Leeglopen - Starik leest Mensema en Goudeseune
F. Starik las voor u twee boeken: Doem Dada van Bill Mensema, te verschijnen op 30 maart bij uitgeverij Passage, alsmede Het boek is beter dan de vrouw, van Koenraad Goudeseune, vorig jaar al bij Atlas uitgebracht.
- door F. Starik
‘Op de een of andere manier heb ik een boek geschreven,’ begint Bill Mensema de begeleidende brief, die bij zijn boek (roman, zegt zijn uitgever, het is een roman) is gestoken. ‘Het werd verdorie nog aan toe ook wel hoog tijd, zei een goede vriendin van me.’ Verdorie nog aan toe. Daarmee is de toon meteen gezet. De schrijver vindt het zelf ‘een grappig boek dat ook nog eens schijt heeft aan conventies.’ Op precies dat zelfde toffe toontje kletst hij zijn boek vol, 395 pagina’s lang. Lang en dik.
Doem Dada speelt zich af tijdens ‘de grote recessie’ van begin jaren tachtig. Twee jongens ‘uit de provincie,’ de vrienden Bill en Han, komen vanuit Delfzijl naar ‘de grote stad,’ en daarmee bedoelt Bill Groningen. Ze raken verzeild in jongerencentrum Vera, waar ze als vrijwilliger gaan werken. Bill, de held van het verhaal, doet een halfslachtige poging om Nederlands te studeren. De gehele roman lang probeert hij een boek te lezen. Hij vindt dat boek maar saai. En moeilijk. Bill beschikt over een uiterst beperkte woordenschat. Hij bezit gelukkig een woordenboek, daarin kan hij moeilijke woorden opzoeken. Onaneren, nooit van gehoord. Perceptie, wat zou dat kunnen betekenen?
De roman is onderverdeeld in acht genummerde hoofdstukken, die ook weer in nummers zijn opgedeeld, we lezen helemaal van 1.01 tot acht punt 13, alsof het eer een beleidsnotitie dan een ‘roman, je moet het een roman noemen’ betrof. Bill’s referentiekader en leidsman is Alfred Bos, die hem dicteert welke muziek hij goed moet vinden, zijn Bijbel is het tijdschrift Oor.
Het boek vertelt over de bands die er toe deden, vertelt hoe Bill zelf in een band terechtkomt, Crimes of Nature. Die band heeft echt bestaan. In het poparchief van Groningen, de grote stad, zijn er sporen van terug te vinden. Crimes of nature, beroemd tot in Zuid-Europa, nooit van gehoord, maar misschien heb ik niet voldoende in de Oor gelezen. ‘Een legendarische cultband.’ Inmiddels wordt alles wat mislukt is in die tijd wel legendarisch en cult genoemd. Makelaarstaal voor volledig vergeten.
Voor het boek is dat allemaal geen bezwaar. Voor Bill’s generatiegenoten is het een wat truttig feestje van herkenning. Je hoort de muziek van toen weer in je hoofd opklinken. Voor wie tegen dat hele boek lang consequent volgehouden toffejongenstoontje bestand is, alsof iemand je een nacht lang in een lawaaiige kroeg zijn levensverhaal in je oor schreeuwt, voor wie er tegen kan dat mensen niet praten maar lullen, voor al die lui is het een gezellig, grappig, pretentieloos boek over twee naïeve jongens en de omgeving waarin ze min of meer volwassen worden, met hun uitgestelde pubermoeilijkheden. Er wordt over meisjes en muziek geluld, meisjes, muziek en geldgebrek. Er wordt cola gedronken die onveranderlijk lauw is. Geen hoge lichten. Han blowt zich te pletter, nichtje Elvira kraakt een huis, vrijt niet met Han maar wel met een ander meisje, er wordt heel veel verkeerd of niet begrepen. Zo wordt Han min of meer per ongeluk lid van de SP, omdat hij verliefd is op een meisje dat deel uitmaakt van de Jonge Socialisten, de jeugdafdeling van de PVDA, waar Han pas achterkomt als tijdens een partijcongres in Wenen The Clash zal optreden, waar de vrienden wel een partijcongres voor over hebben, om The Clash op te zien treden. ‘En? Ga je nu ook van partij veranderen?’ vraagt Bill.
