Möchten Sie wissen, wie Sterben ist? - inleiding bij Anne Vegter
Vadem is een avondvullend programma waarin één dichter centraal staat. Het uitgangspunt van de avond is een goed geïnformeerd en inhoudelijk gesprek met een hedendaagse dichter. Op 11 december jl. gingen Jan-Willem Anker, Tsead Bruinja en Thomas Möhlmann dieper in op het werk van Anne Vegter, van wie recentelijk de bundel Spamfighter verscheen.
Vadem wordt mogelijk gemaakt door Athenaeum en Spui 25.
- door Thomas Möhlmann
‘Een gesprek naar aanleiding van het verschijnen van een poëziebundel’, liet onze gast van vanavond, wier nieuwste, derde bundel we hier in één moeite door ten doop houden, zich eens in de Volkskrant ontvallen, komt op haar over als ‘een verkapte vorm van stervensbegeleiding’.
Van harte welkom dus, dames en heren, bij wat mogelijk een wat macabere zesde aflevering van Vadem zal worden. Eén blik op de voorkant van Spamfighter, gesierd door een omgekeerd doodshoofd van Gerhard Richter, is eigenlijk al voldoende om ons te verzekeren dat de dood vanavond niet steeds veilig heel ver weg zal blijven.
Vijfentwintig van de 150 Fragebögen (of: ‘Lastige vragen’) die ik me wel eens door de ruim zestien jaar geleden overleden Zwitserse schrijver Max Frisch laat stellen, hebben betrekking op de dood. Het zijn stuk voor stuk vragen waar je zelf lang op kan sabbelen, en die tot mooie uitspraken van een ander kunnen leiden, als diegene er tenminste de tijd voor heeft en neemt. De eerste luidt: ‘Haben Sie Angst vor dem Tod und seit welchem Lebensjahr?’ Maar de lastige vraag die ik het liefst aan onze Vadem-gast zou voorleggen, als ik het genoegen had gehad haar te interviewen in plaats van het plezier haar aan te kondigen en in te leiden, zou nummer acht zijn: ‘Möchten Sie wissen, wie Sterben ist?’
Het werk van Anne Vegter, in elke vorm waarin ik het tot nu toe ken, maar vooral in de vorm van haar gedichten, brengt mijn gedachten vaak op de dood. Beetje vreemd is dat wel, want het is lang niet alleen maar dood wat de klok slaat in Vegters poëzie, het is er integendeel vaak juist een bijzonder levendige bende. Maar een beetje zoals een verhaal in een wetenschapsbijlage van de krant over de oneindigheid van het universum me met een rotschrik kan herinneren aan mijn eigen eindigheid, zo kan ook het menselijke en talige gewoel in Vegters gedichten me confronteren met wat daar het tegendeel van zou zijn: afwezigheid, pijnloosheid, stilte, dood.
Ook Spamfighter barst en knispert juist van leven: van liefde, van conflicten, van seks, van misverstanden, familie en moederschap, en boven en in alles van levende taal.
De werking van die taal, de muzikale kracht ervan in poëzie, ontdekte Vegter begin jaren tachtig dankzij een dansworkshop waar ze geconfronteerd werd met het gedicht Visser van Ma Yuan van Lucebert:
onder wolken vogels varen
onder golven vliegen vissen
maar daartussen rust de vissergolven worden hoge wolken
wolken worden hoge golven
maar intussen rust de visser
In het meest recente nummer van Hollands Diep vertelt Vegter hoe ze via dit gedicht en de choreografie die haar dansjuf op basis ervan maakte, leerde dat taal méér dan alleen betekenis in zich draagt. Dat, zoals ze beschrijft, ‘taal ook muzikale kracht heeft, puur vanuit die taal.’ En even verderop: ‘dat ik kon voelen welke stuwing en gelijktijdige stilstand taal kan afdwingen. Taal die meetrilt. Een gedicht dat stilstaat te midden van de dolgedraaide betekenis. Omdat de taal het de dichter dicteert.’
Niet dat Vegter zich als dichter willoos aan het dictaat van de taal overgeeft, overigens: ze houdt bij het schrijven wel degelijk de touwtjes in handen. Ook vrij onlangs, in het oktobernummer van poëzietijdschrift Awater, vertelt ze over haar manier van schrijven, en over haar streven daarin: ‘Terwijl ik schrijf, denk ik zoveel dingen tegelijk, daaruit selecteer ik onbewust. Ik wil het niet allemaal netjes hebben, maar met rafels eraan, want zo beleef ik het leven ook.’ En: ‘Ik wil tegelijk heelheid en versplintering. Ik streef absoluut niet naar harmonie, wel naar een zekere mate van schoonheid, en helderheid, maar de inhoud moet rafelig zijn.’ En haast op het eind van het gesprek formuleert ze bondig: ‘Dat is mijn streven, poëzie maken die niet gedacht kan worden.’
