« The Poetry Hacking Project | Hoofdmenu | Herman De Coninckprijs 2007 »

Het gelijk van Pfeijffer

- door Olaf Risee

Chrétien Breukers sprak op 2 december jl. 'een manifest ten faveure van de poëzie' uit in Kasteel Walburg te Sint-Niklaas. Sint-Niklaas is ongeveer drie kwartier rijden van mijn woonplaats en ik was er dan ook graag bijgeweest, al was het alleen maar om mijn idool nog eens in levende lijve te ontmoeten, maar eilaas! eilaas! - ik was verhinderd. Gelukkig valt de rede nu op de website van Knack integraal te bewonderen. Je mist natuurlijk wel die warme, tintelende sensatie in je onderbuik die je bekruipt wanneer je Breukers live hoort en ziet voordragen, maar je weet in elk geval welke woorden er gesproken zijn en, ook niet onbelangrijk, in welke volgorde.

Aan het eind van de toespraak komt Breukers met een plan dat, kort gezegd, een financiële compensatie van de overheid voor uitgevers die poëzie uitgeven behelst. Volgens mij is dat een goed plan. In een democratisch bestel dient de overheid de (financiële) condities te waarborgen waardoor kunst geheel vrij van marktwerking zich kan ontwikkelen en bestendigen. Of zij is geen democratisch bestel. Het plan zal evenwel nooit tot uitvoering komen, om de simpele reden dat er zowel in Vlaanderen als Nederland geen electorale eer mee te behalen valt. Hedendaagse politici worden niet gehinderd door enige vorm van visie en derhalve menen de heren en dames politici dat democratie betekent dat je precies datgene moet doen wat het volk wil. En het volk wil geen poëzie. Het volk wil hooguit wat stomzinnige rijmpjes op Sinterklaasavond en een pen van een mislukte Groningse sonnettenbakker om die stomzinnige rijmpjes mee op te schrijven.

Breukers begint zijn rede door te refereren aan een stuk dat Ilja Leonard Pfeijffer drie jaar geleden publiceerde in De Standaard, waarin hij stelt dat de huidige Nederlandse poëzie 'oneindig veel rijker, gevarieerder, vitaler en spannender [is] dan de Vlaamse'. Wat volgt is heerlijk onnavolgbaar op een manier zoals alleen Breukers heerlijk onnavolgbaar kan zijn. Eerst stelt Breukers dat hij de rede niet heeft geschreven om het ongelijk van Pfeijffer aan te tonen. Vervolgens stelt hij dat Pfeijffer ongelijk had en heeft. Om te eindigen met: ik (...) wil aantonen dat de Vlaamse poëzie veel rijker, gevarieerder en spannender is dan Pfeijffer dacht of denkt'.

Dus. Want. Goh. Nou ja. Breukers wil dus, als ik het goed begrijp, het ongelijk van Pfeijffer aantonen maar tegelijkertijd mogen wij vooral niet denken dat Breukers het ongelijk van Pfeijffer wil aantonen. Of zoiets. Enfin. Whatever en zo verder.

Ik kan kort zijn: Pfeijffer had en heeft weldegelijk gelijk. De Nederlandse poëzie ís op dit moment 'oneindig veel rijker, gevarieerder, vitaler en spannender' dan de Vlaamse. Natuurlijk heeft Vlaanderen goede, jonge dichters, waarvan een aantal ook door Breukers genoemd wordt: Andy Fierens bijvoorbeeld, die zich in tekst en performance niets aantrekt van de sociaal opgedrongen, valse bescheidenheid waarmee de modale Vlaming zichzelf net iets te graag geassocieerd ziet, Eva Cox die zich na haar zwakke debuutbundel - Pritt.stift.lippe is feitelijk niet veel meer dan een verzameling onvolgroeide schrijfoefeningen - met recente publicaties in onder meer de Poëziekrant en De Brakke Hond een steeds beter dichter toont, en Xavier Roelens die met er is een spookrijder gesignaleerd een ambitieus en gedurfd debuut heeft afgeleverd. En zo zijn er nog wel namen te noemen. Edoch, een paar uitzonderingen breken de regel nog niet.

Zoals voor vrijwel alles geldt, kent de poëzie in Nederland meer extremen dan Vlaanderen, zowel in negatieve als in positieve zin. Er zijn in Nederland niet alleen meer dichters dan in Vlaanderen, wat statistisch gezien logisch is, er zijn er vooral ook meer die écht een eigen geluid hebben, die een soort poëzie schrijven die sterk afwijkt van de norm. Erik Jan Harmens, Astrid Lampe, F. van Dixhoorn, Nachoem M. Wijnberg, Saskia de Jong, Anne Vegter, Jaap Blonk, Peggy Verzett, Mustafa Stitou, Alfred Schaffer, Han van der Vegt en Jan Baeke - om maar een paar namen te noemen. En dan is er nog de invloed van de poetry slam, een fenomeen dat in Vlaanderen nooit echt voet aan de grond heeft gekregen. Waar zo'n beetje elke middelgrote tot grote stad in Nederland een eigen slam heeft, worden de meeste slam-initiatieven in Vlaanderen na een paar edities al bij het grof vuil gezet.

In zijn rede noemt Breukers Reine de Pelseneer een 'schrijfster van een misschien niet spectaculair, maar wel heel erg goed debuut'. Dat raakt wellicht precies de kern van wat Pfeijffer bedoeld. De huidige Vlaamse poëzie is grosso modo misschien wel goed, maar weinig spectaculair. Daarin komt echter langzaamaan wel wat verandering. De genoemde Vlaamse dichters (Fierens, Cox, Roelens), bijvoorbeeld, hadden ten tijde dat Pfeijffer zijn stuk publiceerde nog wat minder naam gemaakt dan nu. Het ligt dan ook in de lijn der verwachting dat Pfeijffers gelijk met de tijd steeds iets verder zal afbrokkelen. De toekomst zal het leren. Vooralsnog is het gelijk evenwel aan Pfeijffers kant.

Reacties


Het blijft toch een beetje voetbalretoriek, vind ik. Je zou net zo goed kunnen stellen dat Nederland nog 300 jaar zal moeten zwoegen om Brel te compenseren. En Belgische meisjes zijn gewoon, eh, ietwat leuker, bovendien. En als ze de meisjes en de liederen hebben, wat moet je dan nog met poezie? Daar moeten die droge Hollanders dan maar mee weglopen, want dat kost niks.

Laat een reactie achter

Feeds

  • klik hier voor het allerlaatste (literatuur-)nieuws


    > Meer feeds...

Zoeken

  •  

Laatste reacties

Colofon

Advertenties