« 3 gedichten van Martijn Benders | Hoofdmenu | Afscheid van Hugo Claus »

Geen gedaver in het kadaver - over Hugo Claus in mijn leven als lezer

Vandaag vindt de afscheidsplechtigheid van Hugo Claus plaats. Op verzoek van in Letterland schreef Alain Delmotte een persoonlijk in memoriam.

- door Alain Delmotte

Ziedend en met de slag van een stoothamer beukte Claus zich in mij in met volgende openingsverzen:

Ik ben niet, ik ben niet dan in uw aarde.
Toen gij schreeuwde en uw vel beefde
Vatten mijn beenderen vuur.

Zoals voor zovele lezers, was De moeder inderdaad het eerste gedicht dat ik ooit van Claus las. Ik was vijftien - in mijn nog jonge leven als lezer - en ik begreep niets van het gedicht, kon het niet situeren, maar me beetpakken, door en door, deed het wel. Het had iets huiveringwekkend. Het bracht me in de war. Het spande mijn longen op als ik het gedicht uitsprak. Het viel me aan met een overdaad aan zuurstof. De gedurfde, grauwende en knauwende beeldspraak schudde me hard wakker, hield me in die schok:

Haar gewrichten waren jonge katten.

En hoe kon ik nog op ongerepte wijze mijn ouders aankijken na het lezen van die onthutsende regels:

‘Je bent mij ontgroeid’ zegt zij traag mijn
Vaders voeten wassend, en zij zwijgt
Als een vrouw zonder mond.

Wat er aan de hand was, heb ik pas jaren later begrepen. Wat me als vijftienjarige meesleepte was uiteraard de bezwerende, vloekende vaart van die taal, die ik toen als een quasi antediluviaanse spraak ervoer (al kende ik toen het woord ‘antediluviaans’ aan geen kanten): aards, ruig, schor, taai en onwrikbaar. En bovenal: er was die rebelse ondertoon, de zeer ingehouden woede in de woorden. Woede die ik maar al te graag tot de mijne maakte. Ik leerde dat je met taal prachtig kon haten, wraak nemen, je iconoclastisch kon gedragen – zonder een vlieg kwaad te doen: wat wenst en verwenst zich een mens zoal niet als hij vijftien is en absoluut onredelijk!

Al deed de dichter zich in De moeder als een verloren zoon voor, ik begreep meteen dat die Hugo Claus geen verlozen zoon voor de poëzie was, maar een handlanger. Ja, hij brak ook mijn niet-lezersleven binnen. Hij werd voor mij een tijdje een held. Een model. Een icoon. Totdat ik nog andere dichters ging lezen (me er zo bewust van werd dat er andere poëticale opvattingen waren dan de zijne) en door de beproeving van ‘de jaren des onderscheids’ heen ging. Toen me willens nillens, met enige zurigheid niets anders te doen viel dan wat redelijker te worden. Ja, ik heb momenten van weerzin en verzet tegen Claus gehad. Totdat er een soort compromis en harmonie kwam, wat ervoor zorgde – niettegenstaande de kwaaie dagen - dat het nooit tussen ons tot een scheiding kwam. (Hetzelfde overkwam me met het werk van Nolens.)

De Claus die mij het meest aanspreekt, is dus de dichter Claus, de rebel, de provocateur, de stijfkoppige. De ezel 'Ambrosia’. Zijn proza heeft me minder begeesterd. Ik las ze wel, die romans, maar nooit drongen die zo diep in mij door als zijn gedichten. Voor zijn toneelstukken liep ik wat warmer. Waar zijn overigens die stukken van hem nu gebleven? Het lijkt wel of ze van de aardbodem zijn verdwenen – al geschiedenis zijn geworden. Evenwel, in de loop der jaren, decennium na decennium kwam het toch wel telkens weer op hetzelfde neer: zijn poëzie. Want de poëzie van Claus, die leeft.

