« Foto's in de Prinsentuin | Hoofdmenu | Musealiteiten »

Poëziekrant nr. 5, juli-augustus 2007

- door Olaf Risee

In het laatst verschenen nummer van de Poëziekrant:

Poëziekrant nr. 5 - een interview met Jan Lauwereyns: "Toen ik aan mijn proefschrift 'cognitieve psychologie' werkte - erg droog onderzoek, erg technisch - zag ik geen verband met de literatuur. Toen was ik aan de ene kant af en toe met gedichten bezig, aan de andere kant met mijn papers. Toen ik in de neuropsychologie terechtkwam, verzweeg ik het zelf voor mijn collega's. Ik wilde niet dat ze het wisten. Bij sommige wetenschappers leeft er minachting voor kunst en literatuur, en zeker voor poëzie, dus ik zweeg omdat ik vreesde niet voor vol te worden aangezien. (...) In de neurowetenschap wachten mensen tot ze een 'externe validatie' hebben. Zodra ze namelijk vernemen dat ik op buitenlandse festivals word uitgenodigd, weten ze dat het op niveau is. (...) De uitgangspositie is er vaak een van vooroordelen en afstand, maar dat wordt doorbroken als er een exterene validatie komt. Dan worden er zelfs vergelijkingen gemaakt tussen mijn stijl en de neurowetenschappen. (...) In wetenschappelijk onderzoek ga je vaak deductief te werk. Dat verloopt in een rechte lijn. Maar op een moment weet je dat je daar even afstand van moet nemen; je leest bijvoorbeeld een andere onderzoekspaper, en merkt dat daar iets interessants in zit. Op dat moment spring je uit het eerste discours en ontwikkel je een tweede. Later keer je natuurlijk terug. Het gaat dus zo: je beweegt je rechtdoor, maakt even een zijsprong, en dan kom je terug, en op die manier kun je veel beter de lijn voortzetten. Het gebeurt wel eens dat die zijsprong zo'n sterke aantrekkingskracht heeft, dat hij tot een ombuiging leidt. Daarom is het erg belangrijk dat wetenschappers open blijven staan voor die andere perspectieven, want dat kan echte vooruitgang genereren."

- een recensie van Stijn Ekkers over de poëziebundel Krang en zing en de essaybundel Omroepers van oproer. Breekijzers in taal van Piet Gerbrandy: 'Dat muziek niet hetzelfde is als literatuur, laat Gerbrandy ons weten in Het onslechtbare dat ons omgeeft. "Mij persoonlijk overkomt het slechts zelden dat een gedicht of verhaal me zo van mijn stuk brengt, met alle fysieke consequenties van dien, als een nummer van John Coltrane, Peter Brötzmann, Buddy Miller of zelfs Johnny Cash. Poëzie heeft weliswaar met geluid te maken, maar het is duidelijk dat de menselijke spraak maar een zeer beperkt segment van de akoestische ruimte bereikt." Hoogstens kan Gerbrandy citaten van zijn geliefde muzikanten gebruiken, zoals hij meermalen deed in zijn vorige bundel Drievuldig veilloos vals. Maar dat is geen muziek. Wel is Gerbrandy ervan overtuigd dat poëzie oorspronkelijk, vooral gezien de herhalingsfiguren, meer met muziek dan met wijsheid te maken heeft. "Maar oorsprong is iets anders dan wezen. Omdat poëzie een artefact is, heeft het geen wezen. Dat iets voorkomt uit ritme en muziek betekent niet dat het dat moet blijven." Zoals zo vaak is het een en/en-situatie. "Ik geloof [...] niet in poëzie die geheel afziet van muzikale en rituele elementen. Maar ik geloof ook niet in poëzie die niets te vertellen heeft." Voilá, een dualistische tussenstand: de muzikale en betekenisvolle poëzie zijn aan elkaar gewaagd. (...)
Krang en zing is een sterke bundel. Het gaat ook om de inspanningen die je je moet getroosten om hem te overmeesteren. Onderga de bundel vier, vijf keer en er verandert iets in je beleving. Gerbrandy's poëzie is niet intellectueel, maar aards. Maar door zijn unieke taalgebruik slinger je wel steeds tussen verstandelijke en fysieke gewaarwording. Als een paar dichtregels je af en aan irriteren, jeuken, verbazen, je laten lachen, kopbrekens bezorgen, bedroeven en verdwazen, dan is het waardevolle poëzie. Met de pathos zit het dus wel goed. Maar wie tot verbazingwekkende inzichten wil komen, dient toch ergens anders aan te kloppen. Tenzij je, met alle respect, van oudemanswijsheden houdt. De logos zit hem naast de diverse gebruikte taalregisters vooral in de krachtige reisbeelden die je als lezer krijgt voorgeschoteld. Het imago, het êthos van de dichter Gerbrandy, is door deze bundel wel enigzins veranderd. Was hij vroeger vooral moeilijk en onbegrijpelijk, met zijn in Krang en zing geëtaleerde taalvirtuositeit - de sensatie van gewaarwordingen - is deze wrevel voorgoed een schim uit het verleden.'

