Paul Rodenko - Het beeld
In de rubriek Op het eerste gedicht vertellen poëzieliefhebbers over het allereerste gedicht dat bij hen 'het heilige poëzievuur' heeft aangewakkerd.
Aflevering 09: dichter en recensent Alain Delmotte.
Was het het meisje of het gedicht?
Het was aan het Kortrijks conservatorium begin jaren zeventig. Ik volgde er Nederlandse en Franse voordracht. Dat was een heel klein beetje tegen mijn zin. Ik was als veertien-, vijftienjarige vooral uit op het volgen van toneellessen. Maar toen kon dat pas als je twee jaar voordrachtlessen had gevolgd. Maar dat ‘heel klein beetje tegenzin’ zou in recordtempo keren. En van die toneellessen zou verder niets meer in huis komen.
Wat wist ik toen af van poëzie, van gedichten? Dat het dingen waren die je van buiten moest leren. Dat was lastig! Boerke Naas van Guido Gezelle, het onvermijdelijke De spin Sebastiaan van Annie M.G. Schmidt en, een hilarische draak van een tekst, De dijk van C.S. Adama van Scheltema waarin ‘klapperdekakkende koeien’ worden geëvoceerd. Eigenlijk vond ik die dingen best wel aardig. Meer niet. Ik las veel: Pietje Puk, Pietje Bell, Tineke, Heidi, Pim Pandoer, Bob Morane, Biggles, de sprookjes van Grimm en, niet te vergeten, veel stripverhalen. De meeste boeken waren toen al dingen uit de oude doos. Maar dit valt te verklaren: ik was het kakenestje thuis en had de kleren van broer te dragen en de boeken van zussen en broer te lezen. Bij ons werd lezen gewaardeerd – als het goedkoop bleef. Mijn vader en mijn moeder waren gretige lezers, zij het niet altijd van grote literatuur. In hun bibliotheek stak toch wel het verzameld werk van Streuvels. Les misérables van Victor Hugo was hèt cultboek van mijn vader (die even vlot Frans als Nederlands las en sprak). Er werd met ontzag over Madame Bovary gesproken. Van Claus had men De koele minnaar staan, ssst! Maar geen gedichtenbundels in de buurt. Mijn zus had op haar werktafeltje wel een exemplaar liggen van Bezette stad. Ik heb daar in het geniep vaak in gebladerd. Ik vond die typografie (waarvan ik toen nog niet wist dat het typografie was) fenomenaal en intrigerend. Ik zag wel in dat het iets vernieuwends, of gedurfds, of ‘revolutionairs’ was. Ik heb het hier over het einde van de jaren zestig en het woord ‘revolutie’ hoorde je vaak op radio en televisie en het viel ook wel eens tijdens de felle, ja, soms bijzonder heftige discussies tussen mijn broer, zussen en mijn ouders. ‘Achtenzestig’ (wanneer was dat ook alweer?) had nogal wat onomkeerbare dingen in ons nest aangericht. En daar heb ik als puber wel de vruchten van kunnen plukken: ik ben geheel vrij geweest in mijn doen en laten. Over mijn lectuur kon ik bijvoorbeeld vrijuit beslissen – waar dat bij mijn broer en zussen altijd grondig werd gecontroleerd. Cremer, Wolkers, Reve, Geeraerts: alle remmen los!
De wijze waarop er les gegeven werd in het conservatorium was quasi individueel. We kregen vijftien à twintig minuten les per week. Soms liep de les voor de jouwe wat uit. En moest je wat wachten in de gang. Op zeer koude dagen mocht je dan wat eerder in het klaslokaal en mee de les volgen van de leerling die voor je was - onder de strikte voorwaarde dat je rustig bleef. En het is op zo’n keer dat de poëzie zich voor het eerst aan mij heeft leren kennen.
Ik was vijftien en het meisje dat aan het oefenen was, was achttien. Ze was dus eigenlijk geen meisje meer maar een jonge vrouw. In die tijd werd je echter pas ‘jonge vrouw’ op je eenentwintigste. Ze kreeg wat extra les omdat ze een examen moest afleggen waarbij ze een gedicht moest voordragen (extra les kreeg je alleen als je wat extra talent had en het meisje had talent). Het gedicht dat ze moest inoefenen was Het beeld van Paul Rodenko.
Uit het hout van de morgen
uit morgenrozenhout
sneed ik een beeld
heel licht en smaller dan een lijsterstem
een beeld van morgenrozenhout.Het was zo schuw zo ongeschoold
dat ik het zelf niet kende
met elke windvlaag was het weg
maar ’n kind
een bloesemtak
een onbekende
bracht het mij voorzichtig weer terug.Er waren er die het herkenden
en luide namen gaven:
Confecta Sexgiraffe Tafel met Citroenen
Clown Tederheidsbeginsel Bloedgewricht
Naakt met Napoleon Een Huis My Country
My Kâ My Lah My Lullalongsome Baby
O Schweler Ahnenstern Wir haben's
nicht gewusst
nimmet gruwuhle
nit gramah.
