"Godzijdank weer pauze" - Starik bezoekt het Gedichtenbal
- door F. Starik
We worden vroeg verwacht, vanavond, het bal moet al om zeven uur beginnen met wat aangekondigd staat als het voorprogramma: het afscheid van Adriaan Jaeggi als stadsdichter. Marcel Verreck, de presentator, heeft voor de genodigden op het podium een rijmpje gemaakt, ‘op zijn RURs’ noemt hij dat. Dus Adriaan Jekkie verliest zijn Plekkie. Gerrit Komrij, daar voel je je Dombij. Het rijmpje op Bart Moeyaert beklijft niet, net zo min als dat op gespreksleider Marc Verstappen, de baas van het Weerwoordfestival. Moeyaart vertelt over zijn avonturen als stadsdichter van Antwerpen, herinnert zich voor alles de schrik die hem om hart sloeg op het moment dat hij geïnstalleerd werd, als opvolger van Ramsey Nasr. Dan moet je weten dat Ramsey geen bijzonder lange jongen is, hij meet amper één meter zeventig. Het dichtertje ging volledig schuil achter een haag van cameramensen, die zich dadelijk naar Moeyaert zouden omkeren: pas op dat moment besefte hij ten volle dat hij aan iets groots en verschrikkelijks was begonnen. Terugkijkend, hij staat dezer dagen zijn plaats af aan Joke van Leeuwen, vindt hij vooral dat hij de stad ‘veel te veel heeft laten komen.’
Jaeggi constateert dat er hier vanavond toch ook al vier camera’s zijn gesignaleerd, mobiele telefoons niet meegerekend. Van achter uit de zaal zie ik inderdaad een fotograaf rondlopen, en even later arriveert ook Nieuw Amsterdam-tv, de zender, die zijn eigen uitgever begonnen is die je op de site van de uitgeverij kunt bekijken. Dan mag Komrij vertellen over ‘de ongelofelijke pech die hem overkomen is’, zijn aanstelling als eerste Dichter des Vaderlands. Met zijn vertrek is die functie ‘volledig ingezakt’, al gelooft hij wel dat er ergens nog iemand moet rondlopen die de functie tot op de dag van vandaag vervult, ‘met volstrekt inwisselbare rijmpjes op de dood van bekende mensen, hè, versjes die op iedere dode van toepassing kunnen zijn’. Het enige positieve aan zijn functie van Dichter des Vaderlands was, dat waar men hem voorheen verzocht om een vers te schrijven en daar kon men hem dan 150 euro voor geven, men nu ineens tweeënhalf duizend bood, waarop Komrij dan repliceerde: voor vijfduizend kan ik dat wel doen, en dan zei men: ‘okee’. Maar die malle Komrij heeft er wel wat van gemaakt, van zijn functie: hij heeft ons de Poëzieclub gegeven, het tijdschrift Awater.
Nu las ik een paar dagen geleden toevallig een interview met de huidige Dichter des Vaderlands, die zich uiterst tevreden betoonde met zijn functie, het idee had dat hij inmiddels volledig was geaccepteerd, en wat kan hij zich meer wensen? "Ik heb het er flink druk mee", vertelt hij. "Drie à vier keer per week treed ik op en daarnaast krijg ik veel opdrachten voor gelegenheidsgedichten. Ik zal niet in een zwart gat vallen als het straks afgelopen is. De ex–Dichter des Vaderlands is ook iemand. Kijk maar naar Gerrit Komrij."
Dan mag Jaeggi vertellen hoe hij aan het stadsdichterschap van Amsterdam invulling gaf: het eerste jaar, vertelt hij, ‘was ik vooral bezig met overal vertellen dat er een Amsterdamse stadsdichter was aangesteld’, het tweede jaar ging al even rap voorbij met de mededeling dat hij dat was, die stadsdichter. Ach, je moet het allemaal zelf uitvinden. Het meeste plezier beleefde hij nog aan zijn afscheidstournee, waarbij ‘gewone Amsterdammers’ hem konden uitnodigen een gedicht te komen voorlezen, waarbij hij bijvoorbeeld op een verjaardag terechtkwam, een piepklein verjaardagje dan: er waren alleen twee jongens. Of het dan bij het voorlezen van een gedicht gebleven was, informeert Komrij nieuwsgierig, en ja, dat was het.
