« 8 X 2 piepjes | Hoofdmenu | Roep-moe. Of: mijn wilde avonturen met moslims »

Awater, winter 2008

- door Olaf Risee

In het laatst verschenen nummer van Awater:

- een interview met Tjitske Jansen: "Een tijd lang was ik bang dat ik cynisch zou worden. Dat ik niet meer zou geloven dat het goed zou komen en geen vertrouwen meer zou hebben in de mensen. Dat ik wel altijd een soort praatje klaar zou hebben en zou weten wat ik moest zeggen, maar dat het nooit echt zou zijn. Dat wilde ik niet. Iemand zei me dat hij naïef gebleven was, en ik dacht: dat wil ik ook! Weer naïef worden, weer onschuldig worden. In plaats van spelen dat ik volwassen ben. Dat is allemaal onderdeel van het verlangen om een zo persoonlijke bundel te maken als Koerikoeloem is geworden. Er moest iets op het spel staan, het moest er toe doen. En voor mij doet het er toe dat ik me zo kwetsbaar maak. Dat ik zonder schaamte mijn verhaal kan vertellen. De schaamteloosheid is overigens in de eerste plaats een schaamteloosheid naar mijzelf toe. Het boek is inhibitionistisch en niet exhibitionistisch. En het is natuurlijk wel zo opgeschreven dat het poëzie is. Wat dat verder dan ook precies inhoudt. (...) Uit optreden met mijn gedichten put ik kracht. Wanneer ik poëzie voorlees, word ik iemand anders. Toen ik voor de eerste keer moest voorlezen, in café Festina Lente in Amsterdam, waar al jaren poetry slams worden georganiseerd, was ik heel zenuwachtig. Omdat ik wist dat ik er iets teweeg kon brengen, iets dat meer dan alleen maar goed was. Ik kan veel dingen niet, maar dit kan ik, wist ik."

- een interview met René Huigen: "Ik heb met Steven! een lang gedicht in jambische pentameters geschreven. Dan dringt de poëzie zich op een heel andere manier aan je op dan wanneer je je alleen bekwaamt in het schrijven van vrije verzen. Paradise Lost van Milton heeft mij daarbij geïnspireerd. Een weergaloos, deugdelijk werk, vind ik, dat getuigt van een beheersing die ik zelf ook nastreef. (...) Ik las ergens dat de klassieke dichters een gemiddelde van vier verzen per dag haalden. Ovidius haalde er acht. Met een gedicht van 1300 verzen ben je dus een jaar bezig. En iedere dag van de week zuigt het gedicht aan je, een jaar lang vraagt het gedicht om je aandacht en moet je de concentratie en het technische vermogen in jezelf vinden. (...) Ik wil stelling nemen tegen het eigenaardige idee dat je voortdurend maar de willekeurigheid van het teken moet beproeven, teneinde het identiteitsbeginsel omver te stoten dat zegt dat a a is. Morrelen aan de taal kun je niet oneindig blijven doen. Op een gegeven moment is alles afgebroken, en weet niemand meer waarover het gaat."

- een kort interview met voormalig minister van Binnenlandse Zaken en ex-burgemeester van Rotterdam Bram Peper: "Ik zou liever meer gedichten consumeren dan ik nu doe. Maar om dat achter elkaar door te lezen, dat valt me toch wat zwaar. En daarnaast moet ik zeggen - en dat ligt volledig aan mij - dat ik het soms allemaal wat vergezocht vind. Te ontoegankelijk voor mijn smaak. Lars Gustafsson, Joseph Brodsky, Leo Vroman, Remco Campert, daar hou ik van. En Szymborska, haar gedicht Alles dat is zo... ja, dat... daar moet je dichter voor zijn om dat uit te leggen. En natuurlijk het werk van mijn goede vriend Gerard Reve. Van hem mogen ze wat voorlezen op mijn begrafenis."

