« Herman de Coninck (1944 - 1997) | Hoofdmenu | 3 gedichten van Onno Kosters »

Yang 1.2007, april: Drijfvergunningen

- door Xavier Roelens

Zes woorden over de gedichtencyclus Arf van Gwenaëlle Stubbe: lekker absurdistische prozagedichten grappig verhalend visualiteit.

Zes gedichten voor op de tram van Oliverio Girondo.

Zes zinnen uit het kortverhaal Gebirgshallen van Robert Walser: “Kent u de Gebirgshallen aan Unter den Linden? Misschien kunt u er eens naartoe gaan. De entree is slechts dertig pfennig. Als u de caissière ook brood of worst ziet eten, keer dan niet met weerzin om, maar bedenk dat het de avondmaaltijd is, die daar genuttigd wordt. De natuur eist overal haar rechten. Waar natuur is, daar is betekenis.”

Zes zinnen uit het romanfragment Che van Marc Reugebrink: “Het was november en er was zoals elk jaar kermis op het plein voor het gemeentehuis, niet ver van het jeugdhonk. Er draaiden een carroussel en een zweefmolen, en bij hoge uitzondering was er ook een cakewalk waar Rega maar met moeite in durfde, zwoegend op bewegende planken, op en neer gaande vloerdelen en een steile helling opwaarts, een brede lopende band als het ware, waar de voor de gelegenheid door de exploitant ingehuurde Keyzer meisjes onder de oksels pakte (‘en een klein beetje bij de borstjes, Rega,’ zei hij later, ‘een klein beetje wel natuurlijk’) en zo naar boven hielp – en dan op een lange en brede golvende lopende band annex glijbaan weer helemaal naar beneden. Telkens wanneer Rega aan een nieuwe cyclus begon, wanneer hij na beneden te zijn aangeland en op de schouders werd geslagen door Hans Veerling en door Kuno, die er maar niet genoeg van konden krijgen, hij toegelachen werd door een achterom kijkende Betty die zo snel als mogelijk opnieuw omhoog wilde, over wild bewegende planken naar de steile helling en Keyzers grote, warme handen – telkens voelde Rega zich dan wat misselijk worden. […]
Het was na de zesde of zevende keer dat hij [Rega], willoos naar beneden rollend en glijdend, in het omwentelen plotseling in Mireilles ogen keek, in staal-, nee grijs-, nee briljant-, briljantblauw met stipjes geel, olijf-, brem-, koolzaadgele stipjes en hier en daar een zweem van grijs, cementgrijs of… of duif… duifblauw, heet het geloof ik, toch blauw dus (RAL-kleur 5014, Taubenblau, Pigeon blue, Bleu pigeon, Azul colombino, Blu colomba…) duifblauw, maar haast grijs (het luisterde nauw) – in Mireilles ogen keek hij. En naar haar gezicht, haar lippen, lipjes, rozerood, Rosé, Rosa, Rosato, bleekrood dus eigenlijk, bleekrode, niet gestifte, dacht hij, niet gestifte lipjes. En haar glimlach zag hij, en haar ogen, en haar glimlach (dat zei ik al), en haar haar, blonde fijne, goud-, honingblonde haartjes – overal, dacht hij misschien wel onmiddellijk, overal op haar lichaam glanzend dons, zich hier en daar verdichtend tot kleine ragfijne krulletjes.”

Zes woorden over moord in het marionettentheater van Nick J. Swarth: woordenschijterij vraagtekens overload beter als writer-in-residence.

Zesmaal verschoning aan de ongelezen Lisa Robertson. Ik ben ook maar een man.

Zes zinnen uit Samuel Vriezens recensie van de Amerikaanse bloemlezing Bay Poetics: “Een netwerk van vrienden, vrienden van vrienden, vrienden van vrienden van vrienden, dat is precies de manier waarop Bay Poetics is samengesteld. Bay Poetics is als een poëtisch Friendster-netwerk waarvan de meerdimensionale topologie is vertaald naar de lineaire vorm van het boek. Dit verklaart het eerder sociaal dan historisch aandoende karakter van de ervaring die je aan het boek overhoudt. […]
Waar het bij dergelijke tekstspanne- en netwerktechnieken veelal om te doen lijkt, is het verkrijgen van een meervoudig perspectief. De dichter wil niet één perspectief of verhaal volgen, maar (laten) zien hoe verschillende, naast elkaar bestaande verhalen of perspectieven op elkaar inwerken. Ik zie pogingen om specifieke gezichtspunten te ontstijgen, om panoramische velden in kaart te brengen die worden opgespannen door een veelheid van heterogene elementen, of zelfs pogingen om een werking van de samenleving te (laten) zien.”

