Vechtende spiegels, DWB, juni 2007 (nr. 3)
- door Xavier Roelens
Wanneer een multimediaal project van start gaat, een begin gemaakt wordt met de verliteraturing van een strip en wetenschappelijke inzichten zich mengen met poëzie en theater, kunnen we gerust spreken van een experimenteel DW B-nummer. De titel van het nummer is Vechtende spiegels en toont hoe, in de woorden van de Cubaan José Lezama Lima, “invloeden geen oorzaken zijn die bepaalde uitwerkingen produceren, maar uitwerkingen die licht werpen op oorzaken”.
“In deze aflevering starten we met het multimediale project Tegenlicht 2007-2010, in samenwerking met Cera. [...] We confronteren werk van een befaamde kunstenaar (de protagonist) uit de Cera-collectie met een jonge beeldend kunstenaar/fotograaf/videast ... uit dezelfde collectie. Deze antagonist gebruikt bestaand werk of maakt nieuw werk, dat paradoxaal de dubbele rol speelt van 'vernietigingsmachine' en 'verbeteringsfabriek'. Het vernietigen van een kunstwerk kan het sacrale bevrijden dat erin ligt opgeslagen. In de factory speelt ook een schrijver-scenarist een onmisbare rol. Hij is een verslaggever die de 'transformaties/manipulaties' begeleidt en erover rapporteert.” In de eerste factory past Pieter Vermeersch zijn onderzoek van licht en schaduw toe op foto's uit het atelier van Philippe Van Snick. Deze twee abstracte schilders krijgen een literaire pendant door Saskia De Coster, die 26 variaties van "hetzelfde" verhaal schreef. Het resultaat valt ook te bekijken en lezen op tegenlicht.org, met ook een filmpje waarin een nieuwsgierige camera in Van Snicks atelier rondloopt en met als audio zes meisjesstemmen die een verhaal van De Coster voordragen. Dat laatste wordt pas echt interessant wanneer de zes voordrachten samen worden afgespeeld. Al is het woord multimedia overroepen - de verschillende media gaan niet in interactie - het geheel biedt wel een mooi verhaal van nieuwsgierigheid in een inspirerende kunstenaar.
Ook Erik Bindervoet en Robbert-Jan Henkes hebben inspiratie gevonden voor een nieuw en opnieuw onalledaags project: na de verstripping van romans van onder andere Proust en Reve verliteraturen zij nu de Suske en Wiske-strip Het Zingende Nijlpaard. In dit nummer valt alvast de proloog en het begin van het eerste hoofdstuk te lezen, tot aan het verkeersongeluk van Lambik en Wiske. Wordt vervolgd.
Het nummer bevat poëzie van Kees Engelhart, Arnoud van Adrichem, Erik Spinoy en de Argentijnse dichter Juan Gelman. Van deze laatste vertaalden Guy Posson en Stefaan van den Bremt drie gedichten die een aardse mystiek uitstralen. De in mijn inleiding geciteerde zin van Lezama Lima komt uit de inleiding bij Gelmans werk.
Spinoy heeft na zijn Boze wolven opnieuw een levend wezen gevonden dat zich tussen de plooien van het officiële leven beweegt: de cordyceps. Deze parasitaire schimmel leeft vooral van lichamen van insecten. Met een rijk wetenschappelijk jargon schrijft Spinoy zijn smalle gedichten en legt open wat er in het verborgene van een lichaam gebeurt: “In onvermoede holten / van mijn lijf / herbergt elkeen / zijn eigen parasiet // en weet het niet /// noch weten anderen iets / zolang // het mycelium / nog schuilgaat in het skelet // het zachte weefsels vreet / maar elk vitaal orgaan ontziet // en het brein niet / in een vruchtbare brij / is opgelost.”
Een gelijkaardige blik in het lichaam biedt Marijs Boulogne met haar toneelstuk Pas – maar al rot. Het stuk beschrijft uitvoerig het rottingsproces van een doodgeboren kind. Boulogne speelt zelf “Moedere Hein” met in haar armen een eigenhandig geborduurd en gehaakt poppekind, inclusief de lever, milt en andere ingewanden. De tekst is natuurlijk maar een onderdeel van een theaterstuk, maar ook bij lectuur grijpt het slot naar de keel, wanneer de wormen hun weg zoeken “in onvermoede holten”.
Achteraan het nummer staan zoals gewoonlijk lange recensies. Zo maakt Sven Vitses recensie van Het derde huwelijk van Tom Lanoye me attent op een roman van Nicolaas Matsier uit 2005. In Het achtenveertigste uur vertelt Matsier het verhaal van een asielzoeker die strandt op Schiphol en door de bureaucratische mallemolen zelfs van zijn persoonlijk verhaal beroofd wordt. De afstand tussen twee manieren van kijken naar de werkelijkheid wordt in deze grenssituatie tot het uiterste gedreven.
Hans Groenewegen zoekt via de omweg van een wandeling in het bos en het gedicht Dispuut van Nachoem M. Wijnberg (met het prachtige vers “Geen zin kan zijn letterlijke betekenis ontsnappen.”) naar een ingang in “'Dirk van Bastelaere', De voorbode van iets groots”: “Het filmen zonder waar te nemen wordt in Van Bastelaeres bundel tot een allegorie van de hedendaagse werkelijkheid. Er is een overvloed aan gebeurtenissen, impulsen, toevallen, ordeningen en beelden waaraan een veelvoud aan betekenissen kan worden toegekend. De vage beeldjes van de film van Abraham Zapruder kregen een enorm gewicht, maar waren door hun ongerichtheid volstrekt niet eenduidig. In elke theorie van de moord vielen ze in te passen. Op dezelfde manier maken wij dagelijks onder de enorme druk veelvoudige onverbonden keuzes voor het toevallige houvast van betekenis, in voortdurende afweer van wat het tegenspreekt door een andere richting op te wijzen of door überhaupt niet te wijzen.” Niettemin eindigt zijn bespreking met kritische retorische vragen, genre: “Woekeren de aanhalingstekens uiteindelijk niet zo overweldigend, dat zij de naam van de dichter overweldigen?”
Tot slot zoekt Gaston Franssen in de eerste drie bundels van Saskia de Jong naar haar literaire strategie: “Dat is de strategie van De Jong: ze komt eerst tegemoet aan de traditionele verwachtingen die poëzie oproept, om de lezer vervolgens op zijn vingers te tikken en zijn vooronderstellingen bruusk onderuit te halen. Dat leidt tot plagerige en desoriënterende gedichten – tot onweerstaanbare poëzie, kortom.” Tegelijk echter leidt deze strategie tot een impasse: “De Jong zit gevangen in de dubbele bodem van haar eigen ironie. Ze poseert als Dichter met hoofdletter D, terwijl ze knipoogt naar de lezer, suggererend dat ze eigenlijk een heel ander soort dichterschap voor ogen heeft. Maar de lezer krijgt geen uitsluitsel over wat dat andere dichterschap precies behelst.” Uiteindelijk is het De Jongs zelfbewustzijn van de impasse die haar gevecht met het Dichterschap voor Franssen zo fascinerend maakt.
Reacties