- een opiniestuk van F. Starik waarin hij reageert op de eerder verschenen stukken van Ron Rijghard ("Ik heb een dichter nodig") en Ilja Leonard Pfeijffer ("Het nut van de poëzie") en pleit voor splendid communication: 'Amateurdichters schrijven altijd over zichzelf, over de bekende gevoelens, maar doen dat altijd voor of om iemand anders, om iets duidelijk te maken, ze gebruiken het gedicht als transportmiddel, niet om de taal zelf. Amateurschilders beelden op diezelfde wijze altijd iets herkenbaars af. Daaraan danken wij de huidige veroordeling door de elite van 'het figuratieve'. Tegelijkertijd echter is de figuratie de enige manier om de figuratieven te bereiken: je moet dat uitdrukken wat ze zelf niet lukte, je moet net één stap verder durven denken dan ze zelf al hadden gedacht. Eén stap. Niet tien stappen. Niet plots in woede ontsteken en in tongen gaan spreken. Kan grappig zijn hoor, verder niks op tegen, maar werkt niet, communiceert niet, en wij moeten communiceren, willen wij een publiek bereiken. (...) We kijken consequent de verkeerde kant op. Ik zal u een ander voorbeeld geven, een moment van betoverende schoonheid, van transavant-gardist André Rieu, u weet wel, die weerzinwekkende Stehgeiger met zijn laffe walsen, die nergens op uit lijkt te zijn dan een zo massaal mogelijk publiek te behagen. Hij bedacht een nummer waarbij zijn publiek een bekertje water kreeg uitgereikt en daarmee geacht werd op aanwijzing van de concertmeester min of meer ritmisch met de muziek mee te gorgelen. Gorgelen doet men thuis, na het tandenpoetsen, in de beslotenheid van de badkamer, iets dat men liefst in afzondering voltrekt, hooguit in het bijzijn van de geliefde, met wie het al lang niet meer taboe is om in elkaars gezelschap een wind te laten. Maar hij krijgt het voor elkaar. Hier stond een heel stadion vrijuit te gorgelen, samen en ieder voor zich, allen in vervoering van de kleine bevrijding die hen dat opleverende, de grootse, innerlijke ruimte geschapen door dat idiote, massale gegorgel, dat bovendien een prachtig geluid voortbracht, een soort van doodzieke ritmesectie, die door haar noodzakelijke traagheid de muziek bijna tot stilstand bracht. Tot het uiterste minimum werd bereikt, en de zaal zelf de muziek maakte, bijna atonaal, vreemde, opwindende, bevrijdende muziek. Hij verleidt. Hij tilt op. Hij laat zijn publiek iets doen dat het van zichzelf niet verwacht. Hij is een meester van de overgave, de euforie. Zeker, hij vertrekt vanuit de meest afgesleten clichés, maar hij weet wat hij doet: hij vertrekt. André Rieu is de nieuwe avant-garde. Hij blijft ons altijd één stap voor.'

- een inleiding op het werk van Billy Collins door Ron Rijghard: 'Zijn durf en talent hebben Collins tot een veel gevraagd, veel onderscheiden, goed verkopend en goed besproken dichter gemaakt. Van zijn acht bundels tot nu toe zijn ruim 250 duizend exemplaren verkocht - ook in de V.S. is dat enorm. In 2002 en 2003 was hij de Amerikaanse Poet Laureate (de Dichter des Vaderlands) en in 1994 koos het gerenommeerde tijdschrift Poetry hem tot 'dichter van het jaar'.'

- een reportage over WordScape, een column van Rob Schouten, een bespreking van het gedicht Aan F. van Eeden van Albert Verwey, nieuwe gedichten van Robert Anker en Sylvia Hubers, de jaarlijstjes en De Woordlijst, en zoals gebruikelijk veel recensies.

Reacties

Laat een reactie achter

Feeds

  • klik hier voor het allerlaatste (literatuur-)nieuws


    > Meer feeds...

Zoeken

  •  

Gedicht, Gehoord, Gezien


  • Deze rubriek wordt voorlopig niet bijgewerkt.

Laatste reacties

Colofon

Advertenties