Hugo ClausZo rap als tellen kocht ik met mijn zakgeld de Gedichten 1948 -1963, de vierde druk, 1972. Het werd voor mij - en voor lange tijd - het ultieme boek van Claus. Is het te wijten aan die legendarische voor- en achterflap dat ik De Oostakkerse gedichten het liefst in deze editie herlees? Is het jeugdsentiment? Is het fetisjisme? Is het een hol gebaar? Hoe dan ook, alles wat de poëzie van Claus voor mij aan hart en revolte slaat, was en is daarin terug te vinden. Wat niet wel zeggen dat ik de bundels van na 1963 maar niks zou vinden. Nee, ik ben niet een nostalgische Clauslezer, die heel zijn poëtische oeuvre tot die Oostakkerse gedichten wens te reduceren. Maar in die uitgave heb ik zoveel gebladerd, zoveel opgedaan, zoveel hardop voorgelezen, dat het voor mij meer is dan een boek. Het betekent voor mij een fractuur: zonder die teksten was ik hoogstwaarschijnlijk, in grote of in kleine mate, niet uitgegroeid tot wat ik nu ben. Het gaat mij dus meer dan om die weliswaar onvergetelijke teksten uit De Oostakkerse gedichten. Er is meer. Er is meer om zich te herinneren van Claus. Er is zich een leven aan Claus te herinneren. De poëzie van Claus heeft meerdere levens.

Ik improviseer nu even om u mijn eigen voorkeuren uit zijn poëtisch werk aan te geven. Dat wordt dan mijn manier om Claus te memoreren, om te manoeuvreren in dat machtig oeuvre.

Neem Een huis dat tussen nacht en morgen staat: de negen aanstekelijke oefeningen waarvan het zesde gedicht

De dag zit in zijn kooi,
en ik zit mijn hemd

bij lezing altijd op mijn tong begint te gloeien zodat ik het wel luidop moet voorlezen. Hoe rustig te blijven als je zoiets (voor)leest:

Ik zal de wind door de winkelramen gooien,
Hem opvangen en hem aan stukken treden
En hem naar de schele meiden gooien,
Die nooit tevreden in het vrijen zijn

En al die andere klassiekers uit die bundel: Je bent in Engeland, Romantisch, Ik schrijf je neer, Op de kaai, Caligula... Had Claus enkel dat geschreven, we hadden al een goeie reden om hem niet te vergeten.

Neem die fenomenale, opstandige beginregels van Tancredo infrasonic:

Genoeg zeg ik tegen het huis
Dat tussen nacht en morgen staat

Genoeg tegen het alfabet van zoethout
Tegen het tam en kleurig dier der klanken

Ik heb genoeg aan woorden gedacht
En dit gedicht is geen gedicht .

Neem Een geverfde ruiter, die kruising tussen wat de De Oostakkerse gedichten waren en wat de latere Claus zal worden. Een sterkere bundel dan doorgaans wordt toegegeven. Spreken. De dans. Het tweede gedicht uit de cyclus Zij dat ik ooit van buiten leerde:

Al is allang de wereld voor jou en mij
Domein van stekel en spons
nog rijden wij door dreven.

Van sterren genezen maar nog niet verslaafd
Aan de veelvuldige stilte
Verwarmen wij ons aan het eenvoudige weder

En spelen in het harig jaar
Alsof wij naar takken vol appels sprongen

...

In het teken van de Hamster is een eigenaardige tekst, een van zijn meest doorwrochte. Ik vond er niet echt mijn weg in. Een tekst met bizarre passussen die me blijven intrigeren.

Laster niet
Zonder reden.
Dus laster wel.

Ik hou van de publieksdichter Claus! De Claus van het Bericht aan de bevolking en van wat hij samenbracht in Van horen zeggen. Daaruit blijf ik me hardnekkig de Suite flamande herinneren. Een bed te Brugge:

Ik werk in de Produits Chimiques, Meneer,
in de langzame dood.
Na tien jaar mag je daar op pensioen
Vanwege het gas in je balg.

