Ons Erfdeel, nr. 2 (mei 2007)
- door Xavier Roelens
Het culturele tijdschrift Ons Erfdeel bestaat vijftig jaar. Dat werd niet alleen gevierd in De Brakke Grond in Amsterdam en in de aula van de Universiteit Gent, maar sinds begin dit jaar houdt de stichting een eigen weblog bij en vooral: het tijdschrift zelf is in een nieuw kleedje gestopt, heeft er enkele grammen papier bij gewonnen, met in het midden ook een portfolio in kleur (handig bij beeldende kunst), en is (jammer genoeg) de frequentie dan weer gedaald van vijf naar vier nummers.
Nu, het kleedje is nog altijd het kleedje van een vijftigjarige dame met stijl. Ze probeert niet nodeloos hip te zijn, maar weet zich ook nu nog altijd met meer smaak te kleden dan het gemiddelde literaire of culturele tijdschrift. Op dat vlak is er weinig verandering in de vernieuwing en ook inhoudelijk blijven de artikels zowel diepgaand als uitnodigend. In het meinummer bijvoorbeeld (dat hier voor mij ligt) smaken naar meer: het artikel over het werk van de jonge kunstenares Lonnie van Brummelen en de besprekingen van Dromen van een expeditie van Dirk Lauwaert (verzamelde filmbesprekingen) en De kunstenaar en de dokter van Jan Dequeker (waarin de arts Dequeker vanuit zijn kennis wijst op ziektes en afwijkingen van personen op historische schilderijen).
Ons erfdeel viert de vijftigste jaargang met enkele speciale rubrieken. Ten eerste zijn de Belg Tom Naegels en de Nederlander Bart Dirks gevraagd om een jaar lang een blik te werpen op “elkaars ‘dichtste” buitenland”. In het eerste nummer hadden ze het over ‘diversiteit’, in het tweede buigen ze zich over ‘geloof’. Naegels heeft het daarbij over een hernieuwde rol voor religieus geïnspireerde thema's in de Nederlandse maatschappij (zonder dat daarbij het aantal gelovigen toeneemt), terwijl Dirks ondanks de aanwezigheid van een "katholiek humuslaag" toch vooral de ontkerkelijking beklemtoont. Verder blikt in elk nummer iemand terug op wat het voor hem of haar betekent om vijftig te worden. In het eerste nummer was dat de schilder Philip Akkerman, in het tweede de schrijfster Marjoleine de Vos.
Elk nummer van Ons Erfdeel biedt meer dan voldoende aandacht aan poëzie en literatuur, maar nodigt door de maatschappelijke bijdragen en door bijdragen over beeldende kunst, theater, dans, film, architectuur, klassieke en populaire muziek en taalpolitiek uit tot een open geest. Het tijdschrift is een gedroomde vertegenwoordiger van wat er vandaag in de Vlaamse en Nederlandse Kunsten gebeurt. Ik beperk mij hieronder tot de bijdragen over poëzie in het tweede nummer, maar enkel als uitnodiging om na lectuur ook de rest van het nummer te gaan ontdekken.
*
Piet Gerbrandy over Benno Barnard als dichter (en essayist): “In de loop van zijn poëtisch oeuvre komt Barnard steeds meer los. De vorm wordt opener, de toon persoonlijker, de beelden worden steeds vaker ontleend aan de straat, de stad, uiterst concrete vriendschappen en liefdes, en elke keer opnieuw: de geschiedenis. “O poëzie! Jij op muziek gezette tijd!” (p. 86 [in het verzameld werk Het Tongbotje]) Wanneer Barnard fictieve of authentieke levensverhalen optekent, is hij op zijn best. Daarom zijn de langere gedichten vaak de meest geslaagde.”
Thomas Vaessens reageert op Cyrille Offermans’ bespreking van zijn boek Ongerijmd succes: “Heb jij Van Ostaijen wel eens ontmoet?”
Paul Claes bespreekt het gedicht Eben Haezer van Gerrit Achterberg: “Anders dan auteurs als Jan Wolkers en Maarten ’t Hart heeft Achterberg zich nooit expliciet van het geloof van zijn jeugd afgekeerd. Toch klinkt de beroemd geworden regel “Godsdienst hing zwaar tegen de hanebalken” als een aanklacht tegen de drukkende sfeer van het calvinisme.”
Marco Daane over Verzameld werk van Richard Minne: “Voor een aantal onderdelen van Minnes oeuvre was dit zo ongeveer de laatste kans op vastlegging en heruitgave voor een groot publiek. Die kans is door de klaarblijkelijk gemaakte keuze om alleen fictie te verzamelen – de verantwoording zwijgt hierover – gemist, en waarschijnlijk voorgoed verkeken. Voor Aantekeningen van een Gentenaar is dat zelfs ronduit tragisch. […] De gedichten en verhalen zijn (zij het niet vlekkeloos) bijeengebracht. Toch hadden we gehoopt er nóg blijer mee te zullen zijn.”
Yra van Dijk over Verzamelde verzen 1886-1923 van J. H. Leopold: “Vanuit die veelheid [aan varianten] is er nu een eenheid gesmeed, en dat is buitengewoon prettig. Ook het voltooide blijkt zijn rijkdom te hebben. Het leesplezier van zoveel “nieuwe” gedichten van de grote dichter weegt wat mij betreft ruimschoots op tegen het verlies van de varianten. […] De vraag is wel of het, in deze tijden, niet mogelijk was geweest om de veelheid tegelijk ook aan de lezer te presenteren, bijvoorbeeld op een cd-rom. Juist bij dit oeuvre zou een elektronische presentatie fantastisch werken.”
Ad Zuiderent naar aanleiding van Een fractie van een kus van Leonard Nolens: “Zo eerlijk en persoonlijk als hij is als dagboekschrijver, zo eerlijk en persoonlijk wil hij als dichter zijn. Een dichter dient trouw te zijn aan de persoonlijke werkelijkheid, zich niet te verschuilen achter algemeenheden. Binnen het ritualiserende keurslijf van alles wat poëzie tot poëzie maakt (dat zijn bij hem een hele reeks muzikale middelen, van woordklank tot harmonische vormgeving) wil hij vooral realist zijn, beschrijver van eigen leven en liefde.”
Reacties