« Ezra Pound - Canto XVII ("So that the vine burst from my fingers") | Hoofdmenu | Smoke, Lies and the Nanny State »

Vragen van Neruda aan Woudsma

(In Vragen van Neruda reageert een dichter op drie vragen uit het Boek der Vragen van Pablo Neruda. Deze keer: Co Woudsma.)

Zal ik mijn lichaamsgeur en kwalen
nog hebben als ik ontslapen ben?

Lichamelijke kwalen: daar heb je na je dood in elk geval geen lást meer van, lijkt me. En een kwaal die nooit meer kwelt is geen kwaal meer.
   Geestelijke kwalen: hangt er minstens van af of er een leven na de dood is. En daar zijn de mensen het nog niet over eens. (Ik heb het liefst geen mening.)
   Lichaamsgeur: indien aanwezig zal ze eventjes blijven. Maar vrij snel wordt de stank ondragelijk, heb ik eens gelezen. Maar ook die stank verdwijnt weer.
   Ik (die deze vraag op mezelf betrek) hoop dat in mijn gedichten iets geconserveerd zal blijven:
Is het mijn stadse charme,
zijn het mijn onbespoten oksels?

Waarom verfoei ik steden
die ruiken naar vrouw en urine?

Alweer een geurvraag!
   Nu wordt het moeilijk. (Ook deze vraag betrek ik op mezelf.)
   Ik ken zulke steden niet. Dus verfoei ik ze niet. Ik betwijfel ook of ze bestaan.
   Ander probleem: wat betekent 'ruiken naar vrouw'? Hebben vrouwen een gemeenschappelijke geur, die afwijkt van een geur die mannen gemeen hebben? Zou een geblinddoekte persoon kunnen ruiken of hij een vrouw of een man voor zich heeft?
   Ruiken vrouwen überhaupt ergens naar? Ik bedoel: als ze zich netjes eenmaal per week wassen?
   Ik kan me niet herinneren dat ik ooit een vrouw heb geroken. Misschien omdat de reuk mijn minst ontwikkelde zintuig is. Misschien ben ik nooit dichtbij genoeg geweest.
   Toch lees je wel eens in verhalen of gedichten dat mensen een vrouw of een man ruiken. Zouden ze ook het verschil tussen de ene en de andere vrouw, respectievelijk de ene en de andere man kunnen ruiken?
   Dat ik mij dit alles afvraag bewijst al dat het me niet zo bezig houdt.
   Nee, dan apenlucht! Dat is de lekkerste geur die ik ken! Als ik door het Apenhuis van Artis wandel, loopt het water me in de mond:
Kruidige, ongekooide apenlucht,
als in een oosters restaurant.
   En dan nog die urine. Ik geloof dat op dat punt de macht van de menselijke geest vrij groot is. De geur van urine lijkt sterk op die van vis. (Het rijm pis/vis dringt zich hier op.) Als je urine ruikt, of meent te ruiken, en je je voorstelt dat het hier vis betreft, is er van een onaangename geur niet of nauwelijks meer sprake. Maar ik geef toe: als je weet dat de geur door urine veroorzaakt wordt, is de omduiding verre van eenvoudig.

Is inderdaad de droefheid niet wijd
en flinterdun de weemoed?

Wat zijn dit toch een quasi-poëtische, kitscherige vragen! Dit is misschien wel de ergste van de drie.
   Hoezo kitsch? Omdat het geen echte vragen zijn, het zijn nepvragen, die ook Neruda zichzelf nooit écht (in zijn alledaagse leven) gesteld heeft. (Dat vragen kitscherig kunnen zijn bewijst Martin Reints in zijn prachtige essaybundel Nacht- en dagwerk.)
   Maar goed, ik wil niet kinderachtig zijn.
   Om te beginnen behoren 'droefheid' en 'weemoed' niet tot mijn actieve woordenschat. Ik vind het weeë woorden. Daarom een poging tot vertaling. 'Droefheid' is wellicht hetzelfde als 'verdriet', maar dat woord plaats ik in de sfeer van kindertroost en hulpverlening. 'Lijden', dat klinkt goed. 'Weemoed' is wellicht hetzelfde als 'melancholie'.
   Bedoelt Neruda: droefheid = wijd = goed en weemoed = flinterdun = slecht?
   Nu, daar ben ik het in elk geval niet mee eens.
   Het lijden, dat is als het ware de stof waar het leven van is gemaakt. Mijn persoonlijke ervaring is: je probeert, als je een gedicht schrijft, een soort paradijsje te scheppen, maar dat lukt nooit helemaal. Altijd sijpelt er leed binnen. En esthetisch gezien is dat goed, omdat zonder dat binnengesijpelde leed het gedicht kitsch zou zijn.
   Maar dat wil niet zeggen dat melancholie slecht of oppervlakkig is. Het is een esthetische emotie bij uitstek (en als zodanig sterk verschillend van lijden sec). Simpele (avond)schemering is genoeg om mij melancholisch te maken, en wat is daar onecht of oppervlakkig aan? De schemering is een soort raadsel, dat niet echt op te lossen is.
   Natuurlijk: alles kan poëzie oproepen, en poëzie kan alles oproepen. Maar de melancholie, een soort genoegen in de vergeefsheid van alles, een bijna pervers genieten van de onbereikbaarheid van het verlangde, die is toch van oudsher wel heel nauw met de poëzie verbonden. (En zeker ook met de muziek.)
   Ik schaam mij er niet voor romanticus te zijn:

ZOMERSE LETHARGIE

Ik heet geen Richard,
hoewel die naam in gouden letters
op mijn pyjama staat.

Als ik Richard heette stond ik op,
sprong fluitend op de fiets
en ging wat zwemmen.

Nu houd ik mijn pyjama aan
en beeld me in dat ik een ander ben.
Op de plaats van mijn hart zit een vlek.

Reacties

Laat een reactie achter

Feeds

  • klik hier voor het allerlaatste (literatuur-)nieuws


    > Meer feeds...

Zoeken

  •  

Laatste reacties

Colofon

Advertenties