Een heel smal haast doorzichtig beeld
van morgenrozenhout.Langs zenuwrasterwerk
door tuinen
hoogbeplant met diplomatenkoppen
droeg ik het broze beeld
van morgenrozenhout
en ieder wist nauwkeurig wat het was
slechts ik die 't eigenhandig had gesneden
ik orensnijder schoudertulpensnijder ikorensnijder tulpensnijder
wie gaat er mee de vijverkoe bevrijden
de vijver is gesloten
de sleutel is gebroken
er is geen ene
tweeë
drieë-Dites, Madame, va-t-il pleuvoir ce soir?
-Mais non, Monsieur, vous ne savez donc pas?
-Quoi?
-Qu'on a inventé le plus-jamais-pleuvoir?
Was het het meisje of was het het gedicht? Waren het de woorden of was het haar stem? Of alles bij elkaar: het meisje, het gedicht, de woorden, haar stem? En haar talentvolle, speels-blinkende ogen bij het voordragen? Was dit gedicht toen voor mij de uitdrukking van een adolescent gemis en had het meisje alles wat absolute vervulling was? (Nee: je bent geen meisje meer als je achttien bent. Maar zoals die bevallige, oogblinkende achttienjarige toen dat gedicht voorlas was ze één en al nevelige meisjesachtigheid. Ik heb haar nadien trouwens nooit meer teruggezien. Of herkende ik haar niet meer?) Of was het dan toch de prachtige, uitzonderlijke, mij gelukkig makende combinatie: simpelweg haar stem en de woorden in Rodenko’s gedicht, de kracht van het Namen noemen? Was het haar stem, de wijze waarop ze haar stem zinnelijk in de woorden liet vloeien zodat die stem zich helemaal met en in het gedicht samenvlocht ? Of was het de libidineuze dynamiek van de woorden die haar stem aan stem hielpen? Het was in ieder geval een ervaring die ik maar zelden in mijn leven heb mogen meemaken. Het was een moment van intense helderheid. Dat klinkt wat overdreven. En terecht kan ik mezelf de vraag stellen: ga ik hier nu niet op een onnozele manier enkele niet meer na te speuren of te reconstrueren dingen sublimeren? Het was gewoonweg het juiste moment: een explosie, een aanslag, een terroristische maar zachtaardige daad. En ja, natuurlijk: voor mij is poëzie onder meer de biotoop van het sublieme, het enthousiasmerende, de betovering, de verwondering, de vonk, de positieve anarchie.
Maar ook, onder meer, het tegendeel ervan, een via negativa: het ontnuchterende, het vernielzuchtige, de vervreemding, de bitsige melancholie kunnen verschijningsvormen van de poëzie zijn. In de kern ervaar ik poëzie als een voortdurende cesuur. Pijn en roes zijn er de excessen van. Poëzie is de dialectiek van de ervaring. En alles op zijn tijd: de zwarte kant, de zwarte zon van de poëzie zal zich pas later, veel later, aan mij laten openbaren. In ieder geval is poëzie voor mij geëvolueerd tot een schommelen tussen breekpunten, tussen vervoering en vervreemding, tussen lyriek en antilyriek, tussen nostalgie en ironie. In mijn ontwikkeling vond ik voor dit schommelen - na lang wikken en wegen, wrikken en woelen, vloeken en schrappen, lezen en leven - in het prozagedicht de voor mij nodige synthese en (adem)ruimte.
Sublimeren? Ben ik, wat ik toen gewaar ben geworden, de glimp die ik toen heb gezien, echt gaan sublimeren? Tot op vandaag kan ik het niet uitdrukken wat ik toen wezenlijk heb ondergaan. Het was niet zomaar een vluchtig kickje, want het betekende voor mij – en hier overdrijf ik niet - een existentieel keerpunt. Zoniet, waarom zou ik me tot op vandaag die ‘gewaarwording’, die plotse ‘herkenning van wat ook’ zo scherp blijven herinneren? (Misschien ben ik gedichten gaan schrijven om voor die ervaring adequate woorden te zoeken?)