Daarnaast produceerde Jaeggi in de twee jaar van zijn stadsdichterschap toch maar mooi achttien gedichten, die bij zijn afscheid zijn gebundeld in een boekje, Het is hier altijd laat van licht. Het boekje wordt bereidwillig door Verstappen in de lucht gestoken. Daarin zijn ze allemaal te vinden. Er kwam een gedicht voor de Stadsspelen 2006 ‘een initiatief van Amsterdammers die allemaal vinden dat het hoog tijd is voor meer positieve interactie in de stad’, een gedicht dat op een vaas werd overgeschilderd, met een fout erin. ‘Mijn goedkopen naam’ kwam er op de vaas te staan, die werd geveild voor het goede doel, niet nadat de organisatie de dichter vergeefs had verzocht die goedkope naam te vervangen door ‘des stadsdichters naam’ in de veronderstelling dat de vaas daar meer waard van zou worden.
Er kwam een gedicht ter gelegenheid van de Intreeweek voor nieuwe studenten aan de UvA, voor de opening van de Week van de poëzie, ter viering van het bereiken van het hoogste punt van de nieuwe bibliotheek op het Oosterdokseiland, een gedicht speciaal geschreven voor een Stadsdichtersavond in het Parool-theater, dat werd voorgelezen aan een gehoor van zes belangstellenden, inclusief het personeel van het theater. Er kwamen drie gedichten bij eenzame uitvaarten, er kwam een gedicht over de Bilderdijkstraat, bij de herdenking van de geboortedag van Bilderdijk, dat in de Grote of St. Bavokerk te Haarlem werd voorgelezen en een gehoor van vijfhonderd belangstellenden trok.
En toen de nieuwe bibliotheek werd geopend, kwam er een gedicht dat op 100.000 linnen tasjes, 250.000 plastic tasjes en duizend muismatten werd gedrukt, waarbij het verzoek van de organisatie om de titel van het gedicht, ‘Gebed’, te vervangen door ‘Ode aan het boek’, wel door de dichter werd gehonoreerd. Niet iedereen wil bidden. Logisch. Er kwam een gedicht voor IJburg en tenslotte een gedicht over gevolgen van het smelten van de ijskap: ‘Alleen de vissen in Artis. Die waren blij.’
Het gesprek aan de tafel op het podium waaiert uit over het veronderstelde dedain dat over het schrijven van gelegenheidspoëzie zou heersen. ‘Ach’, meent Komrij, ‘tenslotte is alles een gelegenheid.’ Moeyaert leest een paar fijne stadsgedichten voor, Jaeggi kiest met iets minder gelukkige hand uit zijn gelegenheidsverzen, Komrij doet zijn verzen zoals alleen Komrij dat kan. ‘Volgens mij’, merkt Catharina Blaauwendraad op, ‘heeft hij dezelfde spraakleraar als de koningin.’ Dan is een kleine pauze, waarbij de bar die tijdens het programma angstvallig gesloten werd gehouden, eindelijk opengaat, teneinde de dorstigen te laven. Heel veel dorstigen vallen er overigens niet te laven, ondanks het ruimhartig strooien met uitnodigingen door de organisatie - dichters gratis toegang - stroomt de zaal pas na de eerste pauze tot nauwelijks halfvol.
We zijn natuurlijk benieuwd naar de VSB-nominaties. Verrassend: Christine d’Haen. Marcel Verreck probeert heel deftig een gedicht uit de genomineerde bundel voor te lezen, en bekent dan dat hij deze poëzie misschien niet helemaal begrijpt, of beter: helemaal niet. Dat hij er niets van snapte, wat hij nu eigenlijk heeft voorgelezen, was te horen: er valt geen touw aan vast te knopen. De juryvoorzitster mag uitleggen wat er allemaal voortreffelijk aan is. Taalspel, mompelt ze, verwijzingen, en: ‘dit is eigenlijk hele ouderwetse poëzie’. Wanneer ze de lach uit de zaal opmerkt, preciseert ze: ‘traditioneel’. Anne Vegter, bij de critici al favoriet, mag haar eigen gedichten voorlezen. Ze helpt haar voortreffelijke gedichten doeltreffend om zeep met een dodelijk ongeïnspireerde voordracht, die gaandeweg steeds langer lijkt te gaan duren. Jacques Hamelinck mag een ‘verrassende keuze’ worden genoemd. Hij lijkt zich onnoemelijk te vervelen bij zijn voordracht. En wij ons ook. Wat hadden we daar graag Van Dixhoorn in de plaats gezien, die zijn op papier gortdroog ogende gedichten tot een hilarische luisterervaring weet om te smeden. Hamelinck spreekt over de kleurstelling van de arabesk. Verdomd interessant, maar gaat u verder. Willem Thies draait zich om en vraagt: ‘met alle respect, maar wie is dat?’ Komrij moppert: ‘nepdichter’. ‘Toen ik zeventien was, was hij wel een held hoor’, probeer ik nog, maar Komrij is onverbiddelijk: ‘en toen ik achttien was wist ik wat een aansteller dat is. Dit is de poëzie waar ik altijd tegen gestreden heb’.
