Een poëzieavond in Kortrijk
- door Xavier Roelens
Een van de meer hilarische en tegelijk tenenkrommende gebeurtenissen tijdens mijn bezoek aan de Boekenbeurs op 3 november was de vasthoudendheid van de vraagsteller in het debat over "crossover in het literaire landschap" die bleef zoeken naar de "hausse aan crossover in het literaire landschap", ook nadat twee van de drie gesprekspartners – Piet Joostens voor Yang en Karel Vanhaesebrouck voor Rekto:Verso – al hadden meegegeven dat hun tijdschrift niet speciaal iets met "crossover in het literaire landschap" had en dat ze die "hausse aan crossover in het literaire landschap" ook nergens opmerkten. Alleen Hugo Bousset van DWB, die het modewoord lanceerde, en de vraagsteller zelf, Jan Baetens (tevens lid van de redactieraad van DWB), zagen wat niemand anders zag.
Of misschien zagen ze niet genoeg. Crossover als duur woord voor de samenwerking tussen kunstenaars bestaat al sinds de middeleeuwse verluchtingen van Bijbelse verhalen, of sinds het Griekse theater (theater kan niet zonder samenwerking en die samenwerking – of laat mij zeggen: de menselijke verhoudingen, het slagveld van de relaties – is vanaf Sophocles ook het onderwerp van theater), of sinds de Egyptische piramides. En ook al lijkt naast theater en architectuur de literatuur een veel individueler, solitairder bezigheid, ook op dat vlak vinden regelmatig samenwerkingen plaats.
Op dinsdag 20 november maakte ik in Kortrijk het eindresultaat van een bijzondere literaire, of juister is te zeggen: poëtische samenwerking mee. Het gehele proces verliep in drie stappen. Als eerste stap zat Alain Delmotte samen met enkele dichters met een verstandelijke beperking uit het dagcentrum vzw Regenboog en maakte hij met hen poëzie. Door hen gerichte vragen te stellen, zette hij ze aan tot associëren, definiëren, verwoorden van hun leefwereld. Hun antwoorden nam hij op en achteraf tikte hij ze uit tot gedichten. Als een antwoord op een vraag voor hem tot poëzie klonk, maakte hij er literatuur van en gaf het als gedicht aan de dichters terug.
Vervolgens koppelde Delmotte een van zijn poulains aan een zogenaamd reguliere dichter. Die twee dichters ontmoetten elkaar, tastten elkaars kwaliteiten af en stelden een programma samen dat ze dan tenslotte op 20 november brachten. Vier koppels traden die dinsdag op in het kader van de Week van de Smaak. Het thema zorgde ervoor dat relatief wat gedichten over voedsel en eten gingen, maar na het optreden was er ook een wokking diner voorzien. Daar zal ik het hier niet over hebben.
Alain Delmotte opende en presenteerde de avond samen met Christa Pollet. Ze stelden elkaar voor aan het publiek, waarna Christa de eerste gedichten van de avond bracht. Vervolgens presenteerde Alain telkens de reguliere dichter en Christa de beperkte. Het mooie aan Christa’s presentatie was hoe ze de ander telkens terugbracht tot haar relatie met die persoon. Elke presentatie opende met de naam van de dichter en eindigde met haar eigen naam. Ze sloot als het ware haar armen rond de dichter. Daarnaast werkte haar piepende, maar toch stevige stem gemakkelijk op de lachspieren, ook tijdens haar gedichten, waardoor de sfeer onmiddellijk in de zaal zat. Ook had ze enkele pareltjes, zoals het volgende gedicht (dat ik uit het hoofd citeer, dus niet een volledig juiste weergave zal zijn):
Optimisme
is slechtPessimisme
is slechterMaar een huwelijk
is het bestevooral de eerste keer
Christa nodigde als eerste Ellen Verhegge op het podium. Samen met Tine Moniek! had ze een act met veel attributen voorbereid. Tine zelf was enkel op audiotape aanwezig, maar de show was duidelijk tot in de puntjes voorbereid. Een feestelijk uitgedoste Ellen begon en eindigde met George Clooney-fangedichten en daartussenin zaten gedichten over de vele mogelijkheden van mosselschelpen, over de openingsuren van de slager en welke dag kaas te eten, over schrikaanjagende dingen. Ze had het ritme van haar optreden goed in de hand, wisselde eigen gedichten af met de audio-opnamen van Tine en vooral haar geduldig uitstrooien van mosselschelpen over de vloer vond ik een erg poëtisch moment.
Ook een bijzondere poëzie ontstond bij de voordracht van Danny Bergman. Danny, liefhebber van de Harry Potter-boeken, kan niet lezen, maar leest. Dat wil zeggen: hij maakt heel geconcentreerd de oogbewegingen van de lezer, zonder de tekens te kunnen ontcijferen. En als hem gevraagd wordt om hardop te lezen waar zijn ogen over dwalen, begint hij te praten. Hele reeksen halve zinnen komen uit zijn bijna tandloze mond. Op de avond zelf las achtereenvolgens Olaf Risee en Danny hetzelfde gedicht voor. Zo kon het publiek het verschil horen tussen de tekstuele en de eigenzinnige versie. Om één voorbeeld te geven: in Olafs gedicht Het is moeilijk spreken met een mond vol poëzie (een titel die ik erg toepasbaar vind op Danny) komt drie keer een elfje voor. In Danny’s voordracht van het gedicht kwam drie keer Sneeuwwitje voor, en nog heel wat andere woorden die er niet staan.
Ann Tant en Philip Hoorne, het laatste koppel, brachten om en om een gedicht. Ann begon en Philip had telkens een gepast poëtisch antwoord bij Anns gedicht gezocht. De ontwapenende manier van in- en uitleiden van Ann maakte er een luchtig slot van het poëzieluik van.
In de beperking herkent men de meester, schreef Goethe ooit. Ik zal hem daar na deze avond niet in bijtreden, de avond had meer maatschappelijke dan literaire waarde. Dat was meteen ook de kracht van de avond en van de samenwerking. Voor een literair geslaagde samenwerking kan men iets gemakkelijker bij DWB terecht, als men even door de dure woorden heenbijt, maar ik zou niet verplicht willen worden om te kiezen. Net zoals ik over het volgende gedicht niet zou willen beslissen of ik het goed of slecht vind. Het is af.
IJSJES
IJsjes
smaken
blauw.Blauw
smaakt
groen.Groen
smaakt
rood.Rood
smaakt
drie ijsjes.(Nathalie Rosseel)
Reacties