Echte Slammers en een onbekommerde Lola
- door Pim te Bokkel
Het was een maanloze avond in Utrecht. Het industrieterrein werd mager verlicht door hier en daar een lantaarnpaal en het waaide en het was koud en de grachten raakten voller en voller, want het regende ook nog eens en ik werd nat en ik vond dat vervelend en aangekomen bij Tivoli mocht ik met allerlei gezellige mensen in de regen op een kaartje wachten. U zult begrijpen dat ik vastbesloten was de hele avond de grond in te schrijven. Het Nederlands Kampioenschap Poetry Slam. Ik was een klein beetje sceptisch. Het ontbrak de Nederlandse slam de laatste jaren namelijk aan echte slammers. Iedereen moest zo nodig, in navolging van Harmens en anderen, een dichter zijn. In 2006 – tijdens het wereldkampioenschap poetry slam – leidde dat tot de pijnlijke gewaarwording dat er in landen als Amerika, Duitsland en Zweden wel echte slammers bestonden. Mannen met ballen en een voordracht van staal. In Nederland moesten we het doen met een clubje bebrilde twintigers die literair interessant gevonden wilden worden. Daarom ook had ik mijn twijfels over het nut van een jury bestaande uit de podiumdichters Hagar Peeters, Bart Chabot en Ilja Pfeijffer, maar het viel me niet tegen.
De zaal was gevuld met een honderdtal enthousiaste schimmen die jonge of oude mannen of vrouwen, wellicht bezoekers van een popconcert, konden zijn. In het midden van de zaal, in de spotlight zat de driekoppige jury. Na de voordracht van ons aller Simon Vinkenoog werden ze aangekondigd door Ruben van Gogh. Elk van de juryleden las een gedicht voor. Chabot deed zijn ding zoals alleen Bart Chabot dat kan. Hagar Peeters beklom het podium zodat we ook haar schoenen konden zien, waarna ze een lang gedicht voordroeg. Ik vroeg me af waarom er zo weinig vrouwelijke dichters zijn en waarom degene die er wel zijn vaak allerlei Heleen van Royen-achtige fantasieën met het publiek willen delen. Ik vrees dat het of gemakzucht of onzekerheid is, zo van: ik weet niet of dit gedicht wel af is, maar wanneer ik het voordraag als een meisje van negentien dat buiten adem is, omdat ze net over het hockeyveld rende en desondanks haar teamgenootjes een spannend verhaal wil vertellen, dan kom ik er wel mee weg. Ik kan me geen enkele regel van Peeters meer herinneren, maar ik werd ook wel een beetje afgeleid door de leuke presentatrice die in de schaduw van de coulissen stond. Even later schrok ik wakker van de rockende voordracht van Ilja Pfeijffer over Lola. Lola, die eigenlijk veel te mooi voor al dit aardse was.
Het lot besliste dat de eerste slammer van de avond Christiaan Mooiweer heette. Als een soort Robbie Oudkerk wond de ex-wethouder van Delft de dames om zijn vinger. Misschien dat hij daarom van het jurylid Peeters een drie kreeg die hem voor de rest van de avond uitschakelde. Of was het toch zo dat de rijmelarij – de accentuering van het ritme met woorden als "soezen" en "doezen" en "poezen" – en de overdosis oprechte bedoelingen gewoon niet zo heel erg goed overkwamen? "Maar waarom een drie?" vroeg de presentatrice zich met mij af. Hagar Peeters gaf antwoord.
Ook Pom Wolff werd in de eerste ronde uitgeschakeld. Hij had duidelijk last van de weersomstandigheden. Zijn voordracht was somber en weinig verrassend. Pom las venijnige teksten, zoals we dat van hem gewend zijn, maar meer ook niet – misschien zelfs iets minder dan dat.
Casper Fioole leek mij een serieuze vrolijkerd met ambitie en iets van een hanekam en bakkebaarden en grote ogen. "Hier ben ik / ik zet mijn zinnen op een taal zonder woorden," zei hij letterlijk. Ongetwijfeld met de beste bedoelingen ingestudeerd, maar niet veel meer dan dat. Toen hij enkele seconden zijn tekst kwijtraakte werd het even spontaan, maar ook dat mocht niet baten. "Zo gaat de wereld ten onder," zei Fioole tenslotte en iedereen knikte toen de jury hem naar huis toestuurde.