De zes eerste zinnen uit Hans Groenewegens bespreking van de dichtbundel Bang voor de bal van Tsead Bruinja: “Kwaliteit schuilt niet altijd in de perfectie. Kwaliteit uit zich soms in de wil en het vermogen van een dichter om van poëtische middelen te veranderen als hij de oude in de vingers heeft. Breukvlakken, experimenten, doodlopende steegjes roepen een nerveuze leesspanning op. De dichter die je leest, tast met nieuwe vingers waarin de tastzin nog in ontwikkeling is. Hij neemt het risico voor je ogen te mislukken. En je voelt dat hij dat risico ook plaatsvervangend voor jou neemt.”

Zes zinnen van Liselotte Vandenbussche over het feminisme in enerzijds De derde feministische golf van Dirk Verhofstadt en anderzijds Eigen emancipatie eerst? Van Gily Coene en Chia Longman: “ Het complexe debat over vrouwenrechten en culturele diversiteit heeft meer nodig dan een strenge veroordeling van gruwelijke misstanden of een sneer naar groepen individuen die een pragmatische en/of meer genuanceerde weg kiezen. Vrouwenrechten zijn erbij gebaat als er concrete actiepunten worden gesignaleerd en tot uitvoering worden gebracht. Verhofstadt stelt weliswaar pertinente vragen, maar houdt het bij onrecht aanklagen. In reactie op dergelijke vragen werden precies een jaar eerder genuanceerde antwoorden en oplossingen aangereikt in Gily Coene en Chia Longmans Eigen emancipatie eerst? Over de rechten en representatie van vrouwen in een multiculturele samenleving. Aangezien het zowel een informatieve als pragmatische repliek biedt op de centrale kwesties uit De derde feministische golf, wil ik dat boek als leidraad gebruiken om enkele thema’s toe te lichten. Zowel met betrekking tot de maagdelijkheidscultus, genitale verminking, gedwongen huwelijken als de hoofddoeken worden bestaande initiatieven omstandig toegelicht en suggesties aangereikt die constructiever zijn dan een formele veroordeling van de misogynie in religieuze en culturele tradities.”

Twee en een half maal zes tekeningen van Nikolaas Demoen.

De zesde, zestiende, zesentwintigste,… zin uit de eerste bijdrage van de nieuwe writer-in-residence, Saskia De Jong: “Taal is per slot van rekening in de eerste plaats communicatie. Ga naar hem toe met het gedicht om 17.38 uur, lees het voor en hij raakt diep ontroerd, maar hij zoekt een afleiding, wil dit niet laten zien aan mij. In De Balie schuiven B. en ik aan aan een tafel vol dichters, die een gedicht schreven ter ere van de 60ste verjaardag van Leonard Nolens. Als ik naar de wc wil gaan, wacht ik tot het de trap opkomend gezelschap gepasseerd is, Kopland, gevolgd door Kouwenaar. Maar ik moet en zal de door hem meegebrachte zak purperen chips leegeten. Het gaat me niet makkelijk af, geen enkele van de opgeworpen schrijvers heb ik gelezen, ik weet niet wat woorden uit mijn eigen gedichten betekenen, zie de seksuele verbanden niet die de interviewer legt. Ontheemd. Uiteindelijk belanden we aan het eind van de avond toch nog in het schrijverscafé om de verkiezing van de nieuwe stadsdichter, die glundert, te vieren. Dit werk raakt me diep. De schrijfster geeft zich bloot.”

De laatste zes en een halve zinnen van het Yang-nummer, uit N30 van Jeroen Mettes: “Ik wil niet dat je dit allemaal ziet. Gebogen over haar mobiele telefoon, net ’n bowlingbal… En hoe! De stad staat op. Net nog in bed, nu in de trein (spinnetje als lopende letter over dit blad), straks in een ander bed met een ander boek. Het is de tragiek van Hölderlins werk en leven. Buiten de wind in de populier, een ambulance, en ik, wakker, in de keuken met een mes in de pot chocoladepasta.”

Reacties

Laat een reactie achter

Feeds


  • > Meer feeds...

Laatste reacties