« Inleiding bij 'Navagio. Wrakhoutgedichten' van Peter Holvoet-Hanssen | Hoofdmenu | Benders voor verdraagzaamheid »

Twee cd's uitgebracht in de vorm van een boekje - Starik leest Hofman en Vranken

- door F. Starik

Vorige week besprak ik voor u op in Letterland een cd-project van FOSKO, Gat in de markt, niet eens bedoeld als poëzie, maar bedoeld of niet toch dicht in de buurt van het genre komend, een cd waar teksten van onder anderen Jan Arends en Ingmar Heytze opdoken en twee korte prozafragmenten van Armando, door Fosko cs op muziek gezet, met precies die bedoeling: er muziek van maken. Ik noemde de verklankte gedichten dan meteen ook maar een tekst, omdat er een liedje van is gemaakt. Het gedicht heeft een functie gekregen.

AjaaVanmiddag (ik schrijf dit op de zondagmiddag, dat ik mezelf beloofde naar de bundelpresentatie van Tjitse Hofman in Groningen af te reizen, in plaats waarvan ik lief op mijn kamertje ging zitten typen) werd Ajaa, de derde bundel van deze Hofman gepresenteerd. Bij die presentatie zou, onder andere, André Manuel optreden. Niet onaantrekkelijk. Ook Manuel verschijnt op cd en niet in een boekje, terwijl je zijn liedteksten met enige goede wil tot poëzie zou kunnen bestempelen, al zou het op papier allemaal wat te gemakkelijk ogen, te conservatief, al dat voorspelbare eindrijm dat je in een liedje zo goed kunt gebruiken maar dat op papier toch teleurstelt. In een liedtekst moet veel vanzelfsprekend zijn, moeten de beelden voor de hand liggen, het moet allemaal vertrouwd klinken, er mag maar 1 kleine verrassing in zitten, anders wordt het een vreemd lied. Vreemd lied.

Ik heb Tjitse Hofman vaak zien optreden. De laatste jaren een aantal keren met Wordscape, dat project van Kees Wennekendonk. Ik ga dat niet nog een keer uitleggen. Daarbij voerde Tjitse Hofman een paar keer het gedicht Ajaa uit, het titelgedicht van zijn laatste bundel dus. Ajaa. Ik ben daarvan gaan houden. Bij iedere uitvoering leek de tekst mee te groeien. De tekst verdroeg veel verschillende klanken, tempi, atmosferen; leek bij iedere gelegenheid een eigen interpretatie met zich mee te voeren.

Zo’n interpretatie kan zich gerust over tien minuten uitstrekken, met het telkens terugkerend ‘refrein’ ajaa! laat me niet lachen man! ajaa! lamenielacheman! Nu heb ik die tekst eindelijk in een boekje staan. In een boekje doe je er veel minder lang mee. De tekst staat, met veel wit eromheen, in keurige strofen van vier regels opgedeeld verspreid over nauwelijks anderhalve pagina, 32 regels, onderbroken door na telkens acht regels een keer het woord Ajaa, met een hoofdletter, zoals iedere nieuwe strofe na de witregel met een hoofdletter is geschreven. Het gedicht is verder zonder interpunctie weergegeven, alleen helemaal op het einde vinden we een punt. Terwijl die laatste zin dan juist weer niet helemaal is afgemaakt, een grammaticale onregelmatigheid bevat, als om ons erop te wijzen dat het hier niet zomaar een anekdote betreft, maar een echt gedicht, met voor de liefhebber een verwijzing naar Campert’s fameuze ‘alles zoop en naaide.’

In zo’n boekje blijf je met de woorden zitten, de woorden alleen, zonder de bijgeleverde klankomgeving. Zonder de herhalingen, de haperingen, de hernemingen die de tekst bij voordracht spannend maken en zijn diepte geven. Je vraagt je af hoe de uiteindelijke notitie van de tekst tot stand is gekomen. 'Is dit de enige denkbare notatie van de tekst?' vraag ik Tjitse dan maar over de mail, schuldbewust, dat ik bij de presentatie niet ben komen opdagen. ‘Het was een geweldig feest’, schrijft hij terug, en over de tekst: ‘Heb er ruim 4 jaar over nagedacht. Alles kan altijd anders, mijn keuze is gemaakt.’

Ajaa, als boek, vraagt veel inlevingsvermogen van de lezer. De gedichten zijn doorgaans opgezet als kleine vertellingen, doorkruist door of aangevuld met een klein surrealistisch element, dat er op het eerste gezicht niet in thuishoort, en die de verbinding tussen de te onderscheiden anekdotes op metaforisch niveau moet aanbrengen. Met een paar grammaticale ingrepen simpel te herstellen tot een helder stukje proza, dat vermoeilijkt is tot poëzie. Poëzie is taal tot de essentie teruggebracht, zou je denken, maar daarvoor zijn de bewaarde fragmenten dan weer niet economisch genoeg opgeschreven.

‘Laatst, toen ik weer eens in kennelijke staat langs je fietste, zag ik dat je een beetje scheef stond, je hoofd werd gedeeltelijk aan het zicht onttrokken door een laaghangende deken van geel maanlicht. En dan komt er dus een aubergine aangestoven. Ineens, pats, een vrucht. Een aubergine, want die rijmt zo mooi op limousine. In die limousine zit een chauffeur die vindt dat je blij mag zijn dat hij je niet heeft aangereden, want dat geeft maar schade aan de wagen.’ Die chauffeur bestuurt niet zomaar een dure wagen, maar één met ‘dito fournissage.’ Man zoekt dito vrouw. Fournissage. Een woord dat Van Dale niet kent. Maar we weten allemaal wat het ongeveer wil betekenen.

