« Inleiding bij '4 zinnen' van Samuel Vriezen | Hoofdmenu | Poëzie, Bach, drank en vrouwen »

J. Bernlef - Meer in dingen dan in mensen

In de rubriek Op het eerste gedicht vertellen poëzieliefhebbers over het allereerste gedicht dat bij hen 'het heilige poëzievuur' heeft aangewakkerd.
Aflevering 11: dichter en recensent Erik Lindner.

Ik hield niet van poëzie. Ik had er helemaal niets mee. Ik las het niet. Ik schreef het niet. Tot op mijn veertiende mijn vriendin van drie jaar ouder een gedicht van me in haar oude poésie-album wilde. Ik heb er mijn best op gedaan. Vond het vreselijk om te doen. Een soort ploeteren. Je hersens pijnigen. Maar ze was er blij mee. Haar moeder las het en zei: die jongen kan schrijven. Geen gemakkelijke vrouw was dat.

Niet lang daarna kochten we een plakboek en Patty tekende iets op de ene pagina en gaf het aan mij en ik schreef iets op de volgende pagina en gaf het terug. Enzovoorts, ook toen het uit was – niet het plakboek maar de verkering. Of ik toen gedichten las? In de boekenkast van mijn vader stond weinig Nederlands. Daar moest je toen nog tegen zijn. Wel herinner ik me Robert Lowell. Of dat tot me doordrong weet ik niet meer. De gedichten van mijn vader waren van invloed. Die wilde hij niet publiceren, mede omdat hij in de krant over politiek schreef. Wel schoof hij ze, vooral op dagen dat we niet communiceerden, onder mijn kamerdeur door. Teksten van vrienden waren belangrijk. Gek bed om in te dromen van mijn lief die nooit zal komen van Frans Lelieveld. Songtekten van Anthony Blokdijk, oud-drummer van Niet-Reëel Aanbod, voornoemd naar die kaartenbak van het Arbeidersbureau waar ook ik als voortijdig schoolverlater in zat. En het boekje van Hans Boogmans Maak van mij een ledikant dat hij zelf bij zijn uitgeverij Pidoewa had uitgegeven. Zaag me zaag me was ik een plank maak van mij een ledikant en slaap de hele dag en slaap de hele nacht. Hans leerde me altijd een rolletje plakband op zak te hebben. Komt altijd van pas. Dave de Borst, zoon van de Indo-familie van de lampenwinkel naast het Paard van Troje, had een cassettebandje van de popdichter Herman Brand. Lang voor alle rap en slam en spam declameerde die: van rijswijk pislucht viaduct van villawijkchick afgefuckt den haag den haag wat ben je traag den haag mijn maag den haag den haag wat ben je laag den haag den haag van zandstrand handstand en de leugen van tri- en tripscenes die niet deugen den haag den haag etc.

In 1984 was ik zestien en uit huis en kwam mijn zus even bij me wonen in mijn kraakpand aan de Noordwal, om haar spullen daar op te slaan voor ze op reis door Afrika zou gaan. Ze knipte een gedicht uit de krant:

Meer in dingen dan in mensen

Omdat de dood in mensen huist
de buitenkant van dingen is
kan ik alleen in dingen leven zien

Hun stug en tegendraads bestaan
hun onverminderd staren in het zicht
van de mij toegemeten jaren

Daarom zie ik meer in dingen dan in mensen
die ene mens die in mij groeit
in richting en in zwijgen naar hen toe.

De verrassing van het gedicht was dat iemand in een krant iets schreef dat helemaal niet zo gek ver van mijn belevingswereld stond. De onderkoeldheid sprak me aan, dat ogenschijnlijke droge. Doen alsof je een stelling aanhaalt, terwijl het gewoon een eigen idee is.

Ik las het gedicht tussen acht eigen gedichten voor op 21 december 1984 in Lokaal Vredebreuk. René Rid speelde er bassriffs bij, die hij door een machine liet herhalen en vervormen. Het optreden werd georganiseerd door Adriaan Bontebal en zijn vriend Arthur Lava was helemaal uit Amsterdam neergedaald om talent te scouten. Ik weet nog dat er geloei aan de bar opklonk tijdens de aankondiging. Met Bernlef aankomen als 16-jarig krakertje, dat ging natuurlijk niet.

Of het gedicht me nu nog zoveel zegt, weet ik niet. Ik heb wat moeite met die ‘mij toegemeten jaren’ en dat toegroeien naar de dingen van die ‘ene mens’ in de dichter. Maar jeugdzondes bestaan niet tenzij ze continue door blijven gaan. Dennis Potter sprak van de ‘gecharmeerde verachting’ waarmee hij zijn vroege werk bekeek.

Een paar jaar later zou de Hongaar János Pilinszky me stukken dieper raken. Dat is minstens zo bepalend geweest als het gedicht van Bernlef. Bij Perdu in Amsterdam verscheen rond dezelfde tijd een bundeltje Welke dingen? Welke mensen? van Arjen Duinker en K. Michel, toen nog als duo AapNootMies, dat klaarblijkelijk over hetzelfde gedicht ging. Voor ik iets van hun werk vernam of zelf iets ergens instuurde, waren we tien jaar verder. Den Haag was mijlenver van alles verwijderd. We hadden geen universiteit, geen faciliteiten, geen geld, geen uitgever, geen uitzicht op ook maar iets. Niet alleen Hans Boogmans heeft zijn eigen dood verkozen, ook andere talenten van Den Haag uit die tijd zijn er niet meer: Menno Assies, Jan-Kees Haks en Karlo Knijnenburg. En natuurlijk vele jaren later Jeroen Mettes, die ik in tegenstelling tot de anderen niet persoonlijk heb gekend. Het zegt wat mij betreft iets over een stad. Den Haag was niet leuk, maar had ziel. Maar niet getreurd: een vergelijkbare aanstekelijke gekkigheid als van Boogmans is ook elders te vinden.

Reacties

Laat een reactie achter

Feeds

  • klik hier voor het allerlaatste (literatuur-)nieuws


    > Meer feeds...

Zoeken

  •  

Laatste reacties

Colofon

Advertenties