Fragment uit 'Kleine doorschijnende man' van Erik Jan Harmens
Op zondag 26 augustus wordt om 18:00 uur in restaurant-café De IJ (MT Ondinaweg 15-17, Amsterdam Noord) het romandebuut Kleine doorschijnende man van Erik Jan Harmens gepresenteerd. Ilja Leonard Pfeijffer geeft een korte inleiding op Harmens’ werk, F. Starik zingt het gedicht ‘Zelfverandering’ van Willem Kloos, Erik Jan Harmens leest voor uit Kleine doorschijnende man en Vic van de Reijt draait Serge Gainsbourg.
'Om controle op zijn leven te krijgen smeekt een man een oud klasgenoot die het tot vermogensbeheerder heeft geschopt om hem in dienst te nemen als handelaar in aandelen. Lijkt de man eerst een talent, al snel komt hij door zijn ramkoersgedrag in aanvaring met kantoorgenoten. Als hij na een periode van ziekte op arbeidstherapeutische basis jaarverslagen van beursgenoteerde ondernemingen op alfabetische volgorde gaat leggen, treft hij als hij de archiefkamer uitloopt een andere wereld aan.
Kleine doorschijnende man is een roman over het failliet van de wedrenmaatschappij en de uiteindelijke onmacht van het individu versus de menigte.'
Hieronder kunt u alvast het derde hoofdstuk van het eerste deel van Kleine doorschijnende man lezen.
Een buurman belde aan en vroeg of ik wilde ophouden met vioolspelen. Ik pakte de viool, legde ’m op de grond, stampte ’m aan stukken, brak de strijkstok op mijn bovenbeen in tweeën, wierp de boel in een vuilniszak en overhandigde die aan de man die, zoals dat heet, een verbouwereerd gezicht trok. Ik heb niet veel tijd zei ik, sloot de deur en keek naar de klok.
Wat me opviel was dat mensen die in het bezit waren van een contract, of op het punt stonden het te ondertekenen (een mondelinge overeenkomst is ook een overeenkomst, stelden ze me gerust als ik ze vroeg waarom ze zo weinig haast maken met het zetten van hun handtekening), het belang van dat document onmiddellijk bagatelliseerden, als een rijkaard die sust dat geld niet gelukkig maakt. Ach, zeiden ze dan, het is maar een contract, een stuk papier waarop wat bepalingen en afspraken staan, met daaronder minimaal twee handtekeningen, opgemaakt in zoveelvoud, blablabla.
Ik ben er blij mee hoor, zeiden ze dan, het is toch loon naar werken, ik heb toch maar mooi drie sollicitatieronden, een assessment en een psychologische test overleefd. Ik heb die andere stumperds toch maar mooi in het kinderzitje gezet, fijn doorsolliciteren jongens, hijs je andermaal in je confectiepak, vergeet je strippenkaart niet, ontdoe je van je anorak vóór je je meldt bij de receptie, kauw die kegel nog even weg, mors niet bij het plassen, schik je haar zo goed en zo kwaad als het gaat, stap op iemand toe, wacht tot de ander zijn naam heeft uitgesproken en antwoord pas daarna met het uitspreken van de jouwe, becomplimenteer het kantoor, ook al is het een afzichtelijke bedoening, prijs op zijn minst de bereikbaarheid, de ruime parkeerplaats of de bloemen op de balie, zeg ook de management-assistant gedag, ook al weet ze het verschil niet tussen boe en bah en kan ze zelfs niet meekomen met de man die het buskruit niet heeft uitgevonden, wacht met gaan zitten tot de ander ga zitten zegt, neem een open lichaamshouding aan, dat wil zeggen de armen niet over elkaar heen maar gematigd daadkrachtig en afgewogen relaxed op tafel, kijk de ander aan maar niet continu, dat zou als intimiderend kunnen worden ervaren, net als bij gorilla’s. Zeg niet goede vraag als iemand je een vraag stelt maar beantwoord ’m gewoon, maak een summier aantal malen een grap of, als humor je onbekend is, lach om de grappen die de ander maakt, maar lach alleen maar een klein beetje als de grap van de ander een mislukte grap is, want het geeft geen pas om te hinniken om een slechte grap, de ander zal zich beledigd voelen en denken, wat is dit voor een gladjakker, die hinnikt om een slechte grap, dat geeft toch geen pas, hij zou enkel een beetje gereserveerd moeten glimlachen, om mijn gezicht te redden, om de situatie niet onhoudbaar te maken, maar zie ’m daar eens gieren, alsof ik spitsvondig was, of gevat, maar dat was ik niet, ik balkte de lucht vol met onnozele woorden met de waarde van een bries in het orkaanseizoen. Het is belangrijk te beseffen dat de verteller van een mislukte grap zelf ook wel weet dat het niets was, het kan zelfs zo zijn dat de ander een mislukte grap vertelt bij wijze van test, om te kijken of je gaat hinniken of gepast gereserveerd glimlacht om de situatie te redden, zoals een butler voorwendt een interessant detail op een olieverfschilderij te bemerken wanneer de darmen van de landheer opspelen.
