« | Hoofdmenu | »

Interview met Delmotte & Vekemans

- door Xavier Roelens

Het huidige nummer van De Brakke Hond staat in het teken van het prozagedicht. Het nummer is samengesteld door Alain Delmotte en Herlinda Vekemans. N.a.v. deze uitgave vond op 22 juni een thema-avond plaats in Perdu.

De Brakke Hond, nr. 95Jullie hebben de prozagedichten-special de titel Een nieuw elan meegegeven. Is het prozagedicht aan een heropleving toe in de Nederlandstalige literatuur?

In de inleiding citeren we Elma van Haren die slechts enkele jaren geleden opmerkte dat het prozagedicht in ons taalgebied niet au sérieux genomen wordt. Dat er in het Nederlands op dit moment echter wel degelijk kwalitatief interessante prozagedichten werden en worden geschreven, nooit eerder werd het zo luid verkondigd als in dit nummer!

We merkten dat de jongste generatie onproblematisch met het prozagedicht omgaat. Die generatie vond er zelfs een eigen kleur en teneur voor uit. Een soort mengvorm. Waarbij niet zozeer het visuele van het proza (‘het horizontale’ zoals Rutger Cornets de Groot dat zou omschrijven) dan wel de prozaïsche toon wordt beklemtoond. Dankzij het enthousiasme van de jongste generatie dichters, durfden we spreken over een nieuw elan.
Was het ooit anders? Kijk de bloemlezingen (met canoniserend karakter) van de laatste veertig jaar er op na: en je zult merken hoe onbestaande het prozagedicht wel leek.

De beschouwende teksten in het nummer vertonen geen volledige overeenstemming over het wezen van het prozagedicht. Sommigen zien een prozagedicht als een gecondenseerde prozatekst die elementen uit de poëzie overneemt. Anderen zien het als een gedicht dat het uitzicht van een korte prozatekst aanneemt. Zowel romanschrijvers als dichters hebben in het verleden prozagedichten geschreven. Toch hebben jullie voor de creatieve bijdragen enkel dichters aangeschreven en wordt in de inhoudstafel ook van "gedichten" gesproken. Vanwaar die discrepantie?

Prozagedichten zijn hoe dan ook gedichten, is onze stelling. In het nummer werkte Alain die stelling over het prozagedicht vieux cru in het artikel over Luuk Gruwez uit. Kern van dit betoog: in een  (proza)gedicht speelt het spanningsveld zich vooral op het niveau van het taalweefsel af. Het taal- of woordspel maakt de dynamiek van de tekst uit. We weten uit eigen schrijfervaring dat er wezenlijk geen verschil is tussen het schrijven van een ‘gewoon’ gedicht of een prozagedicht: het blijft zwoegen, het blijft een gevecht met de taal en tegen het onzegbare, het blijft zoeken naar het juiste woord. Dat we kozen voor de term ‘Gedichten’ had uiteraard ook te maken met het soort ‘mengvorm’ (tussen proza- en dichtvorm) dat we van enkele deelnemende dichters mochten ontvangen.

Dat we enkel ‘dichters’ hebben aangeschreven, klopt niet helemaal. Johan De Boose, Jean-Marie De Smet, Koenraad Goudeseune, Chris Honingh, Luuk Gruwez en Philip Hoorne zijn ook auteurs van ‘narratief’ proza. We hebben eveneens  Erwin Mortier aangesproken en ook hij was bereid om mee te werken. Maar de deadline bleek jammer genoeg voor hem niet haalbaar. Toegegeven: dat sommige dichters in ons nummer ook auteurs zijn van narratief proza is eerder toeval. We hebben niet expliciet naar ‘romanschrijvers’ gezocht. Op het moment van de samenstelling hadden we immers nog niet het minste idee van wat Jan Willem van der Weij ging poneren. Namelijk, dat hij meent op literair-historische gronden een polarisatie vast te kunnen stellen tussen prozaschrijvers die prozagedichten schrijven en dichters die prozagedichten schrijven. Dit heeft volgens hem als implicatie dat er zich meteen twee verschillende percepties over het prozagedicht voordoen. Dat onderscheid hebben we dus niet gemaakt. Zelf zien we nu pas het verband. We denken aan de al genoemde Erwin Mortier, Dimitri Verhulst, Koen Peeters. Of aan Maurice Gilliams. Of aan de zogenaamde opus schrijvers: Michiels, Roggeman, Robberechts. Wie nog? We zie inderdaad plots mogelijke verbanden. Dit allemaal, we herhalen het, a postiori welteverstaan. Waaruit we kunnen besluiten dat er na dit nummer nog stof voor discussie en controverse genoeg over blijft voor... nog zo’n nummer! Het spectrum is breder dan we oorspronkelijk dachten. De literaire genres vallen steeds meer diffuus uit. Dat vinden we beiden boeiend!   