Ik werd compleet gefascineerd door Rodenko. Ik moest alles weten over hem. Wat een prachtige naam had die man. ‘Rodenko’, een gedicht van een naam. En ik ontdekte andere gedichten van hem. Een handvol broze dingen: Bommen, Februarizon, Jij-mei, Zomeravondval en intocht der kinderen, Besneeuwd landschap (een leerdicht waarvan ik pas in een volgend decennium de poëticale waarde zou kunnen inschatten). En uiteraard kwam ik vrij snel zijn bloemlezingen op het spoor. Nieuwe griffels schone leien werd voor een tijd mijn guide Michelin van de Nederlandstalige poëzie. En ik las er voor het eerst al de vijftigers waarvoor ik jarenlang in dolle verering zou blijven knielen. Ik zou er natuurlijk Claus, mijn Claus, in ontdekken en door zijn poëzie en ander werk bezeten worden. En die bezetenheid deed me op een goeie dag zelf gedichten schrijven.
Ook maakten zijn andere bloemlezingen indruk op mij: Met twee maten (met die prachtige inleiding, het eerste essay dat ik ooit las), Poètes Maudits (waarin ik voor een deeltje de Franse poëzie zou kunnen ontdekken maar dit verhaal, dat parallel loopt aan dat wat ik nu vertel, laat ik hier even terzijde), de tweeëntwintigste druk van Dichters van nu die afsluit met enkele rare dingen van een zekere Faverey. Enfin, Rodenko was een schitterende startblok.
Hoe voelt het aan om dit gedicht nu te herlezen? Ik blijf het even fris vinden. De grote opwinding van toen is uiteraard verdwenen: ik heb ondertussen teveel gedichten gelezen om er nu nog zo integraal in vervoering van te raken. Ik voel er ook wel wat nostalgie bij: in zijn eenvoud klinkt het gedicht zo argeloos - dat ik het die argeloosheid benijd. Omdat ik me tot een dergelijke argeloosheid niet meer in staat voel. Tenzij geveinsd. (Een argeloosheid die Rodenko in zijn later werk overigens zelf in vraag zal stellen als hij het in Met twee maten over de poëzie van het échec zal hebben.)
Is het een groots gedicht? Nee, want grootse gedichten zijn schaars. Grote gedichten vind je in stelselmatig en consequent opgebouwde oeuvres. Die zijn te tellen in de Nederlandstalige literatuur. En dan nog. In het Het beeld staan weinig regels of passages die je een leven lang kunt meedragen. Het is een soort gedicht dat je herleest als het toeval je in een vergeten boek doet bladeren. Een gedicht dat je herleest op een ‘verwaaide keer’. Een gedicht dat me bijblijft zoals ik me wel eens de melodie van een oud Frans liedje - waarvan ik de tekst ben vergeten – herinner: een gedicht dat je neuriet. Ik heb het ooit eens voorgelezen aan mijn dochter. Toen ik ermee klaar was en voorzichtig polste naar wat ze ervan vond, vroeg ze of ze weer mocht gaan spelen. Gedichten komen, gedichten gaan. Als ik het mag samenvatten: Het beeld vind ik nog altijd een mooi gedicht, maar niet meer dan dat. Poëzie kan meer, moet meer.
Het ochtendlijk gevoel dat in de eerste regels van dit gedicht weerklinkt, heeft me evenwel nooit verlaten, ben ik altijd met pure poëzie blijven associëren en is in veel van mijn teksten tot op vandaag terug te vinden. Ook het (denk)werk van Rodenko heeft me nooit verlaten: hij is één van onze boeiendste essayisten. Met een brede kijk: hij overschrijdt de grenzen van de Nederlandstalige literatuur. Kneuterigheid is hem vreemd: zijn kennis nijgt naar het kosmopolitische. Hij stierf in 1976: het was juni en ik was er totaal van aangedaan. Ik moest studeren. Tussen twee te doorworstelen cursussen door, schreef ik een gedicht voor Paul Rodenko. Het werd een tekst in zijn trant. Ik beschouw het als mijn eerste ‘echte’ gedicht – wat dit ook moge betekenen. Het staat helemaal vooraan in mijn debuutbundel uit 1983. Toen ik het schreef had ik het gevoel dat ik spijbelde. En dat is poëzie altijd voor mij gebleven: spijbelen met taal.
Paul Rodenko is dood
ik heb nog nooit
in een boom gewoond
en toch zou ik erover willen zingen
ik zou willen zeggen het er gezellig wonen is
in die boom
ik zou willen zingen
paul rodenko is doodpaul rodenko
heeft ooit in een boom gewoond
heeft hij erover gezongen
paul rodenko is doodde ogen van rodenko
waren ze groen
waren ze fotogeel
waren ze polshorloge
waren ze luchtbel
wie zal het zeggen
paul rodenko is doodik heb rodenko in een gedicht gezien
rodenko’s ogen waren rood
paul rodenko is doodmaar de bomen zijn niet dood
en de zon niet
en piano pianissimo
de zeven wereldwonderen nietpaul rodenko is dood
Reacties