Omdat David Boelee gepakt werd door een vermeend defect in de applausmachine (die hem zeventien pietluttige puntjes gunde) mocht hij het in de tweede ronde nog een keer proberen. Met een gedicht dat volgens een bepaald jurylid "bewust" als een psalm "zo lekker ouderwets" geschreven was, maar wat in werkelijkheid een opgepoetste, goud geverfde appel van piepschuim was, verdeelde hij de juryleden. Chabot gaf iets met een zeven, Peeters gaf een negen en Pfeijffer een vier. De tweede voordracht van Boelee was op een Frans Bauer-achtige, vrolijke manier best interessant, maar Boelee deed vooral te veel zijn best om een slammer te zijn. Mijn hartslag versnelde pas toen mijn favoriete presentatrice weer in de spotlight stond. Ze keek naar me, maar we waren allebei aan het werk en eerlijk is eerlijk, eigenlijk keek ze naar alle mensen in het publiek.
A.C.G. Vianen schopte het ook tot de tweede ronde. Vianen werd alleen door die andere presentator, Ruben van Gogh, zo aangekondigd dat hij bij voorbaat kansloos was. "Heel erg apart", zei Ruben. De hersens waren voorgeprogrammeerd, het vakje was geopend en het balletje hoefde alleen nog maar in het vakje te vallen. A.C.G. declameerde over bubbels en lucht met veel herhalingen. "Die böbbels von Goebbels," zei iemand naast mij en dat dekte de lading wel ongeveer. Halverwege raakte de dictator de band met zijn volk kwijt en toen was het exit Vianen.
Peter Kluppels was iemand die kwam en zag. Het enige dat aan zijn verschijning ontbrak was de overwinning. Als een gestylede tv-dominee preekte hij over Ikea en aanverwante zaken met zinnen als: "Jij wekt de schrijnwerker in mij op", of liefdevoller: "Kom hier dan draai ik je nog eens goed vast." "Een natuurlijke présence", zei Chabot, "alleen, zodra je spreekt valt het tegen." Een conclusie die te leuk was om niet waar te zijn. Kluppels bleef met Wolff, Vianen, Boelee en de publiekslieveling Martijn den Bakker steken in de tweede ronde.
Martijn begon de avond met een fenomenaal gedicht over de zee, over al zijn aspecten, de lucht en de worsteling en hoe saai de zee wel niet was en hij nam ons mee en het was ironisch en grappig en hij vertelde in het voorbijgaan nog even wat raakheden over de Nederlandse identiteit en dompelde ons helemaal onder in een wereld van verlangen naar dat ene meisje, zonder dat het een smeerboel werd, maar wel dat hij alleen de zee wilde zijn als zij erin zwom. "Ontroerend en grappig," aldus de jury. In de tweede ronde toonde Martijn zich wederom een echte slammer. Het probleem was alleen dat het deze keer niet veel beter was dan zijn eerste voordracht. De jury was wat teleurgesteld, maar het publiek liet een ander geluid horen. De geluidsmeter liet 141 (!!) punten zien – het record van de avond, maar geen plek in de finale.
De finale was zo opgezet dat de twee beste slammers, Marlies Somers en Bernhard Christiansen, oog in oog kwamen te staan en om de beurt mochten toeslaan. Somers en Christiansen trapten elkaar echter niet zozeer de grond in. Ze gebruikten elkaar als een ladder naar hogere oorden. De vonken spatten er af en het publiek keek hoe deze meertrapsraket boven Tivoli, boven de wolken uitsteeg en alle mensen meenam op een reis door de ruimte die onvergetelijk mag heten.