Hoe kijken jullie na dit nummer naar de term "prozagedicht"? Is het voor jullie een volwaardig genre naast (of onder) proza en poëzie, of is het een poging om met dat woord dat te vatten dat wat de beide genres ontglipt?

Voor ons was en blijft het prozagedicht een volwaardig genre en poëticale mogelijkheid. We vonden het prozagedicht wel ondergewaardeerd. Dat was onze voornaamste motivatie: ruchtbaarheid geven aan het bestaan van het prozagedicht. Of we er nu in geslaagd zijn om het genre sluitend te omschrijven; dat was niet de essentie noch onze bedoeling. Het genre valt niet te omschrijven. Zoals poëzie ook niet valt te omschrijven. Wel ondervonden we dat het prozagedicht duidelijk in ontwikkeling is - net zoals poëzie tenslotte ook voortdurend in ontwikkeling is. In onze inleiding citeren we Mortier: ‘Iedere sluitende definitie is een sluipmoord op de ziel der dingen, die uit stilte bestaat.’

In Amsterdam hebben jullie gediscussieerd over vier thema’s: de rebelse aard van het prozagedicht, over de verschillende typeringen uit het verleden, over de typografie, en over de verbondenheid tussen het prozagedicht en verschillende talen. Wat is jullie van de gespreksavond bijgebleven?

Behalve het debat was er ook een speels opgevat gedeelte in het begin, waarbij het publiek beschikte over twee kaartjes van een verschillende kleur en hen gevraagd werd te beslissen of een tekst een gedicht dan wel een prozagedicht was, een stukje lyrisch proza dan wel een prozagedicht, enz. We hadden nu eens met schroom, maar ook wel met gniffelend genoegen prozagedichten getoverd van ‘gewone’ gedichten of lyrisch proza, ook van een paar gedichten waarvan we vonden dat ze sterk wit aan het einde van de regels hadden. Sterk wit of niet, het publiek koos vaak voor de prozagedichtvariant. Woorden vielen als dominostenen tegen elkaar aan, en tot menige verbazing/horreur hield de cesuur aan het einde van een regel vaak geen stand. Tegen het einde van het literaire spel hadden we allen het begrip genre uit zijn oevers zien treden.

Het panel zat overigens niet te wachten om zandzakjes aan te dragen en alle genres weer netjes in de vertrouwde bedding te laten lopen. Veeleer zijn ze erin geslaagd om het relatieve karakter van een bepaalde vorm elk vanuit hun eigen discipline te laten aanvoelen. Uiteraard ga je dan aan van alles twijfelen, maar dat is net een voordeel. Of zoals een van de deelnemers het zei: ‘om te weten wat een prozagedicht is, moet je er een aantal schrijven. Om te weten wat poëzie is, moet je poëzie schrijven.’ Schrijven kun je hier ongetwijfeld ook door lezen vervangen. Het leerrijke van de avond was o.a. dat we via het ingangspoortje van het genre weer eens op een andere manier naar poëzie keken. Spel en debat hadden dat doel voor ogen, en dankzij Rutger Cornets de Groot, Elma van Haren, Bart Vonck, Jan-Willem van der Weij en een geïnteresseerd publiek werd het een heel boeiend gesprek.

Alain, jij hebt onlangs een premie ter waarde van 1200 euro en een bronzen ereplaket van de Provincie West-Vlaanderen gewonnen in de categorie gepubliceerd werk voor twee prozagedichtenbundels: Lieve Wislawa/Onderschrift 2 en Verstekelingen/Onderschrift 3. Proficiat! Hoe verrast was je en hoe belangrijk is het prozagedicht in je eigen werk?

