nee, Char stelt zich in zijn gedichten steeds onafhankelijk van dergelijke stromingen en tendensen op. Maar hij gaat nog verder, veel verder. Ook allerlei ideologieën of vooraf gegeven wereldbeschouwingen zijn aan hem niet besteed. Of in ieder geval borduurt hij niet op ze voort. Weer kiest hij ervoor om daar uit te treden, zich er zo goed en zo kwaad als dat gaat van te ontdoen om zo met een onbevooroordeelde blik te kunnen kijken en verslag te doen van wat hij dan waarneemt of ervaart.
Deze poging van Char om overal vóór te kruipen, om steeds alle gebruikelijke uitleg weg te schrapen en van de ervaring af te schuren, is zijn poging om ‘in het oorspronkelijke te staan’. Een uiterst dappere poging overigens, want zo gezellig is het in het oorspronkelijke niet.
‘Nous ne restons pas ici assez longtemps pour être capables de voir que la poésie, loin d’être aussi singulière Qu’on lui en fait le reproche, fait parti intégrante de l’univers, avec, dans cette nuit promulgée, cette énigme qui engaine (omvatten) la joie.
(…)
Les mots sont des sources vivantes semblables à des dauphins qui émettent entre eux des sons, et doivent se comprendrent. (Pleiade, 828. Sous ma casquette amarante)
Het lijkt net of Char in staat is in de smederij van de schepping te verblijven zonder dat het hem te heet onder de voeten wordt. Deze smederij van de schepping is het poëtische zelf. Het is de plek, de dimensie waar het hele universum in stand wordt gebracht en in stand wordt gehouden. Alle krachten, alle kleuren, alle gegevenheden en gebeurtenissen, alle mogelijkheden, alle onmogelijkheden, alle verdriet en pijn, ballen zich hier samen en verkrijgen werkelijkheid op het moment dat de dichter er woorden aan geeft. Dat spreken van Char in het licht van dit oorspronkelijke zijnsgebeuren is zelf scheppend en constitutief van aard. Woorden doen in dit universum geen simpele mededelingen meer, maar zijn voortbrengers van het geheim dat de dingen verborgen houden.
‘Au centre de la poésie, un contradiction t’attend. C’est ton souverrain, lutte loyalement contre lui.’
Daarin, in dit luisterend voortbrengen en vasthouden van de spanning waarin het universum gevangen zit, ligt het affirmistische en actionistische van Char. Die is dus puur poëticaal van aard en heeft enkel en alleen het poëtische in het vizier.
Zoiets blijft niet zonder gevolgen. Poëzie gaat, met zo’n hoge inzet, geen gebaande wegen. Zelfs baant zulke poëzie geen wegen. Eerder ziet ze zich, om de vrije blik te realiseren die ze nodig heeft, gedwongen om telkens weer op te breken en rond te zwerven. De geborgenheid van een huis, of de troost van een religie zijn aan Char niet besteed. Als hij het huis al noemt, dan niet om aan te geven hoe het een binnen, een geborgenheid creëert, maar om te evoceren hoe het is verbonden met de aarde en door zijn ramen en deuren is blootgesteld aan het universum. Die grootheden, die niet te doorgronden vreemdheden die drachtig zijn van geheimen pressen de dichter om zich niet schuil te houden in de veilige haven van overgeleverde waarden en religieuze troost, maar om zich bloot te stellen aan de woorden die de sporen van die geheimzinnige, bijna occulte kracht bewaren.
Daarmee volvoert Char een belangrijke overgang. Hij slokt in feite de religieuze ervaring van de godheid die huiselijkheid en geborgenheid geeft en allerlei beloftes doet om het leven draaglijk te houden, op door de ervaring van het poëtische, die veel mystieker en hermerischer is, maar zich nergens beroept op een openbaring van een van tevoren gegeven godheid. Het geloof betekent in die zin een belangrijke inperking van de ervaring van het poëtische. Te kiezen voor het laatste werkt bevrijdend, want verlost van de dwang om een bepaalde waarheid aan te nemen en van te leven volgens bepaalde voorschriften. Bovendien vermijd deze keuze de valkuil waar vrijwel alle religies, overigens met veel graagte, in zijn beland. Door de god te presenteren als de waarheid en het geloof in hem af te dwingen onder de dreiging van hel en verdoemenis, bleek de god ook uitstekend geschikt om de wet te stellen. De wet van deze God, neergelegd in zijn woord, kon dan direct gelden als de hoogste wet, een wet die dus zeer strikt moest worden nageleefd. Het naleven van het woord van god, werd zo al snel veel belangrijker dan het geloof in de god of de ervaring van het goddelijke. Die ervaring is feitelijk opgegaan in het naleven van de wet, dat wil zeggen in de moraal en de politiek.