Er wordt gegiecheld. De meligheid slaat hard toe in dat lawaaiige hoekje bij de bar, die onverbiddelijk gesloten blijft. Ik geef Willem Thies onverwachts een harde schop, in de hoop hem een mal kreetje te ontlokken, maar ik schop niet hard genoeg, want er komt geen mal kreetje, hij schrikt niet eens. Iemand zegt: ‘Als Koefnoen een dichter zou nadoen, dan kreeg je dit.’ Iemand anders gaat op zoek naar een bar. Er is bij gerucht vernomen dat je in de kelder drank kunt halen. Blaauwendraad herinnert zich een grapje over poep, dat ze nodig wil vertellen. Florence Tonk daalt in de kelder af. Nolens dan. ‘Je maakt ons zenuwachtig met je plichtsbesef’, vindt Komrij, die alweer sterk toe is aan een nieuwe drankronde. Nu is het Adriaan Krabbendam die in de kelder afdaalt. Ik hou van Nolens. Fijn stemgeluid ook. Ook hij rekt zijn voordracht onnodig lang uit. En die politieke gedichten behoren, nu ja, wat mij betreft, nu net niet tot de hoogtepunten in zijn rijke oeuvre. Dan moet ik misschien maar eens de kelder in. Jan Baeke lukt het zijn voordracht dragelijk te houden, leest duidelijk, kalm, ingetogen, ernstig, en overschrijdt als enige niet zijn opgegeven tijdslimiet. Vijf minuten, had de organisatie gezegd. En in sommige gevallen kunnen ook vijf minuten al behoorlijk lang duren, vooral als het er tien worden.
Dan is er Godzijdank weer pauze. Er hoeft niet langer afgedaald. Van alle kanten komen ze, de drankjes. ‘Wat een drama van een avond’, zucht iemand, ‘dit is toch geen bal? Dit is de hel.’ ‘Hoe vind jij het’, vraag ik aan het meisje van de marketing. ‘Ik zeg niks,’antwoordt ze, ‘anders schrijf jij dat op.’ De zaal begint zo langzaamaan toch aardig vol te stromen, voornamelijk met dorstige dichters, die hopen dat het programma onderhand wel eens zal zijn afgelopen, maar we moeten verder. Stijn Vranken, een superkoele Belg, mag proberen om de zaal weer stil te krijgen. Dat lukt hem. Daar staat nu eens echt iemand, een dichter waar je wel in geloven wil. Nergens voor genomineerd verder, volgens mij staat zijn debuut nog op het punt van verschijnen. ‘Kijk, die afwezigheid daar, dat is een deur.’ Eindelijk. De loodzware ernst wordt ingeruild voor zelfrelativering. Er mag gelachen worden. Deze dichter bekent dat hij ‘onder zware genetische druk’ staande, een tijdlang ‘ongewild eenzaam’ is geweest. Dat lucht op.
De nieuwe stadsdichter, door de scheidende stadsdichter Barre Knoert genoemd, wordt aan het volk gepresenteerd en blijkt gewoon Robert Anker te heten. Hij heeft zich in ieder geval voorgenomen om gewoon goede poëzie te blijven schrijven, als stadsdichter. Hij zal geen verzen op bestelling bakken, bij gewonnen voetbalwedstrijden of het op ongelukkige wijze ten val komen van een wethouder, want hij is en blijft autonoom. ‘Vraag de dichter niet om tranen.’ De wethouder van het stadsdeel dat gekomen is om de oude uit te zwaaien en de nieuwe te begroeten, mag enkele goede voornemens uitspreken: ‘we zullen deze stadsdichter eens goed gaan begeleiden.’ Ze vraagt een hartelijk applaus. Voor de media, besluit Verstappen de avond, na een lange lijst huishoudelijke mededelingen, waaronder de constatering dat stadsdichters grote plannen hebben en dat er veel geld voor nodig gaat zijn, terwijl de Raad voor Cultuur de hand angstvallig op de knip houdt, voor de media dus is er na afloop van de plechtigheid in de kelder gelegenheid de stadsdichter te ontmoeten, te interviewen, vast te leggen. Gelukkig is Nieuw Amsterdam-tv er nog, om aan die dure plicht te voldoen. Maar nu de bar in de zaal geopend is, daalt niemand meer af. Het barmeisje in de kelder voert een telefoongesprek. Er zit een man alleen aan een tafeltje te roken.
Reacties