Ik ben al veertien jaar, Meneer,
Nu al twee jaar als chauffeur.
En in die twee jaar heb ik niet een keer moeten overgeven,
Vanwege de verse lucht’.
...

In de jaren zeventig ontpopt Claus zich als een mediagenieke dandy. Een nar vol zelfspot. Een meesterlijke ironicus, een poseur, superieur in arrogantie. Zijn werk wordt dan, zoals bekend, een erg dubbelzinnig, venijnig, soms blasfemisch, zowel intertekstueel als intratekstueel weefsel. Allerlei taalidiomen laten zich door hem orchestreren. Een geraffineerd maskerspel: de kunst van het mijden en ontwijken, hink-stapspringen tussen nonchalance en hoogdringendheid. Verschillende toonaarden en stemmen laten zich vermoeden – maar welke toonaard, welke stem is nu echt die van Claus? Natuurlijk is Claus al die stemmen samen. In zijn extremiteit horen we enerzijds een eerder maniëristische stem, anderzijds een op de volkstaal geënte stem. Het precieuze en het platte. En meer dan eens een mengvorm van die twee. Dit resulteert dan in alles van elkaar verschillende teksten als Het graf van Pernath en Drie Vlaamse emblemata, beiden te lezen in De wangebeden. Die erg plebejische emblemata vinden we in de Verzamelde gedichten 1969/1978 terug, maar ontbreken in de latere verzameledities. Het montere, het minerale en animale van de Oostakkerse periode raakt Claus hiermee grotendeels kwijt maar hij wint er aan virtuositeit bij. Een door mij zeer gewaardeerde cyclus als Hecate spreekt is daar een van de voorbeelden van. Uit de bundel Figuratief onthoud ik steevast het laatste gedicht:

Zij zeggen dat ik blind ben van jou.
Het zal wel.

Alhoewel het meestal heiig is als ik graai
Naar waar ik jou hoor blazen

En vaak verkoelt de wind uit je mond
Terwijl ik kus.

Je zei: ‘Laat mij je hoer zijn,’
En ik: ‘Wat ben ik dan?’

Je zei:’Drie keer raden’.

Ik raadde een ogenblik,
Een wens, een mogelijkheid.

En wist: een waakvlam,
Een zolder vol lompen,
Ja, een feestelijke lommerd.

En voor de anderen, en dat waren er niet veel,
Een loopkever
Even scharrelend in hun haren,
Een kriebeling, met moeite een adem.

Tja, die feestelijke lommerd doet me dan weer denken aan wat hij jaren later zal schrijven in het beroemde veertiende sonnet uit Sonnetten:

En lach om wat ik was, onder meer
Het gesnurk in de bioscoop,
De onderbroek die steeds afzakte,

De debiele grap en de logge loop
Naar jou keer op keer
Toen ik je nu warme weelde pakte.

In 1982 verscheen Almanak – die een van mijn favoriete bundels zal worden. Op het eerste gezicht lijken de 366 knittelverzen een collectie flauwiteiten. Dat is zo: maar het zijn subtiele, geslepen, geladen en gelaagde flauwiteiten. In dit boekje vol geveinsde keutelachtigheid vallen pareltjes voor de zwijnen te rapen. De taal is ongegeneerd vettig maar in zijn complexiteit erg soepel. We lezen er een van Claus mooiste gedichten, Jan de lichte:

Er is een werkwoord: verlangen,
Dat leerde mijn moeder mij,
Ik liep aan haar hand op de markt van Aalst
En herhaalde: ‘verlang, verlangde, verlangd’
En ik zag mijn nek al ellenlang uitgerekt,
‘gehang, gehangde, gehangd’

en mijn bestaan was
naar die vermaledijde markt te gaan
en daar te wachten en te staan.