Hoe maak ik u in kort bestek duidelijk op welke manier haar dit soms lukt?
Hoe omschrijf ik de manier waarop Vegter aan haar streven met taal gestalte probeert te geven?
Ik kan me voegen bij het haast unisone koor van critici dat Vegter de afgelopen jaren in verrukking onder meer prees als ‘aangenaam eigenzinnig (…) auteur die dermate wars is van stoplappen dat ze geen zin kan schrijven of ze maakt er iets van’ en als ‘dichter in hart en nieren, die zichzelf met haar taalgebruik onophoudelijk [wil] blijven verrassen en zichtbaar [geniet] van merkwaardige wendingen of botsingen in het woordgebruik’. Ik kan instemmend knikken bij de woorden van de jury die haar in 2004 de Anna Blaman Prijs toekende: ‘een schrijver die een moment oppakt, het als een vreemd voorwerp in haar hand houdt, het van alle kanten bekijkt, zich omstandig verbaast en die vervolgens een poging doet een zo groot mogelijk deel van deze veelzijdige werkelijkheid in woorden samen te vatten’. Ik kan u erop wijzen dat Vegter het niet zo leuk vindt als iemand vanavond te vaak achter elkaar het woord ‘springerig’ in de mond neemt.
Ik kan u verzekeren dat Vegters nieuwste bundel in toon en openheid wel af lijkt te wijken van haar eerdere poëzie, maar tegelijk door niemand anders dan Vegter geschreven had kunnen zijn. U zult vanavond hopelijk en zeer waarschijnlijk al voldoende gaan horen om daarvan overtuigd te raken.
Zelf wil ik haar nu alleen nog en alvast feliciteren met haar prachtige nieuwe werk, en haar bedanken voor de parels die ze voor ons uit de wolken ophaalt. Bracht ze eerder al eens een onvergetelijk woord als ‘jammermooi’ boven water, in Spamfighter worden instant klassieke regels opgevist als: ‘Er is zielsveel geluk nodig in stralend weer voorzichtig te verongelukken’.
‘Jammermooi’ staat overigens in Vegters vijf jaar geleden verschenen tweede bundel Aandelen en obligaties. In diezelfde bundel, in het gedicht dan, dient de dood zich eindelijk eens goed zichtbaar en in vol ornaat in Vegters dichterlijke blikveld aan. De dood die ‘loos, lang, knakkelend, geïrriteerd’ langs de deuren der stervelingen gaat. Gelukkig voor ons, klopt hij niet bij haar deur aan, want aldus de dichter in de laatste regels:
… ik hád natuurlijk opengedaan:
ik sterf al jaren van nieuwsgierigheid.
Als hij me de dood gafwaar een woord voor staat,
dan.
Geen doodswens, maar pure nieuwsgierigheid zou de reden zijn geweest de deur te openen. Om Max Frisch er weer even bij te betrekken: Vegter möchte also gerne wissen, wie Sterben ist, maar liever niet zonder voort te kunnen leven. Bevrediging van haar nieuwsgierigheid zou meteen het absolute einde moeten betekenen, en dat is voorlopig toch ook volgens de dichter niet echt een goeie deal.
Tot ‘dan’ is er dus nog tijd. Vanavond op z’n minst en wie weet hoeveel langer nog. Tijd om tussen vliegende vissen en varende vogels de visser te bevragen. Als maker van Spamfighter vooral, maar hopelijk ook als de lezer die zich naar eigen zeggen met ‘Parcifaleske onnozelheid in een gedicht [kan] smijten’, als ouderwetse moeder met drie zonen, en als schepper van het meervormige schriftelijke heelal dat sinds 1991 onder haar handen uitdijt.
‘Je hebt zowel een goudmijn als een beerput in je,’ zei Vegter laatst in het eerder aangehaalde Awater-interview over het leven als bron voor het schrijverschap. Tijd om de goudmijn open te trekken en uit de beerput te delven.
Verder lezen op in Letterland:
> drie gedichten van Anne Vegter uit de bundel Spamfighter.
> Thomas Möhlmann reageert op drie 'Vragen van Neruda'.
Reacties