En nogmaals, denk om die anorak, je jasje hangt er minstens twintig centimeter onderuit. Het is werkelijk geen gezicht. Weliswaar regent het en kun je ook niet aan komen zetten in een doorweekt pak, en taxi’s zijn prijzig, maar ontdoe je op tijd van het gifgele vod, werp het in een hoek of voor mijn part in de vuilnisbak voor de deur, zodat de management-assistant denkt dat je met de taxi bent gekomen, dat deze krap-bij-kas-sollicitant heeft geïnvesteerd in deze missie en zich voor de komende dagen dientengevolge tevredenstelt met hardgeworden brood met tevredenheid. Je kunt ’r immers alles wijs maken. Als je zegt dat je vannacht terug bent gevlogen vanuit Mongolië zal ze vragen hoe lang dat vliegen is en of je voldoende beenruimte had. Als je zegt dat je vanmiddag weer terugvliegt naar Mongolië zal ze aanbieden of je dan ook weer een taxi nodig hebt om naar het vliegveld te komen. Verzin in dat geval iets, dat je je eigen vaste taxi hebt bijvoorbeeld, of dat je eerst nog even een ommetje gaat maken om de omgeving waarin het kantoor staat goed in je op te nemen.
Succes, je kunt het, hou dat in je hoofd, dat je het kunt, kijk in de spiegel en zeg ik kan het, zelfs al weet je dat je het eigenlijk niet kunt, zelfs dan raad ik je aan te zeggen dat je het kunt, je gaat er vanzelf in geloven, op zijn minst tijdelijk, laten we zeggen enkele decennia, tot de man met de hamer je zo’n peut verkoopt dat je groggy op het canvas van je paardenharen Hästens de wereld (je vrouw, je dochters) bekent dat je het niet kunt, en nooit hebt gekund, en nog een heleboel werkwoordsvervoegingen meer.
Maar dat is voor later. Nu bijt je je bakkes in de spiegel toe dat je ervoor gaat, hmpf twee drie vier, hmpf twee drie vier, je bitst je ondervrager toe dat je een teamspeler bent, dat je ook zelfstandig kunt werken, dat je stressbestendig bent, accuraat, humor een groot goed vindt, kunt doorbuffelen als het moet, flexibel bent, weet ik veel wat je allemaal uitkraamt. Als je een slechte eigenschap van jezelf moet opnoemen zeg je: ik kan nogal ongeduldig zijn. Als de vraagsteller zegt: noem eens een slechte eigenschap van je en dan bedoel ik niet dat je wel eens ongeduldig kunt zijn want dat zegt iedereen, zeg dan: ik neem wel eens te weinig tijd voor mezelf, gelukkig corrigeert mijn vrouw me dan en als het werk het toelaat gaan we een middagje over het strand lopen. Dan kom ik weer helemaal tot mezelf. Als je wordt gevraagd naar je levensmotto, zeg dan: carpe diem, pluk de dag. Of: een dag niet gelachen is een dag niet geleefd. Of: the proof of the pudding is in the eating. Vermijd platvloerse statements of al te ingewikkelde credo's van Schopenhauer of Nietzsche. De mottovraag is er een in de categorie non-vragen. Je moet ’m wel beantwoorden maar zolang je antwoord niet platvloers of al te overdreven levensbeschouwelijk is zit je geramd. Heel vaak maakt het niet uit wat je zegt, als je maar wat zegt.