Objectief gezien was Marlies de beste vrouw van de avond, maar ik mag de lof nog wel wat guller strooien. Uiteindelijk gaf haar poëtische muzikaliteit de doorslag. Neem een zin als: "zoetjesaan vond hij het mooiste woord" of een gedicht waarbij ze in de huid kroop van een Limburgse dominee, een kind, een makelaarsvrouw... Wie dat in zich heeft mag best op erotische wijze mededelen dat ze dichter bij iemand wil zijn dan "een blaadje basilicum op een plakje mozarella." Toch wist Marlies elke keer net iets meer te zijn dan het vooroordeel dat ze over zich afriep. Marlies is een slammer, een echte, met een eigen stemgeluid en een overtuigende voordracht.
Het was alleen dat Bernhard Christiansen met een dikker kaliber in de rondte vuurde en raak schoot. "Advertentie: Kameel", zei hij, wijzend naar een peinzende Marlies, "38 jaar oud / uitgedroogd / op zoek naar nieuwe waterput..." Christiansen bracht het alsof hij de onschuld zelve was. "Daar staat ze dan / Kameel / 38 jaar oud / op zoek naar nieuwe waterput / of anders wat luchtspiegelingen." Natuurlijk had Bernhard vorig jaar het N.K. moeten winnen. De jury stuurde hem echter naar huis met de mededeling dat het allemaal te weinig op poëzie leek. Dat was – om het maar eens bondig te formuleren – gelul, want slammen is niet hetzelfde (en is nooit geweest en zal nooit moeten zijn) als een boekje met gedichten schrijven. Maarrr... vorig jaar was toen en nu is het 2007. "Vroeger / hoe je toen zelf nog op een bloem kon lijken [...] kronkelend in het gras / en al die geuren / en hoe ik jou toen nog kon plukken / als een kip." Marlies ging een beetje dichter bij Bernhard staan, probeerde nog een gedicht, maar gaf zich gewonnen. Als kleine snippertjes papier en as van een vuurpijl of een siermortier dwarrelden wij ter aarde. Daar stond hij dan, de winnaar van de finale, van het duet, van het Nederlands Kampioenschap Poetry Slam 2007: Bernhard Christiansen.
De ogen van de presentatrice waren groter en mooier dan voorheen, maar niet alleen Lola was verbijsterd. Het publiek was er ook een beetje stil van geworden en de jury kon alleen nog stamelen. Dit was een theatershow, dit was Poetry Slam Met Hoofdletters. Eindelijk kroop het weer uit de schaduw van zijn papieren broertje.
Voor wie nieuwsgierig is geworden naar de afloop van mijn liefde voor Lola kan ik wel verklappen dat het een open einde wordt. Ik heb haar sinds het N.K. niet meer gezien, maar misschien is het ook wel niet zo belangrijk als het lijkt. Misschien heb ik haar wel mooier voorgesteld. Misschien, maar ik voel dat ze meer is dan een journalistiek gegeven ergens in een verslag, ergens op internet. Er was iets met Lola. Iets dat Charles Bukowski ooit beschreef als "a difference, a way of doing, a way of being done." Lola had stijl. "Six herons standing quietly in a pool of water, or you, walking / out of the bathroom naked without seeing me." Waar het om gaat is dat onbekommerde, dat "without seeing me". Die radicale afwezigheid van dat toffe, dat geveinsde geile, die totale afwezigheid van de angst voor imagoschade. En ik besef ook wel dat het helemaal niet zo'n genderdingetje is en dat het allemaal veel makkelijker klinkt dan het is en dat sommige mensen misschien wel nooit zo onbezorgd mooi zullen zijn als mijn Lola. Ik weet dat. Maar toch, er waren vier echte slammers. Echte mensen die misschien wel zenuwachtig waren, maar er alle reden toe hadden om onbekommerd op het podium te staan en dat uitstraalden.
Het was een onvergetelijke avond, goed georganiseerd, goed concept, goede jury, goed voor de slammers, goed voor het publiek en goed voor de slam. Eindelijk wilde iedere dichter weer een slammer zijn. Bernhard Christiansen ging met duizend euro en een gouden albatros huiswaarts en ik was vrolijk en verliefd en het kon me niet schelen dat het regende en smerig koud was buiten.
Reacties