Groot en inventief vakmanschap: Claus is de dichter die ‘in extremis’ wist te rijmen met ‘zeevis’.

Een jaar na het verschijnen van Leugenzak (ondertitel van Almanak) verscheen Het verdriet van België. Daarmee verdween de bundel in het niet. Ik meen mij een interview te herinneren waarin Claus klaagde (klaag - klaagde –geklaagd) over het feit dat Almanak nauwelijks was besproken. Of dit klopt heb ik niet nageplozen. Ik stel vast dat hij in de verzamelde gedichten van 1994 die bundel grondig herschikt en hier en daar, zij het met een kleine touch, herschrijft. Is het dit zogenaamde gebrek aan aandacht dat aanleiding is geweest tot het schrijven van het opmerkelijke en robuuste, door mij al tientallen keren herlezen gedicht Envoi? Claus op zijn grootst.

Genoeg. Nog twaalf regels lang op dit blad
Hou ik ze de hand boven het hoofd
En dan krijgen ze een schop in hun gat.
Ga elders drammen, rijmen van een cent,
Elders beven voor twaalf lezers
En een snurkende recensent.
...

Het gedicht stond in Alibi (1985) te lezen en sluit de twee laatste edities van de verzamelde gedichten consequent af.

Hugo ClausZoals gezegd: niet altijd was het koek en ei tussen mij en het werk van Claus. Er waren inzinkingen. De sporen is een bundel waarin ik me nooit heb thuis gevoeld – op het gedicht Broer na. Ik had er een beetje genoeg van. Genoeg van het monument dat smalend tussen media en herdenking na herdenking stond. Genoeg van de heer en meester die zich om de vijf jaar liet fêteren in Watou. En plots was er een onverwachte opflakkering van bewondering in 1998 met de publicatie van Oktober ‘43. Ik herinner mij uit die dagen gesprekken met dichters die op dat boek neerkeken. En ik herinner mij eveneens een mooie bespreking van Brems. En uitzonderlijk was ik het met Brems eens: het is sterk en beklemmend werk.

De bommenwerpers dalen.
Hoor ze grommen.
Loop niet zo ver van mij
In deze verraderlijke mist.
Al scheiden ons maar drie meter,
Ik heb je al drie keer gemist.
Mijn blik is bewasemd als mijn bril.
Kom naast mij lopen,
Met je elleboog tegen mijn ribben.
Kom zo dicht als kan.
Zoals straks in onze kist.

Beken ik hiermee mijn voorkeur voor de wat volksere Claus? Blijkbaar wel. Van Claus heb ik geleerd dat mijn onbeschaafd Nederlands, mijn zompig Zuidwestvlaams, mijn bangelijk Kortrijks, toch wel wat waard is. Als ik hem lees, hoor ik mijn buren wel eens ‘kouten’ in die gedichten.

Kortrijks

Vuilblek is gaan zanten.
’t Stof schiet in ons kelegat.
De kobbejager lacht
In de menage van Vuile Jante.

Maar dat Claus nu toevallig een stadsgenoot van mij is, heeft niets met mijn bewondering voor hem te maken. Ik genoot wel van het feit dat hij ooit op een heel hautaine manier het ereburgerschap van de stad Kortrijk heeft geweigerd. Over Kortrijk schreef hij ooit: ‘die intellectuele woestijn; die triomf van de pretentieuze middenstand: Kortrijk. Het Kortrijkse gezicht (dat ik draag) bevalt me niet.’

