Een avond niet gedicht
- door Stijn Ekkers
In de Balie te Amsterdam vond dinsdagavond 2 oktober de presentatie plaats van de nieuwe Raster, nummer 119 inmiddels. Het thema deze keer, ‘Gedicht/ Geen gedicht’, moet ons inzichtelijk maken wat dichters op papier zetten als ze geen gedicht schrijven. Of zoals het in de aankondiging van de presentatie snackbarachtig was samengevat: ‘Een gedicht en iets anders’.
Iets anders? Gastredacteur Erik Linder deed de veertig dichters die hun medewerking hadden toegezegd de volgende voorzet: ‘Brieven? Boodschappenlijstjes? Notities? Essays, romans of korte verhalen? Modulen, notulen? Beursberichten? Toespraken?’ Dat moet wellicht te concreet zijn overgekomen voor de dichters, vandaar de aanvulling: ‘Een tekst die niet direct als gedicht is opgezet en neergeschreven, maar eventueel evengoed zo gelezen kan worden.’ Je ziet het al voor je. Een dichter is resoluut van plan ‘melk, kaas, brood, wc-papier, jus d’orange’ op een bloknoot te schrijven, blijkt-ie ‘eventueel evengoed’ toch weer een gedicht te hebben gefabriceerd.
Flauw als deze scherts mag klinken, het vormt wel de reikwijdte van de meegegeven opdracht: toon iets – wat dan ook – van wat je hebt geschreven dat geen gedicht is, maar wel als gedicht gelezen kan worden. Allereerst vraag je dus iemand z’n eigen genre en vakgebied te verlaten. Waarmee de dichter een gewone taalgebruiker wordt, althans, die vrijheid geef je hem of haar. Wat, vervolgens, doet de dichter met deze ruimte? Zal die werkelijk banale fragmenten insturen, zoals e-mails en boodschappenlijstjes? Of zal de dichter toch ‘literair’ bezig blijven en bijvoorbeeld verantwoorde prozafragmenten afleveren? Tot slot is er de vraag wat de opgenomen stukken in deze Raster nu zeggen over de dichter als ‘niet-dichter’ en zijn ‘geen-gedicht’. Kan de dichter zich met dit andere schrijven eventueel beter uitdrukken of juist slechter? En in hoeverre is de vorm van de tekst, gedicht versus geen-gedicht, van invloed op zijn of haar schrijven?
Interessante vragen, die helaas nauwelijks of zijdelings aan de orde kwamen tijdens de presentatie. Erik Lindner had het in zijn inleiding tegenover een goed gevulde zaal over ‘meerdere gezichten van een dichter’ die in deze Raster zouden voorkomen. Dat zou blijken uit, ik parafraseer Lindners woorden, aantekeningen bij gedichten (Eva Gerlach en Thomas Möhlmann), een poging tot een historische roman (Erik Menkveld), een al dan niet fictieve brief (Jan Baeke) en, ook in briefvorm, een non-fictiebeschouwing gericht aan Shakespeare over diens receptie vandaag de dag (Thomas Lieske).
Inderdaad, een ander gezicht. Maar gek genoeg houdt dat andere gezicht, oftewel dat geen-gedicht, in al die gevallen verband met het schrijven. Hoe een gedicht zich vormt – netjes uitgewerkte notities, altijd handig voor gebiografeer later. Of een dichter dus, juist van iemand van wie je het niet verwacht, die zich toelegt op een stoffig genre. Een prachtige brief, zo doordacht en afgerond dat een postzegel niet eens zou plakken. Nog zo’n mooie brief. Bijdragen kortom, die wel een andere kant van een dichter laten zien, maar tegelijk ook allemaal vreselijk gestileerd zijn.
Des te boeiender klonken vervolgens Lindners woorden over een dichter die ‘in een grafrede voor zijn vader misschien wel meer over zijn poëzie [vertelt] dan hij in een poëtica zou kunnen’ (Peter van Lier). Of even later dat er een geen-gedicht was geschreven over een kat waarop een dichter past (Jan-Willem Anker). Dingen des levens, die me, toen de avond nog moest beginnen, een stuk opwindender leken dan braaf, onverdacht gereflecteer aan des dichters literaire zijlijn.
Het was tijd voor de uitgenodigde sprekers. Anneke Brassinga (1948) sprak ondersteund door Tibetaanse hoornklanken over hét levensmiddel op haar boodschappenlijst: ‘merrymelk’. Ze leek zacht te hinniken. Ook had ze het over de ‘rafelranden van de niet-mooie muziek’, waarna elke spreker spontaan het woord rafelranden als een sleutelwoord gebruikte. Tot welke deur bleef onduidelijk.