Het personage van Het boek is beter dan de vrouw van Koenraad Goudeseune staat hier diametraal tegenover. Hier geen spoor van de opgewekte, recht-voor-zijn-raap-persona die Bill Mensema in Doem Dada neerzet. Hier is een harde tobber aan het woord. ‘Zonder veel geschreven te hebben, was ik al twintig jaar schrijver. In die twintig jaar was er genoeg voorgevallen om er een autobiografische roman mee te kunnen vullen. Alleen al met wat er in die tijd niet was voorgevallen, succes namelijk, was ik vele hoofdstukken zoet.’
Het eerste in het oog springende verschil tussen beide mannen is dat Goudeseune in alles een schrijver is, waar Bill Mensema zich een - soms onhandige - verteller toont. Goudeseune schrijft zorgvuldig gebeeldhouwde zinnen, is van regel tot een regel een genot om te lezen. In briefvorm doet hij verslag van zijn leven. Tenminste, de publicatie wordt aangeduid als brievenboek. Niet als roman, bijvoorbeeld, je moet het roman noemen.
Toch is er niet echt van brieven sprake. Er is geen sprake van een gesprek. Het is een éénrichtingsverkeer van mededelingen, meest van persoonlijke aard. Ergens halverwege bekent hij dat veel van wat we tot nu toe als ‘brief’ hebben gelezen, oorspronkelijk niet als brief werd geschreven, er is alleen maar een naam boven gezet. Maakt niet uit aan wie het schrijven gericht schijnt.
Het tweede verschil dat wij in het oog laten springen, is het beeld dat van beide personages uit hun boeken overblijft: waar je bij Mensema de indruk overhoudt van een gulle, toffe vent, iemand in wiens gezelschap het goed toeven moet zijn, al zal hij eens wat vaker zijn kleren mogen verschonen, stijgt uit Goudeseune’s notities de eenzame geur op van een intens zelfbetrokken, benauwd personage, dat zich in alles tekortgedaan en tekortgeschoten voelt, een jaloerse zeikerd, een onmachtige kankeraar aan de zijlijn van het leven, die al dat zuigen, steunen en zuchten evenwel op zeer welluidende toon verricht. Ik bedoel, Reve was beter maar die Goudeseune kan er ook wat van. Ook daar moet je tegen kunnen.
Goudeseune kletst 351 pagina’s vol over zijn nietige wetenswaardigheden. Hij luister eens wat naar muziek, speelt een beetje op de piano, piekert over een stukgelopen relatie, drinkt te veel, wat hij zich eigenlijk niet veroorloven kan, want dat kost allemaal maar geld en dat heeft hij niet genoeg, geld, terwijl anderen om altijd oneigenlijke redenen juist bulken van de poen, hij ziet overal samenzweringen, plaatst eens een stukje op De Contrabas en is dan drie dagen van slag, hoe zal men daar nu weer op reageren. ‘Beste Chrétien, aangaande je probleem met de kwaliteit van Hendrik Knudde.’ Of: ‘Een vraagje. Ben je ook geïnteresseerd in een roman in wording?’
Brieven aan onder anderen Emile (Brugman), Ingmar (Heytze), Chrétien (Breukers), Christophe (Vekeman) Jeroen (Brouwers), Herman (Leenders), Benno (Barnard) een zekere Katleen, Luc, Peter, Dirk, Froufrou, Jan-Willem, Bart, Fanny, Claudia, een Aagje. In al die brieven vertelt Goudeseune over zichzelf. Nooit informeert hij eens naar het welzijn van de geadresseerde, nergens legt hij enige belangstelling voor de wedervaardigheden van een ander aan de dag, behoudens in enkele beschrijvingen van al dan niet bijgewoonde boekpresentaties, schrijversbijeenkomsten. ‘Ik denk niet te zullen gaan. Eerwaarde heer Dewulf is me te zeer een dure meneer geworden en ofschoon hij nog niet zo heel erg veel poëzie bij elkaar heeft geschreven, poëzie bovendien die me niet van mijn sokken blaast, wordt hij met zoveel egards behandeld als betrof het Guido Gezelle. Begrijp ik niet. Van zijn proza ben ik ook al niet wild. Risicoloos, traag en ik bespeur er ook een zeker neerkijken in op het plebs. Van Bastelaere draagt een griezelige bril en van zijn gedichten begrijp ik geen klap en Ducal vindt Mao een held.’