En zo bagatelliseerde het maar door, en werd het contract in hun verhaal onbeduidend als natgeregend vloeipapier, en ze spraken vuile taal met een lelijke lach op het gezicht en een saldo op de rekening die niet meer op het afschrift past.
Maar wat is een man zonder een contract? Nee, wat is een man wiens contract ontbonden is? Hij is reddeloos verloren. Op de maandagochtend na de vrijdag waarop het slechtnieuwsgesprek plaatsvond, wordt hij wakker. Hij hoort zijn buurman het ijs van de voorruit van zijn bmw krabben. Hij hoort dat zijn vrouw de sleutels van de Alfa Romeo overhandigt aan de accountmanager van de leasemaatschappij. Hij loopt naar beneden, wurmt een coffeepad in de Senseo, drinkt koffie, koppensnelt de krant, houdt zijn voeten omhoog als zijn vrouw stofzuigt, loopt door het winkelcentrum, koopt sokken, overweegt het op een zuipen te zetten, rijdt in de Fiat Punto van zijn vrouw de ringweg enige malen rond, overweegt spookrijden, eet drie gehaktstaven bij de Shell, rijdt naar het strand, schampt een kokmeeuw, durft niet te kijken of het beest dood of gewond of enkel aangeslagen is, rijdt terug naar huis, pist in de theepot, leegt de theepot, sproeit Dubro in de theepot en vult ’m met heet water (zet ’m in de week), neemt zijn laptop mee naar bed, rolt de rolgordijnen naar beneden, past een reep toiletpapier af, stopt een dvd in de laptop, spoelt de wc door, zet de laptop terug waar hij hoort, legt de dvd weg, laat het bad vollopen, ontspant enkele minuten, droogt zich af, haalt de stop uit het bad, overweegt roken, drukt een willekeurig nummer op zijn mobiel in en hangt op als iemand opneemt, kotst, poetst zijn tanden, begroet de sleutels van zijn vrouw in het slot, zegt haar dat hij de sjaal die ze kocht mooi vindt, begroet zijn kinderen, speelt een spel met ze op de Playstation en weigert ze te laten winnen, prikt in een slavink, geeft zijn kinderen als ze in bed liggen een kusje door de lucht, staart naar het Journaal, wenst zijn vrouw een goede nacht, haalt de Chivas Regal uit zijn aktetas, schenkt twee glazen vol, een voor zichzelf en een voor de mallemoer, proost en drinkt. Wat nou maar een contract?!
Het interesseerde me eigenlijk niet eens wat er in het contract zou komen te staan. Al stond er dat ik één uur in de week je schoenen moest schoonlikken voor een bruto onkostenvergoeding, dan nog zou ik tekenen. Al stond er dat ik veertig uur in de week met een prikker door het plantsoentje voor je kantoor moest banjeren, weer of geen weer, op zoek naar vuil, dan tekende ik het. En dan zou ik er ook staan, met die prikker! En dan ging ik ook op zoek naar vuil! En als ik vuil zou vinden, weet je wat ik dan zou doen? Dan zou ik m’n prikker erin steken! En als ik mis zou prikken, weet je wat ik dan zou doen? Dan prikte ik nog ’ns! Net zo lang tot ik de ijsverpakking of het lege sigarettenpakje triomfantelijk in m’n plastic zakje zou weten te stoppen. En een goede dag zou een dag zijn waarop ik, in het licht van de maan nog, een volle plastic zak in de vuilcontainer zou werpen. Ik zou thuiskomen, nog even naar m’n geplastificeerde contract kijken, douchen, eten, de boel aan kant maken en m’n bed induiken, om bij het licht van diezelfde maan weer op te staan, m’n overall aan te trekken en weer het plantsoen te doorploegen, op zoek naar nieuw vuil. Misschien zou ik mensen die ik ken vragen om ’s nachts langs het plantsoen te rijden en er vuil in te werpen, lege colablikjes, condooms, batterijen, weet ik veel. Ik zou dan de