Over gebreken en geloof
- door Arne Pauwels
Onlangs mocht ik in de jury zetelen van een prijs waaraan enkel – veelal ongepubliceerde – studenten deelnamen. Dat ging dan als volgt: uit een hele hoop inzendingen (deze keer blijkbaar een 150-tal) werden vooraf per genrecategorie twaalf inzendingen geselecteerd door een studentenjury - peer reviewing zal dat dan wel heten. En ervan uitgaand dat die procedure het grofste kaf uitfiltert, moet je dan als jury aan de slag met vierentwintig teksten.
Nu begin je als jurylid vaak met een zekere verwachting aan zo’n opdracht. Je hoopt een zeldzame, ruwe diamant te ontdekken waar je enthousiast over kan debatteren. Je hoopt vergelijkingen te kunnen maken met de grote auteurs die je vaak maar half gelezen hebt, maar waarmee je toch je mede-juryleden wil imponeren. En je hoopt veel durf, originaliteit en kritisch vermogen terug te vinden. Met nog jonge, dus overmoedige inzenders zou die durf en die originaliteit als vanzelf moeten komen. En met enkele maanden of jaren hogeschool of universiteit achter de kiezen, zou dat kritische vermogen toch ook al ontwikkeld mogen zijn.
Vaak kom je met zulke verwachtingen bedrogen uit. Die grote auteurs waarmee je graag wilde vergelijken zijn immers uitzonderingen op een regel. En die regel zegt dat veel jongeren al moeite hebben met de naïviteit van zich af te schudden die ze in zes jaar middelbare schooltijd hebben opgebouwd met behulp van vastgeroeste leerkrachten Nederlands, die hen behulpzaam in de richting van de romantische en nieuw-realistische poëzie duwden.
Met die richting is misschien op zichzelf niets mis, ware het niet dat daarmee jonge schrijvers vaak het idee krijgen dat het schrijven van een tekst een kwestie is van ongebreidelde inspiratie. En die idee zorgt er dan op zijn beurt voor dat je niet of nauwelijks nagelezen teksten te verwerken krijgt als jurylid; teksten die bovendien van zulk een gebrek aan zelfrelativering getuigen dat ze al na enkele regels zodanig zwaar op de hand worden dat je geen zin meer hebt om verder te lezen.
Twee korte citaten, een per categorie. Het begin van een gedicht met de titel Daar:
Door naar jou te zoeken
Vond ik mezelf terug
Waar ik je had achtergelaten
Of het (bijna-)einde van een voor het overige meer dan degelijke proza-inzending.
je trok aan mijn wortels
kneep in mijn stam
aan de jonge twijgen – het was lente –
barstten knoppen bloemig open
toonden hun zoete vocht
lokten zoemend gonzend leven
maakten mij, gaven mij, dwongen mij
tot zijnik ben
Nu heb ik wel wat met rauwe teksten die de dingen bij hun naam durven noemen, type 'Aanvaardt mij – Neemt mij – Ziet mij staan', maar dat wil niet zeggen dat ik de persoonlijke gevoelens van een doordeweekse student of ronduit schabouwelijke gebazel op papier wil zien staan als inzending voor een literaire wedstrijd.
Goede literatuur getuigt van durf, van originaliteit en van kunde. Een goed boek of een goed gedicht of goede bundel is goed gestructureerd, goed opgebouwd en getuigt van kritisch vermogen. Ik geloof in de directe kracht van het woord, en ik geloof in literatuur. En het is net dat geloof dat ik in veel van de inzendingen die ik onlangs voor ogen kreeg totaal miste. Naast de soms abominabele taalbeheersing (slechte grammaticale constructies en dt-fouten vallen voor mij niet onder ‘dichterlijke vrijheid’) en de uiterst naïeve manier van schrijven was er een opvallend gebrek aan geloof. In literatuur, in het woord en in verbeelding.
In een citaat waarmee ik oorspronkelijk dit stuk wilde beginnen, noemt Ian McEwan het gebrek aan verbeelding een van de grootste misdaden van de kapers van 11 september. Verbeelding, volgens McEwan, is immers de basis van ons empathisch vermogen, en het is omdat de kapers geen verbeelding hadden, of het vermogen daartoe hadden uitgeschakeld dat ze in staat waren om de gruwelijke daden die ze begingen uit te voeren.
Het is een ommezwaai. Van naïeve auteurs – die in the end geen vlieg kwaad doen – over te stappen naar naïeve terroristen die rechtstreeks en onrechtstreeks verantwoordelijk zijn voor de dood van duizenden mensen, en ik wil beide groepen natuurlijk niet over dezelfde kam scheren. Ik kan McEwan echter wel volgen wanneer hij het heeft over verbeelding. Wat McEwan dan weer niet vermeldt en wat ik hier wel al enkele keren heb laten vallen, is geloof. Met de Al Quaida-terroristen uit de vorige paragraaf suggereer ik misschien een heel religieuze, godsdienstige vorm van geloof, maar het is niet dat soort geloof dat ik bedoel.
Met verbeelding alleen kom je – denk ik – nergens. Wat je eraan moet toevoegen, is een geloof om met die verbeelding iets te kunnen opbouwen. Binnenkort mag ik een groep studenten entertainen met een werkseminarie over Ultramarijn van Henk van Woerden en ik vermoed dat dat boek precies het soort geloof belichaamt dat ik bedoel. Ik zou een stukje uit het boek kunnen citeren, maar op het gevaar af uiteindelijk het volledige boek over te typen doe ik dat maar niet.
Van Woerden werkt met zijn verbeelding en bouwt met die verbeelding iets op dat je 'liefdevol' zou kunnen noemen. Hij gelooft genoeg in zijn verbeelding om ze af en toe de pen te laten voeren, maar ook om iets te schrijven dat van durf, originaliteit, structuur en kritisch vermogen getuigt, waardoor verbeelding en het geloof daarin misschien de basis vormt van goede literatuur, meer nog dan de dingen die ik eerder in dit stuk heb opgesomd.
Reacties