- een interview met Willie Verhegghe: "Ik ben heel impulsief. Mijn gedichten komen er soms in één gulp uit en de volgende maand is het een dichtbundel. Ik verander nauwelijks wat. Ik hou van het natuurlijke, spontane. Wanneer je fel gaat zitten vijlen en slijpen, kom je heel snel in artificiële sferen terecht en daar heb ik eerlijk gezegd een grondige hekel aan. Hautaine pose en l'art pour l'art-gepruts zijn niet aan mij besteed. (...) Ik ga echt heel snel te werk. Misschien wel te snel, dat zou kunnen. Maar ik ben zo. Bij het overtypen verander ik nog weleens iets, en de geprinte versie zet soms ook aan tot een lichte wijziging. Eigenlijk verwaarloosbaar weinig. Als het eenmaal gepubliceerd is, merk ik natuurlijk geregeld dat sommige zaken anders moesten, maar ja. (...) Mijn gedichten zijn alleen van mij. Ik ken die verhalen over Benno Barnard en Herman De Coninck die zich met hun tweetjes in de Ardennen afzonderden om een bundel af te werken... Maar ik ben bang van artificieel gedoe, ik hou van een brute en ongekunstelde manier van schrijven en dat moet zo blijven. Ik heb het trouwens nog maar één keer meegemaakt dat iemand mij voorstelde om een paar zaken aan te passen. Dat was wijlen de uitgever Johan Sonneville. Hij zei dat Hedwig Speliers daar een goeie voor was. Speliers heeft me toen een brief van tien getypte vellen geschreven vol bedenkingen en zo. Ik moet toegeven dat ik daar wel iets aan gehad heb. (...) Dat moet in 1970 geweest zijn, ik was toen nog niet zo koppig als nu. Ik heb niemand nodig in mijn schriftuur..."

- een recensie van Philip Hoorne over De grote verdwijntruc van Onno Kosters: 'Iets over Onno Kosters' subtiele humor en zijn onbetwist metier. Ik neem die twee samen, omdat het ene meestal het andere impliceert. In het gedicht Meneer Abbas is de baas (Odes) heet een verantwoord muziekje voor in de auto fijntjes "Nirvana maar dan unplugged". Ik durf te wedden dat Kosters die hele unplugged-scène maar niks vindt. Snoeiharde groepen die, omwille van een door mannen in strakke pakken bedacht format, op Spaanse gitaren tokkelen, met een select publiekje in een kampvuurkringetje eromheen: het is een nogal fake bedoening. In hetzelfde gedicht keren de mannen van Meneer Abbas, een garagehouder, terug "naar het Mekka van hun gesluierde eega's en dochters". Een extract uit een ander gedicht: "[...] Je had een baard / van zeven haren en je droeg een zwart pak met, / fout, vriend, witte sokken. Staat tegenover / dat je grauw zag & lachte voor de zekerheid." Hedendaagse muziek, jongerenzenders, de multiculturele samenleving, mode en schoonheid... Onno Kosters is een op en top moderne dichter, die zijn ogen en oren wijd open houdt voor wat er om hem heen gebeurt.'

- een interview met de stadsdichter van Damme, Frederik Lucien De Laere: "Damme, de oude voorhaven van Brugge, is niet zomaar een toevallige locatie voor mijn stadsdichterschap. Ik voel me integendeel van in mijn prille jeugd erg verbonden met de streek rond Damme, waar mijn mooiste jeugdherinneringen voortleven. Als kind ging ik er vaak fietsen, of ik maakte jacht op insecten en padden en salamanders en vissen, dieren die ik thuis in de beslotenheid van mijn kamer observeerde en die me inspireerden tot een thema dat later in mijn poëzie zou terugkeren: de wreedheid van de natuur. Nu nog, wanneer ik door die sublieme streek skeeler of zo, hoor ik in mijn achterhoofd de lyrische verzen van Jacques Brel uit Le plat pays: het landschap strekt tot nederigheid 'avec un ciel si bas qu'il fait humilité'. (...) Ik wil integer op zoek gaan naar wat het is dat de Dammenaars vandaag bezighoudt en aanbelangt, en dat plaatsen tegen een historische achtergrond. Een stadsdichter moet de mensen vatten in herkenbare en belangrijke gebeurtenissen. Er schuilt voor mij evenveel poëzie in het jaarlijks evenement van de zwemwedstrijd Damme-Brugge, als in pakweg de jaarlijkse herdenking van een belangrijke slag uit de Tweede Wereldoorlog, de zogenaamde 'slag bij het molentje' in Moerkerke, in september-november 1944. Daar zie je heden en verleden mooi samenkomen. Of ik wil het hebben over de opening van de nieuwe cultuurfabriek in Sijsele, dat zal zeker niemand onberoerd laten in die deelgemeente. Zoals je ziet: ik wil echt wel iets verder gaan dan alleen de mooie natuur rond Damme bezingen. (...) Ik zie mezelf niet passen bij het imago van een dichter in zijn ivoren toren. Ik blijf veel liever verder experimenteren en plannen uittekenen met mijn vrienden van het Venijnig Gebroed: albrecht b doemlicht, Denis S.M. Vercruysse, Frederik Lucien De Laere en Jan Wijffels, ook wel te boek gesteld als the warriors of faldera. Iedereen blijft zijn eigen stijl en approach trouw, maar zoals de Fransen zeggen: du choc des idées jaillit la lumière, en het is zeker zo dat we elkaar na al die jaren blijven beïnvloeden met onze waanzin in de diepere kerkers van het bestaan, of met onze onstuitbare logica van de lach. Ons gulle schrijfplezier slaat aan, wordt ook steeds meer au sérieux genomen, in de eerste plaats door onszelf, en de invloed is nooit eenzijdig. In onze gesprekken duiken elementen op waar we elk afzonderlijk iets aan hebben. Mijn stadsdichterschap kan en mag daaraan niets veranderen."

De volledige inhoudsopgave van deze Poëziekrant vindt u hier.

Aanvullend op dit weblog:

> Jan Lauwereyns reageert op drie 'Vragen van Neruda'

> 3 gedichten uit De grote verdwijntruc van Onno Kosters

> fotoverslag van Damme e.o.

Reacties

Laat een reactie achter

Feeds


  • > Meer feeds...

Laatste reacties