Goudeseune schetst een vernietigend en genadeloos zelfportret, dat toch lang niet vrij is van vertedering over de ongelukkige situatie waarin hij zich willens nillens heeft gebracht. Hij breekt zichzelf tot de bodem toe af om te bewijzen hoe voortreffelijk hij is, welke onderneming uiteraard gedoemd is grandioos te mislukken, waarin hij uiteindelijk gewoon te graag aan het woord is, van geen ophouden weet, leegloopt.
Ik vind dat op een duistere wijze dan toch baie interessant om allemaal te lezen. Beide boeken geven een deels onbedoeld inkijkje in twee particuliere levens. De hoop is dan dat het particuliere iets algemeners aanraakt, onthult, reveleert. Zonder twijfel bevatten beide boeken een schat aan sociologische en psychosociale gegevens. Beide boeken onthullen facetten van de werkelijkheid zoals die op enig moment in de tijd worden ervaren, beide boeken stijgen niet boven die particuliere werkelijkheid uit, wat toch wel noodzakelijk is om er de Nobelprijs voor de literatuur mee te gewinnen. Al die levens, die gedoemd zijn om op niks uit te lopen.
Ik neem aan dat Mensema na zijn debuut wel uitgeschreven zal zijn: hij heeft precies die cruciale, vormende periode uit zijn leven beschreven op welke ingeslagen weg hij wel zal zijn voortgegaan. Hij heeft juist dat opgeschreven waarvan die goede vriendin zei dat hij het allemaal eens moet opschrijven. Hij schijnt nog wel eens op te treden als de helft van het duo ‘performing poets Bob & Bill’ van welke poëzie, indachtig de proeven van de bekwaamheid die hij in Doem Dada heeft opgenomen, de verwachtingen niet erg hoog gespannen zijn.
- Hoe weet je dat eigenlijk? vroeg Han.
- Ik heb het ergens gelezen.
- Waar dan?
- In een boek denk ik, of nee, ik weet het weer, volgens mij was het in de Libelle.
- In de Libelle?
- Uit de leesmap van mijn ouders.
Voor Goudeseune ligt dat anders, die heeft zichzelf veroordeeld tot het schrijverschap, hij zal dat tot zijn laatste, bittere snik beoefenen. Je zou willen dat hij eens een onderwerp vond, buiten zichzelf gelegen, want schrijven kan hij prachtig. Ik geef u de slotscène van Het boek is beter dan de vrouw, waarin hij het verscheiden van een nonkel beschrijft:
Toen hij kwam te overlijden, werd er in de kapel van het instituut een eenvoudige rouwplechtigheid gehouden waarna de kist per dodenlimousine naar het familiegraf in Madonna werd overgebracht. Aldaar bleek echter het familiegraf door de bevoegde diensten niet te zijn opengemaakt, zodat er niets anders op zat dan de kist óp het graf in plaats van er ín te plaatsen. Daar is hij een nachtje blijven hangen, in de gierende regen nota bene, terwijl ik samen met mijn jongste broer in een bij het kerkhof gelegen café de wacht hield en alsmaar zatter werd. Zo wil ik ook wel gaan.
Koenraad Goudeseune, Het boek is beter dan de vrouw, uitgeverij Atlas, 2007, € 19,90
Bill Mensema, Doem Dada, uitgeverij Passage, 2008, € 19,50, presentatie op zondag 30 maart in Vera, Groningen vanaf 16 uur, zie voor details www.uitgeverijpassage.nl
voel me gesierd, dank.
Geplaatst door: koenraad goudeseune | 14 mei 2008 om 14:04