volgende dag, in het licht van de maan nog, vast wat beginnen met prikken, maar met het echte werk wachten tot je Citroën ds de parkeerplaats op zou stuiven, als je uitstapte en een praatje met me wilde aanknopen zou ik met een vies gezicht een condoom tussen m’n duim en wijsvinger houden en in m’n plastic zakje stoppen. En jij. Jij zou denken: zo’n kwaaie is het niet, deze man heeft duidelijk karakter, hij haalt zijn neus niet op voor de meest ranzige klusjes, zoals in het plantsoen voor mijn kantoor, wat toch een beetje het visitekaartje van deze onderneming is, een condoom uit de struiken vissen. Misschien kan hij ook wel een winst-en-verliesrekening opstellen, of een go of een no-go geven, met onderbouwing. Als hij niet in het plantsoen had staan vissen, had mijn klant of toekomstige klant zijn auto geparkeerd, naar het plantsoen gekeken en een condoom tussen de struiken zien liggen! En nu. Nu kijkt hij naar het plantsoen en denkt hij: keurig plantsoen, prima plantsoen.
Echt prioriteit heeft het niet, maar het komt eigenlijk hier op neer. Als een klant of een toekomstige klant naar het plantsoen voor je kantoor kijkt en er niets ranzigs in ziet liggen, bijvoorbeeld een condoom, dan zal hij aan dat kijken geen belang hechten en het betitelen als een beetje voor zich uit kijken, zomaar een kant op, alvorens aan te bellen en je kantoor binnen te gaan. Maar als hij naar het plantsoen kijkt en hij ziet tussen de struiken een condoom liggen, dan zal hij die waarneming toch koppelen aan zijn waardering betreffende jouw onderneming. Hij zal heus niet onmiddellijk zijn auto weer instappen en wegrijden. Maar hij zal toch met een minder prettig gevoel je kantoor binnenlopen.
En als dan bijvoorbeeld ook nog blijkt dat jij je beroerd hebt voorbereid op het gesprek, en laten we zeggen hem aanziet voor de bestuursvoorzitter van een softwareontwerpbedrijf, terwijl hij zijn software afneemt van Bits en alleen maar implementeert en onderhoudt, dan kan die som der delen wel eens leiden tot een no-go.
Hoe euforisch moet dat zijn, bedacht ik, dat je de volgende ochtend, in het licht van de maan nog, een rol toiletpapier aan je prikker rijgt om dan jouw hand op mijn schouder te voelen, een hand van geruststelling, van waardering, een hand die uitdrukt dat je je waardeloze kutcontractje door de plee kunt spoelen omdat er een nieuw contract aankomt, een echt contract, een trekdieoveralluitenhijsjeinditkrijtpak-contract, een gisterenjouwdenzejenoguitomdatjemeteenprikkerdoordeplantsoenenbanjerde-maarnugapenzejevolbewonderingaanomdatjehetpuuropkarakterendoorzettings-vermogenhebtgeschopttotjuniorexecutive-contract.
Ik zou alles tekenen. Had je me een wit vel papier voorgehouden, ik had het getekend. Zonder te knipperen met mijn ogen. Radang! Handtekening! Geplaatst! Ik ben er! Ik taai niet af! Ik verzaak niet! Ik ben er!
Toen ik mijn agenda nog kon vinden en ik de bloemen nog schuin afsneed voor ik ze in lauw water zette, in plaats van ze met de kop naar onder in de wc-pot te drukken en door te duwen tot je er niets meer van zag, had ik met Oost-Indische inkt een niet-doorgetrokken streep op je pols getekend, als een kartelrand op een pak houdbare melk, en je in het gezicht geblazen en meisjes op je afgestuurd die dan vroegen of je met ze uit wilde en als je dan zei dat je dat wel wilde je uitlachten en in stukken achterlieten in het rookhok, en, als ik iets anders te doen had, wandelde ik met een boog om je heen. En nu beloofde je me een contract.
Reacties