Ouwe Grijze

Laatst toen ik
weer eens in
kennelijke staat
langs je heen fietste
zag ik hoe je
een beetje scheef
en de maan half
en je hoofd niet
helemaal goed
meer te zien was
door een laag
hangende deken
van geel licht
kwam er
ineens een
aubergine
aangestoven
of ik verdomme
wel wist wat
dat kostte
zo’n limousine
met dito
fournissage
dat ik blij
mocht wezen
dat ie me niet
had overreden
met eventueel
zelfs schade
aan de wagen.

Je denkt iets te lezen. Je leest er telkens net naast. Ik moet mezelf toegeven dat ik van het mondeling overgeleverde een heel andere indruk kreeg dan van wat ik nu lees. De gedichten zijn weerbarstiger. Ze leveren zich net niet helemaal uit.

Vlees mij! Weerbarstig is een fijn woord om te gebruiken. Ik was benieuwd of dat fijne woord op het debuut van Stijn Vranken, Vlees mij!, toepasbaar zou zijn. Ik heb hem één keer zien optreden, kortgeleden, op het Weerwoordfestival, op het gedichtenbal, waar tevens de genomineerden voor de VSB-poëzieprijs voorlazen: die avond had ik Prijs blind aan Vranken gegeven. Ik schreef toen: 'Stijn Vranken, een superkoele Belg, mag proberen om de zaal weer stil te krijgen. Dat lukt hem. Daar staat nu eens echt iemand, een dichter waar je wel in geloven wil. Nergens voor genomineerd verder, volgens mij staat zijn debuut nog op het punt van verschijnen. "Kijk, die afwezigheid daar, dat is een deur." Eindelijk. De loodzware ernst wordt ingeruild voor zelfrelativering. Er mag gelachen worden. Deze dichter bekent dat hij, ‘onder zware genetische druk’ staande, een tijdlang ‘ongewild eenzaam’ is geweest. Dat lucht op.'

Mijn verwachtingen zijn naar aanleiding van dat optreden misschien te hooggespannen. In zijn bundel vind ik deze regels niet terug, noch een gedicht waartoe ik, eventueel slordig genoteerd hebbende, deze regels toe zou kunnen herleiden, al komen er veel deuren in de bundel voor, en wordt het woord eenzaamheid evenmin vermeden. Wel vind ik: ‘Je was wie je was en dat was niet niks. / Maar ook niet veel meer dan dat.’ En dat is precies wat deze bundel is. Lieve, naïeve poëzie, waarin een grote liefde wordt beschreven, benaderd, omarmd, in haast puberale verrukking. Waar geen zelfstandig naamwoord voorkomt zonder bijvoeglijke bepaling.

In de Poëziekrant wordt de dichter uitgebreid geïnterviewd en men slaagt erin hem het hele interview lang niets te laten zeggen. Ja, hij houdt van optreden. Van muziek. Bezit een kat. Verbouwt zijn huis. Schrijft bij voorkeur ‘s nachts. Maar ja, de verbouwing hè. "Ik ben op zoek naar nieuwe cliché’s", luidt de kop van het artikel. Die heeft hij in deze bundel vooralsnog niet gevonden. Het fraaiste vers dat ik in deze bundel vond (maar dat kan aan mijn preoccupaties liggen), een vers evenwel dat met zijn eindrijm niet helemaal representatief voor de bundel genoemd mag worden, wil ik graag in zijn geheel citeren. Het toont zowel de makke als de aantrekkingskracht van deze bundel aan. Daarbij wil ik gezegd hebben: ‘ik ben niet meer mens alleen’ en ‘Een vruchtbaar hand,’ dat zijn geen typefouten van mij, dat staat zo in de bundel opgeschreven.

Requiem

Warme wind, o odyssee!
Ik ben uw klant, neem me mee
waai mijn vlees tot stof uiteen
ik ben niet meer mens alleen
maar wederom wat ik al was:
een vruchtbaar hand
vol dolend as.

Schenk me nog een troostend lied
een laatste tocht, meer vraag ik niet
dans me langs de straten heen
langs dorp en stad en slapend steen.

En draag me stil de kamers door
vol vrouwen diep in dromend koor
vlij me licht een laatste keer
op al die zoete lippen neer
van hen die ik, doof, stom én blind,
in mijn bestaan
nooit heb bemind.

Het is een gedicht waarvan je je kunt voorstellen dat het lekker klinkt als iemand dat gevoelvol voorleest. Je zou het als een smartlap kunnen zingen. Misschien had Vranken beter een dichtbundel in de vorm van een cd uitgegeven.


Verder lezen op in Letterland:

> 2 gedichten uit de bundel Ajaa van Tjitse Hofman

Reacties

Laat een reactie achter

Op deze weblog worden reacties gemodereerd. Hierdoor zullen reacties pas verschijnen als de auteur ze heeft goedgekeurd.

Feeds

  • klik hier voor het allerlaatste (literatuur-)nieuws


    > Meer feeds...

Zoeken

  •  

Gedicht, Gehoord, Gezien

Laatste reacties

Colofon

Advertenties