« | Hoofdmenu | Gedicht van Pim te Bokkel »

Poëziekrant nr. 7, oktober 2007

- door Olaf Risee

In het laatst verschenen nummer van de Poëziekrant:

Poëziekrant nr. 7 - een interview met de Sloveense dichteres Lucija Stupica: "In mijn land spelen dichters een belangrijke rol in de geschiedenis. Ze hebben ook in belangrijke mate bijgedragen tot de ontwikkeling van de Sloveense taal. Meer dan in andere landen het geval is, wordt de publicatie van boeken in het Sloveens gesubsidieerd door het ministerie van Cultuur. Zonder die steun zou er bij ons nooit zo'n rijke poëzieproductie zijn. Natuurlijk is er het probleem van de markt, die het de literatuur allesbehalve gemakkelijk maakt. Anderzijds kent de boekenmarkt in een dermate klein taalgebied nauwelijks enige competitie: jaarlijks verschijnen ongeveer evenveel poëziebundels als romans. Wij zijn gelukkig vrij onafhankelijk van het algemene gewin. Ik ben ervan overtuigd dat poëzie met intimiteit te maken heeft, dat ze appelleert aan nadenkende, gevoelige zielen. De tijd dat grote dichters als Majakovski, Dylan Thomas en Brecht hun poëzie naar de massa's brachten, is voorbij. Vandaag is een dichter al dankbaar wanneer hem of haar een honderdtal lezers te beurt valt."

"Het is de stilte waaruit mijn poëzie opborrelt en waarin ze wegzinkt. Ook vandaag is die stilte een fundamenteel element van mijn gedichten, al is ze intussen misschien minder met een sluier van mysterie omgeven. De belangrijkste bronnen waaruit mijn gedichten putten, zijn nadenken, eenzaamheid, denk ik, en stilte. Existentiële impulsen brengen een vers, een gedicht of gewoon een woord naar de oppervlakte. De buitenwereld die door de dichter in beelden wordt beroerd, krijgt in de poëtische taal een soort van pijnlijke helderheid en symbolische dichtheid. (...) Ik vermoed dat poëzie vandaag meer dan ooit een marginaal verschijnsel is. Wat mij het meest aantrekt, is het geheim dat zich openbaart en dat me treft op een wonderbaarlijk ogenblik. Een schaal vol verse vruchten, een oogcontact op straat, nieuws op de radio, de magie van muziek... Het gaat om momenten: vrolijke en minder vrolijke, en je wil dat ze blijven duren. Dat is poëzie, en het intrigeert me voorlopig meer dan proza. Ooit zou ik wel eens een roman willen schrijven, maar momenteel haalt poëzie dus de bovenhand. Is het een soort van mystieke aanraking? Zeker en vast. Misschien is poëzie meer met mijn leven verbonden dan ik me zelf bewust ben. Of zoals mijn goed vriend de dichter Peter Semolic eens zei: 'Lees me niet als verhaal, lees me als concentrische cirkels op het water'."

- een essay van Luc Renders over de Zuid-Afrikaanse dichter Breyten Breytenbach n.a.v. van het verschijnen van de bloemlezing De windvanger. Gedichten van 1964 tot 2007: 'In de jaren zestig ontpopt Breytenbach zich tot de belangrijkste dichter van de zogenaamde Sestigergeneratie, een groep schrijvers tot wie ook Etienne Leroux, André P. Brink, Ingrid Jonker en Adam Small behoren, die tegen de heersende literaire zeden in opstand komt en door het doorbreken van seksuele en maatschappelijke taboes een frisse wind doet waaien door de Zuid-Afrikaanse literatuur en samenleving. Het werk van de Sestigers wordt door de goegemeente niet met open armen ontvangen. Er ontstaat een breuklijn tussen de schrijvers en hun taalgemeenschap. Waar de Afrikaanse schrijvers in het verleden de politieke, maatschappelijke en culturele aspiraties van het Afrikanervolk vertolken, botsen ze nu door hun vormexperimenten en het aankleven van een als volksvreemd ervaren gedachtegoed zoals het extentialisme met hun taalgemeenschap. Wanneer hun werk aan het begin van het volgende decennium ook nog een sterke anti-apartheidsdimensie krijgt, is het hek volledig van de dam. Breyten Breytenbach groeit uit tot het symbool van het verzet tegen apartheid. Zijn huwelijk met een Franse vrouw van Vietnamese origine maakt wegens de rassenwetgeving een terugkeer naar Zuid-Afrika onmogelijk. Zijn poëzie zal in toenemende mate politiek gekleurd worden. (...)
De windvanger is een tweetalige bundel waarin de Afrikaanstalige gedichten naast de Nederlandse vertalingen zijn opgenomen. Hoewel het Afrikaans en het Nederlands twee verwante talen zijn, verschillen ze ook sterk van elkaar. Het Afrikaans heeft zich geleidelijk tot een volledig zelfstandige taal ontwikkeld. Uitspraak, spelling, woordenschat, morfologie en syntaxis wijken in zo'n mate van het Nederlands af dat het niet vanzelfsprekend is voor een Nederlandstalige om zonder meer gesproken en geschreven Afrikaans te verstaan en mutatis mutandis voor een Afrikaanstalige om zonder moeite overweg te kunnen met het Nederlands. (...)
De bundel bestaat uit drie delen: "Ijzerkoeienblues", "De ongedanste dans" en "De meetsnoeren vielen mij in lieflijke dreven". De eerste twee bevatten gedichten uit twee eerder verschenen verzamelbundels van het poëtische werk van Breytenbach, namelijk Ysterkoei-blues, met de bundels die van 1964 tot 1975 verschenen, en Die ongedanste dans, die de gevangenisbundels groepeert en de periode van 1975 tot 1983 bestrijkt. Het derde deel behandelt de periode van 1983 tot 2006, of eerder 2007. Elke afdeling bevat een dertigtal gedichten. (...)
De selectie van de gedichten die in De windvanger is opgenomen, werd door Breyten Breytenbach zelf gemaakt. Door deze persoonlijke stempel krijgt de bundel een bijzonder cachet. Daar een aantal gedichten al geruime tijd in de Nederlanden beschikbaar zijn, voegen ze op zich niets toe aan de kennis over het oeuvre van de dichter. De manier waarop ze werden opgenomen, is bovendien wel erg verrassend. Gedichten die in dezelfde bundel verschenen, worden van elkaar gescheiden en op een ogenschijnlijk lukrake manier naast gedichten uit andere bundels geplaatst. En dit terwijl de titels van de delen toch een chronologische volgorde laten vermoeden. Omdat van de oorspronkelijke bundelvolgorde wordt afgeweken, verwacht de lezer een ander ordenend principe. Dat is er echter niet te vinden: er is geen thematische of andere indeling aangebracht. (...)
De windvanger is een geschikte inleiding tot het oeuvre van Breytenbach en biedt als surplus vooral een kennismaking met zijn jongste bundel. De meerwaarde van dit boek ligt in het feit dat het in een notendop een overkoepelend overzicht van de evolutie in het schrijverschap van Breyten Breytenbach brengt. Bijzonder interessant is de vaststelling dat Breytenbachs latere bundels, in tegenstelling tot wat de lezer op basis van Breytenbachs vroegere politieke engagement toch wel enigzins zou kunnen verwachten, geen lofzang op het nieuwe Zuid-Afrika geworden zijn maar getuigen van een illusieloos realisme. Een vergelijking met het latere dicht- en prozawerk van Antjie Krog zou, ook in verband met de behandeling van de vergankelijkheid en de aftakeling, bijzonder boeiend materiaal kunnen opleveren.'