Ik verklap geen geheim: het mythische is een constante in zijn werk. Maar was de kern van zijn dichterschap in zijn jonge jaren te zoeken in zijn immense beeldkracht, de kracht, de grandeur van de latere Claus zoekt men in zijn luciditeit. Scepsis, relativiteit, ironie. En hier en daar wat cynische aanhaligheid. Hij weet er grimmig en toch zeer speels mee om te springen. Claus heb ik ooit eens onze Jude Stefan genoemd: een schepper van wat een poëzie zonder illusies zou moeten zijn – wat zelf dan weer als een memorabele illusie uitvalt. Vooral in zijn liefdesgedichten bereikt hij daar prachtige effecten mee: zijn taal klinkt nooit moe, zit vol frisse arabesken, en sneren, en ritmes, en grappen, en grollen. Valse of flemende sentimenten zijn er niet in terug te vinden. Geen zoethout. Zelden komt die voortdurende, voorspelbare koppeling tussen Eros en Thanatos in zijn liefdesgedichten als routineus en/of verkrampt over. Uit Steeds:

Soms zie je het Kasteel van de Liefde
als weerschijn in een poel,
als gril en geklater, als gewillige splitsing,
onverklaarbaar welig
en zoals wij in de zware rimpeling
onverstaanbaar naakt.

De verschijning wordt gered, één tel
als waar ervaren
als wij overeenkomen met wat wij durfden
verwachten,
overeind in dat water, ooit gedempt.

Gelukkig gaat het de lucht in, ons luchtkasteel,
Vaarwel, en laat het ons achter
Op veilige voeten scharrelend,
Beiden gelukkig gehalveerd en beiden weer
In de geur van de schoorvoetende dood.

Wat onthield ik van de laatste bundels Wreed geluk, In geval van nood en Flagrant? Die eerste twee bundels zijn toch nog samen goed voor zo’n driehonderd bladzijden in de verzamelde gedichten 1948 - 2004. Ze zijn me minder vertrouwd - op Oktober ‘43 en Zeezucht (de goedkoopste dichtbundel ooit, want de plaquette was gratis te verkrijgen!) na. Naar aanleiding van zijn overlijden en het schrijven van dit stuk, heb ik ze herlezen. En ik moet bekennen dat ik die bundels toch wel wat heb onderschat. Bijvoorbeeld het laatste gedicht uit In geval van nood, Apollinaire revisited, is een briljante antifoon bij La jolie rousse van Apollinaire, het afsluitende gedicht uit Calligrammes. Een gedicht waaraan Claus tot in Flagrant blijft prutsen.

Apollinaire geloofde
in zijn horoscoop
ik in de uitverkoop
van wanhoop

Gedichten als Oostende, Verdwaald liedje, Behoud zijn teksten die inderdaad al hun eigen weg in allerlei bloemlezingen zijn gegaan. Maar zelf werd ik onverwacht getroffen door Die lach een in memoriam gedicht voor Bert Schierbeek. Ik geef het gedicht hieronder integraal weer. U moet het eens rustig lezen en dan herlezen en dan eens luidop lezen. Herinner u wat u zich misschien van Schierbeek herinnert. Of Schierbeek effectief zo hard kon lachen, kan ik niet bevestigen maar het zou me niet verbazen. Het is voor mij niet alvast de kern van het gedicht. Herinner u vooral Schierbeek’s pregnante bundel De Deur (geschreven naar aanleiding van de dood van zijn vrouw die in een auto-ongeluk omkwam). Herinner u daarin het gedicht dat begint met:

maar we zouden niet vergeten dat
we hebben gelachen, gelachen hebben
we veel en dat zal ik niet vergeten