Daarna sprak Hans Tentije (1944). Hij had het over een bijzondere foto die hij in 1968 aan de Franse kust had gemaakt. Nu ja kust, diep in de Vogezen had ook gekund. Toch was het de kust, nabij de Somme en ook Jeanne d’Arc was er in de buurt geweest. Een prachtige foto, die hij nog mooier verbeeldde: ‘Dan opeens, na een vrij flauwe bocht, zie ik ze staan. Alsof ze door een plotselinge, alles vernietigende brand werden overvallen, zo staan ze daar, door kale, winters geblakerde duindoorns omgeven: de pokdalige, roestige karkassen van drie verschillende, heel oude autobussen.’ Helaas is de foto niet opgenomen in Raster.
Martin Reints (1950) droeg, zoals wel meer stoere vijftigers doen, glimmende cowboylaarzen. En hij was opvallend dorstig. Tijdens zijn voordracht dronk hij zo’n anderhalve kan water leeg. Misschien hadden de laarzen en de dorst wel iets te maken met zijn impressionistische reis door New York, waarover hij vertelde. Na een wandeling door Central Park scheen hij Donald Duck te zijn tegengekomen en later had hij ook nog geluncht met Charles Ives. Tussendoor hadden zijn ogen, ergens in een expositieruimte in Manhattan, Japanse manipulatiekunst bestudeerd. Allerlei jonge figuren op foto’s konden door een geheimzinnig procédé in no-time vijftig jaar ouder worden gemaakt. Belangrijkste feature was echter het bijschrift, dat iedereen, ook Reints, tevergeefs tot zich probeert te nemen ná de kunstaanschouwing. Nu was het bijschrift, met monologen van de getransformeerde figuren over ouder worden, onderdeel van de creatie. Er was geen stad, liet de dichter de zaal weten, die hem meer confronteerde met het verloop van de tijd als New York. ‘Vanuit ons verleden, de toekomst in’, scherpte hij ons inzicht.
Jongste spreker was vervolgens Miek Zwamborn (1974). Zij had een mineralenmuseum in Parijs bezocht en trof daar met haar microscopisch-poëtische blik naast ‘verzegeld zirkoon’, ‘veldspaat’, ‘kaolien’, ‘trilobiet’ ook een ‘ichtiosaurus’ aan. Blijkens haar dertig verschillende uitspraken van het fossiel – ‘ichtijo, ictio, ightyo...’ – had het grote indruk op haar gemaakt. Naderhand ontlokte Erik Linder aan haar de uitspraak dat ze nooit meer mensen wilde toelaten in haar werk. Alleen stenen en ogen als personages, ‘mensen de deur uit’.
Na de pauze was het de beurt aan taalfenomeen Nachoem Wijnberg (1958). Met lichte plankenkoorts en soms clownesk schuddend met het hoofd sprak hij over ‘Het leven van Kant, van Hegel’. Het mocht beslist geen prozagedicht genoemd worden, al bestond de verhandeling uit lange zinnen, die ietwat vreemd klonken. Ter illustratie het volgende citaat: ‘Ik zou niets kunnen zeggen waar het een én het ander in voorkomt op een manier dat ik, als ik iets wist om tegen het een weg te strepen, het nu niet meer kon.’ In een toelichting verzekerde Wijnberg ons dat geen enkele zinsvorm makkelijk is: ‘Lange regels zijn net zo problematisch als bewerkte regels met enjambementen.’ De dichter wist eigenlijk alleen waar de regel niet moest afbreken en, o ja, dat poëzie zonder taal een shampoo-reclame is.
Wat dan weer mooi aansloot bij de fotoserie die K. Schippers (1936) had meegenomen. Prachtig foto’s uit 1913, 1916, 1919 afkomstig van de Merkelbach-studio, zorgvuldig samengesteld door filmer Kees Hin. Dit was zeker ‘geen-gedicht’. Al die keurig gekapte en gerokte vrouwen en meisjes, de onschuldigste kinderkoppies, mannen in vol militair ornaat. Stille getuigenissen, maar waarvan precies? Het leek alsof iedereen op de latere foto’s net iets losser poseerde.
Verstilde beelden die snel vervlogen toen de gestoorde resonanties van ‘klankkunstenaar’ Jaap Blonk (1953) de ruimte vulden. Diens ‘onderlands’, uiteraard begeleid en vervomd door een bibliotheek aan computersounds, is het best te vergelijken met het achterstevoren uitspreken van Zweeds, maar dan op een trilplaat. Zijn laatste klankmanifestatie met een joystick was overigens zeer geslaagd.
De avond werd afgesloten met een essay over F.C. Terborgh door Lloyd Haft (1946). Haft wees ons en passant op het belang van het WNT, het Woordenboek der Nederlandse Taal. Als je daarin ‘Poelgeest’ opzocht, leerde je dat ‘poel’ ‘trekvaart’ betekent en dat ‘geest’ voor ‘geestgrond’ of ‘modder’ staat. Zie daar: water wordt land. Het laatste woord gaf Haft aan Wallace Stevens: ‘en wat wij ervan zeiden werd/ een deel van wat het is’.
Mooi einde.
Reacties