Die moraal en politiek zijn zo een schil geworden om de oorspronkelijk religieuze ervaring, of, verder weg nog, om de oorspronkelijk poëtische ervaring of de ervaring van het oorspronkelijke. Pas door die schillen weg te snijden kan er weer zicht komen op die oorsprong en op de ervaring als zodanig. Vandaar dat Char de bron van de ervaring niet zoekt in de religie of in de politiek, maar in de poëzie. In dat gebied kan wel eens een godje opduiken, maar dan wel als een kortstondige verschijning en nooit als een alleen heersende potentaat:
La flamme sédentaire
‘Précipitons la rotation des astres et les lesions de l’univers. Mais pourquoi la douleur? Mais pourquoi la joie et pourquoi la douleur? Lorsque nous parvenons face à la montagne frontale, surgissent minuscules, vêtus de soleil et d’eau, ceux don’t nous disons qu’ils sont des dieux, expression la moins opaque de nousmêmes.’ (La nuit talismanique, 86)
Het probleem dat Char lijkt te hebben met een al ingerichte religie die zich het mysterie omtrent het bestaan toeëigent, lijkt Char ook te hebben met die vormen van politiek die uitgaan van een blauwdruk van de maatschappij. Ze mogen dan een betere mensheid op het oog hebben, het risico is groot dat ze de mens zelf aan die betere mensheid opofferen. In fenêtre dormante et porte sur le toit (1979) zegt hij het zo:
Les utopies sanglantes du XXe siècle
L’hémophilie politique de gens qui se pensent émancipés. Combien sont épris de l’humanité et non de l’homme. (14)
N’incitez pas les mots à faire une politique de masse. Le fond de cet océan dérisoire est pavé des cristaux de notre sang. (15)
Char verzet zich dus tegen alle vormen van totalitaire politiek. Want behalve dat die de poëzie verstikken omdat ze ons willen afschepen met een kant en klaar model van de wereld, offeren ze ook bijna per definitie de mens zelf op aan het politieke ideaal. En het echte engagement van Char geldt niet de politiek, maar de mens.
Legio zijn de plekken in zijn werk waar hij op die mens ingaat. Toch is het niet zo gemakkelijk om te pakken te krijgen hoe Char tegen de mens aankijkt. Wat aan veel aforistische gedichten opvalt, is de bijna keuvelende toon waarmee ze beginnen. Hij lijkt het over een puur persoonlijke ervaring te hebben, een kleine observatie, maar gek genoeg ontpopt die toon zich als het vehikel van een veel moeilijker te doorgronden gedachte of stellingname die dat persoonlijk exterioriseert en onpersoonlijk maakt. Zo keert Char die bij zichzelf wonende mens vaak binnenste buiten. Hij exterioriseert hem en maakt hem eenzaam ten opzichte van een moeilijk op begrip te brengen gebeuren dat zich aan hem opdringt:
La poésie est la solitude sans distance (…) (pleiade 742)
En die eenzaamheid is datgene wat de mens voedt, juist omdat hij daarin uitgezet is naar dat ongenaakbaar oorspronkelijke.
Cherche plutôt le motif aigu et solitaire d’où tu jailliras. (pleiade 756)
On ne partage pas ses gouffres avec autrui, seulement ses chaises (Fenêtres, 62)
Zo blijft Char dat eenzaam zwervende kind dat bevangen is door het onbekende. Die ervaring blijft hij trouw, een ervaring die het meest actief is, het meest handelend is in het wachten, in de weigering:
Ce n’est pas un assaut que nous soutenons, c’est bien advantage: une patiente imagination en armes nous introduit à cet état de refus incroyable. Pour la préservation d’une disponibilité et pour la continuation d’une inclémence du non-moi.. (pleiade 743)
Meer Perdu-lezingen zijn terug te vinden in het dossier-archief.
Reacties