- een interview door Frank Pollet met Johanna Kruit: '"Vroeger kocht ik veel poëzie, nu heel wat minder. Dat heeft met mijn leeftijd te maken, denk ik. Ik krijg geen aansluiting meer met de hedendaagse poëzie. Ken je De Drvkkery in Middelburg?" Ik knik. "Dan weet je dat ze echt een héél mooie collectie dichtbundels hebben." Weer knik ik. "Ik kom daar wekelijks, en dan zit ik een paar uur in die poëziehoek te lezen, en dan denk ik: zou ik dit kopen? Weet je dat ik ooit, toen we het echt niet breed hadden, naar Middelburg gereden ben om een beha te kopen. Ik was echter eerst even binnengegaan bij De Drvkkery en zag dat de nieuwe bundel van Herman de Coninck net uit was. Ik twijfelde, maar ben toch naar huis gereden met die nieuwe bundel en dus zonder nieuwe beha. Toen ik dat later aan Herman meldde, vroeg hij mijn cupmaat en hij is zelf een beha voor me gaan kopen, die ik op een dag met de post kreeg toegestuurd." Johanna lacht, maar wordt snel weer ernstig: 'Kristien Hemmerechts heeft dat verhaal in Taal zonder Mij nogal naar haar hand gezet. Maar de juiste versie staat in de correspondentie tussen Herman en mij, en die ligt intussen in het Stadsarchief van de Antwerpse Bibliotheek." De dichteres zucht: "Door de invoering van de euro is alles vreselijk duur geworden en ik heb maar een beperkt budget. Dus koop ik weinig nieuwe bundels, en herlees ik de oude. Hendrik de Vries, bijvoorbeeld. Ik vraag me trouwens wel eens af wie nog gedichten léést. Ik heb het gevoel dat geen hond meer in poëzie geïnteresseerd is. In de PZC en in de Volkskrant wordt er nog maar zelden een poëziebund'el gerecenseerd. De enige krant die nog aandacht voor gedichten heeft, is de Poëziekrant!"'

- een interview met Ludwig Alene (1935): "Algemeen wordt aangenomen dat met de leeftijd de mildheid toeslaat, maar ik probeer die zogenaamde vetustitaire zachtheid in toom te houden. Je maakt vandaag gedichten in een wel zeer onheuse wereld. West-Europa wordt meer en meer een karikatuur van zichzelf, hoewel: is dat niet altijd zo geweest? Zijn we met onze pretenties en tradities de dragers van de unieke beschaving? Ik twijfel daaraan, net als andere schrijvers en dichters. (...) Het prachtige boek In Europa van Geert Mak toont duidelijk dat de mens niets leert uit de geschiedenis. Hij leeft nauwelijks 75 jaar maar denkt de wijsheid in pacht te hebben. (...) Als ik gedichten lees van jonge dichters, en dat overkomt me wel eens, dan lees ik een niet te geloven vrijheid-blijheid. Jonge mensen verwachten een billijke toekomst, want ze staan voor een denderend technologisch avontuur. Ik hoop dat het een gezond voorteken is van de wonderlijke pluralistische wereld waar we willens nillens op afstevenen. Jonge dichters leven in een rijke wereld en gedragen er zich naar. Bewust van wie ze zijn, brengen ze hun poëzie op straat en publieke pleinen, zelfs tot aan de voordeur, en zo weten ze het publiek te boeien. Ik hoop dat ze uiteindelijk de massa zullen aansporen om tot een veilig en behoorlijk leven en een leefbare omgeving te komen. Meer moet dat niet zijn. Rijk en arm zijn toch gedoemd om samen met de godsdiensten te verdwijnen."

De volledige inhoudsopgave van deze Poëziekrant vindt u hier.

Reacties

Laat een reactie achter

Feeds


  • > Meer feeds...

Laatste reacties