Vergeet daarentegen al het ‘gezwets’ uit die interviews met Claus. Geestig en verleidelijk allemaal: vergeet niet dat het tot het mediaspektakel behoort. (Zijn publieke uitspraken zijn alvast niet het fundament van zijn gedichten. Het zijn getalenteerde uitspraken in de marge. Leuk, ludiek, spits, bij de pinken etc. maar ik kick er niet op. Zijn gedichten, daarentegen, ‘zwetsen’ niet. ‘Zwetsen’ nooit.) Misschien mag u naar aanleiding van dit gedicht ook eventjes niet Chlebnikov vergeten. Zijn Incantation of Laughter, hoor ik hier naklinken. Niet als feit maar als mogelijkheid: ‘slim’ en ‘sluw’ liggen altijd in elkaars nabijheid in het werk van Claus. Dat heeft met het al genoemde maskerspel te maken. Blijf op de loer als je Claus leest! Maar lees dit gedicht. Laat het in u opvlammen, laat het opstandig zijn, een bron van rep en roer. ‘Een melodie van kwetsuren’. Een zichzelf vervloekende lachfuga. Een taal van afrasteringen, van verbrande aarde, van verweer. Poëzie is voor mij (en dankzij Claus) verweer. En dat is kranig, bot, onverbiddelijk. Weerbarstig. Zolang de lectuur van zijn poëzie me weerbarstig blijft: tot zolang leeft mijn Claus voort.

En als u zich in die schommelingen tussen vergeten en herinneren een weg weet te banen, dan herkent u in dit gedicht de Claus zoals hij waarschijnlijk was toen hij zijn eerste gedicht schreef: een razende hond, een onbeschofte angry young man, een zeer gekwetste die zich levenslang in de uitslaande branden van de taal waagde.

Vertel, vertel over zijn lach

Hij registreerde de beweging
van schaduwen
met een lach

Hij onderging bedrog
en antwoordde met die lach

Het smakeloze van wanhoop
daar lachte hij om

Met zijn lach
eerde hij de dromen
van zijn vrienden

Hij reisde, schreef, wandelde
en wankelde zoals wij allen
Wij die vallen zonder zijn lach

Hij keek naar links
en hij keek naar rechts
bij dat gedoemde kruispunt

Die lach? Geen brulboei
geen gedaver in het kadaver

Aanverwant aan de lach:
de verbijstering

Het dagelijks bomtapijt
over de planeet
de lach van de walg

Zijn lach huppelde op één been
De lach een melodie van kwetsuren

Het lawaai
van onze folianten
zijn taal lachte

Herinner je Het boek ik
De lach als verbazing, echo, triomf

Hij vluchtte niet. Nukte niet
Hij lachte van ellende

De medeplichtige blik
die lachte
met ons, door ons

Schoorvoetend in de basiliek
renden wij toen weg
met de slappe lach

In de Bijbel
loopt geen lachende kat
Het gesis
van de koffiezetmachine
dat is zijn lach

de beweeglijke meetkunde
van een lach

Hoe vlekkeloos het werk van Claus nu in werkelijkheid is, dat zal de tijd moeten uitmaken. Ik wil hier niet schreeuwerig doen: of dit poëzie voor de eeuwigheid is, dat weet ik niet. Ik had ooit een leerkracht die zweerde bij Van de Woestijne. En inderdaad: Van de Woestijne schreef prachtige stukken. Maar het was zo ver van mijn bed, ik kon er niet mee leven – tenzij sporadisch, in fragmenten, in scheervlucht. Met Claus heb ik kunnen, nee, moeten leven en zal ik blijven leven. Ik kan me evenwel inbeelden dat een volgende generatie daar totaal anders over denkt. Van een ding ben ik wel overtuigd: hij blijft ‘incontournable’. Even onvermijdelijk als Van de Woestijne, Van Ostaijen, Gilliams - voor elk zichzelf respecterende lezer van Vlaamse poëzie. Er is een tijd voor en er is een tijd na Claus. Of met zijn dood de Vlaamse poëzie dood is? Vergeet het, niks van: de aflossing van de wacht is er. Nolens waakt al langer. En Hertmans. En Mortier. En een hele resem jonge dichters volgen. Misschien hebben we die zekerheid wel aan de kracht van Claus’ werk te danken.

Reacties

Laat een reactie achter

Feeds

  • klik hier voor het allerlaatste (literatuur-)nieuws


    > Meer feeds...

Zoeken

  •  

Laatste reacties

Colofon

Advertenties