Poëziekrant nr. 6, september 2007
- door Olaf Risee
In het laatst verschenen nummer van de Poëziekrant:
- een interview met H.C. ten Berge: "De wereld van Bernlef en Schippers was geheel apart. Ze behoren tot mijn generatie, maar zij begonnen eerder. Ze hadden wel een open geest, maar het was een voor mij ontoegankelijke club. Heel begrijpelijk overigens: ik werd gerekend tot een ander soort literatuur. In de muziek had of heb je dat ook: Schönberg en Stravinski, allebei vernieuwers, behoorden tot verschillende kampen die elkaar met argwaan bekeken. (...) Toch sympathiseerde ik meer met de Vijftigers dan met de Barbarbergroep. Ik ha er ook niks tegen, maar het waren in die tijd gescheiden werelden. Er waren nog stromingen. Er waren tijdschriften waarin je wel of niet publiceerde. Niet omdat je vijandig tegenover die tijdschriften stond, maar het leek wel alsof zo'n tijdschrift aanvoelde dat jouw werk daarin niet thuishoorde en dan kreeg je het terug. Bladen als Podium en iets later Merlyn accepteerden mijn werk wel, goddank zonder kruiwagens of voorspraak van beschermheiligen. Ik kwam daar op eigen kracht en op natuurlijke wijze terecht, terwijl ik dat van tevoren niet had gekozen. In een tijdschrift als Tirade was ik niet welkom, omdat de oude Van Oorschot niets zag in het soort poëzie dat bepaalde jongere auteurs maakten. Dat was niet uit vijandigheid, maar hij gaf cijfers en als je een zes min kreeg, werd je gepubliceerd. Ik kreeg een vier of lager. Hij was een schoolmeester, net als K.L. Poll, die ook cijfers uitdeelde in NRC/Handelsblad. (...) Ik dacht niet in clubs en stromingen. Je was bezield door het een of ander en door de poëzie als zodanig. Je had bewondering voor bepaalde schrijvers, ongeacht in welk tijdschrift ze publiceerden en je had niet het idee dat je zelf tot een bepaalde stroming zou kunnen behoren."
Lees meer "Poëziekrant nr. 6, september 2007" »



Laatste reacties