Ik was compleet verrast. Niet alleen omdat dit nu al de derde keer op rij is dat ik een premie win (driemaal is scheepsrecht naar het schijnt) maar ook om volgende reden: de selecte (d.w.z. uitstekende) en (desalniettemin) politiek correcte samenstelling van de jury was van die aard dat je niet zou verwachten dat men dit soort werk (dat voornamelijk uit prozagedichten bestaat die weifelen tussen lyriek en beschouwing) zou bekronen. Het feit dat ze dit toch deden, wijst mijn inziens niet alleen op een erkenning voor wat ik doe maar ook op een erkenning van het (tussen)genre waarin ik me begeef. Die erkenning hing een beetje in de lucht, vind ik. Ik denk aan de nominatie in 2006 van de bundel Kleine lichamen van Peter Ghyssaert, de grote bereidwilligheid van de redactie van De Brakke hond om het nummer samen te stellen en last but not least het enthousiasme van de dichters die aan het nummer hun bijdrage leverden. Ik moet nu toch wel een nuance aanbrengen: het juryrapport heb ik nog niet kunnen inzien. Uit vorige edities weet ik dat dit rapport wel eens streng en relativerend kan uitvallen.

Deze bundels zijn inderdaad in eigen beheer uitgegeven (maar dat speelde dus blijkbaar geen rol bij de jurering, wat ook al niet vanzelfsprekend lijkt). Het manuscript van Onderschrift 2 stuurde ik ooit naar een uitgever die het erg nadrukkelijk afwees. Je kunt een manuscript afwijzen en je kunt iemand beledigen. Die afwijzing ervoer ik als een belediging. Het werd mij ook duidelijk dat dit soort geschriften geen commerciële waarde hebben. Tenzij je, neem ik aan, bereid bent allerlei toegevingen te doen. Ik werk van nature eclectisch en pragmatisch maar ingrijpen/schrappen in de kern van het concept van ‘Onderschrift’ (waarin een samenwerking met een andere kunstenaar en/of kunstvorm centraal kan staan) wil ik tot op vandaag niet.

Het uitgeven in eigen beheer heeft twee nadelen. Je werk wordt niet gerecenseerd of gebloemleesd. Of nauwelijks: van Lieve Wislawa verscheen een mooie recensie van Johan Velter in Poëziekrant. En Chrétien Breukers nam een gedicht uit dezelfde bundel in zijn bloemlezing op, wat mij enorm gesterkt heeft en waarvoor ik hem dankbaar ben. Ik mag ook François Vermeulen van Stroom niet vergeten.
Tweede nadeel: het is een financiële aderlating die ik me thans niet meer kan en wil veroorloven – het is genoeg geweest. Ik zoek dus een uitgever die Onderschrift 4 ‘Lascia dir le genti’ en Onderschrift 5 ‘Narratieven’ (twee bundels in wording) wil publiceren.
Wie zich ondertussen Onderschrift 2 en 3 wil aanschaffen, kan altijd bij mij terecht: alain.delmotte@pandora.be.

(Dit nummer van De Brakke Hond is hier te bestellen.)

Reacties

Het zijn achtereenvolgend altijd de prozagedichten, de podiumpoezie, de rijmelaars, de hermetici en de lightverse dichters die in Nederland niet serieus genomen worden. Men kan dus denk ik gerust stellen dat het niet serieus genomen worden een typisch Nederlands probleem is. Het is een zeer ingewikkelde en heikele kwestie om door de Nederlandse literatuur serieus te worden genomen, zo blijkt; men zou bijna gaan vermoeden dat wij op een of andere lugubere wijze aan het wachten zijn op een soort Aafjesachtige Godot...

Het hoeft niet altijd financieel veel te kosten hoor, in eigen beheer.

groetjes en succes,

J.L.

Laat een reactie achter

Feeds

  • klik hier voor het allerlaatste (literatuur-)nieuws


    > Meer feeds...

Zoeken

  •  

Laatste reacties

Colofon

Advertenties