DWB, april 2007: Een spier van goud
- door Xavier Roelens
DW B gaat met het themanummer Een spier van goud dieper in op dat ding “midden in ons lichaam, diep in de taal, […] bizar icoon in onze cultuur”: het hart. Zeven auteurs zijn door Bernard Dewulf aangeschreven om meer inzicht in dat ene kloppende woord te bieden. Het leverde slechts kleine inzichten op.
De meeste bijdragen komen niet los van de eeuwenoude mystificatie rond het hart, lijken het ook niet te proberen. Koen Peeters bijvoorbeeld stuurt een jood op wandel rond het hartvormige Brussel: “Het hart is het orgaan dat het debiet van onze gevoelens regelt. Het kan dan ook niet anders dan dat, wanneer iemand een wandeling op de stadskaart maakt in de vorm van een hart, alle mogelijke gevoelens door zijn gemoed zullen spoelen.” Op de romantische nonsens van de eerste zin volgt hier een verkeerde gevolgtrekking: de hoeveelheid van een gevoel (“het debiet”) wordt ten onrechte gelijkgesteld aan de verscheidenheid aan gevoelens (“alle mogelijke gevoelens”). Ook Kristien Hemmerechts gaat in een verder nuchter gesprek met een hartchirurg even helemaal uit de bocht: “Als ik al ooit bereid zou zijn toe te geven dat God bestaat, dan is het vanwege het mirakel van dat kloppende ding. Ik beeld me in dat als de wereld is vergaan, er nog ergens een hart zal kloppen. Koppig en onuitroeibaar.”
Patrick De Rynck beperkt zich tot een “kleine en willekeurige bloemlezing” uit de klassieke Griekse en Latijnse literatuur met het hart als lemma. Ook Patrick Allegaert verstaat eerder de kunst van het citeren dan van het uitdiepen van de inzichtjes. Al leerde ik dankzij zijn bijdrage wel wat een soldatenhart is. Bijdragen van Hans Groenewegen (over het hart bij Lucebert) en Ole Martin Høystad (over het hart in de islam) zijn dan weer iets te lang uitgesponnen en lijkt me (in het geval van Groenewegen) meer een plichtnummer dan een noodzakelijk onderzoek.
Neen, dan liever de fragmentarische bijdrage van Eva Gerlach. Deze tekst is met inzet geschreven en betast het hart in al zijn facetten: ‘Hoe komt het toch dat elke emotie minder geloofwaardig lijkt als je er het woord ‘hart’ tegenaan propt? […] Dat Hart – is het daarmee niet juist omgekeerd gesteld? Het Hart dat staat tussen de taal en mij, het Hart dat dermate icoon is dat het mij wil voorzingen wie ik ben, het Hart dat de taal wil voorkomen?’ Ook de amper twee bladzijden lange bijdrage van Leen Huet is goed, omdat ze zich zelfbewust beperkt tot kleine inzichten, zoals: ‘Als ik het in gesprekken met mezelf over mijn hart heb, denk ik nooit aan het orgaan.’
Ondanks een minder geslaagd thema zijn er enkele goede redenen om dit nummer ter hand te nemen. Vooreerst is er A. F. Th. Tot mijn scha en schande moet ik bekennen dat ik nog nooit eerder van de initialenman iets las, maar zijn romanfragment met de titel ‘De kleinste standaardmaat’ over een tienermoeder op zoek naar haar gestorven kind was een stomp in mijn lezersmaag.
Op een totaal andere manier was het samenraapsel aan prachtzinnen van Arkadii Dragomoshchenko dat ook: ‘Herinnering is directe rede verhoogd tot de macht van eindeloze ontwijking. In die tijd was mijn leven zorgeloos en losbandig. [Met die twee zinnen alleen al ben ik vijf minuten zoet] Wie we het ook vroegen, niemand kon ons de samenstelling van slijk geven. Wij waren de som van gespetter op de spiegel, stromend water, lemen slik en zware nachtelijke woorden (wij zijn jou) met bolvormige oppervlakten waarop kristalhelder zweet van een rij manen blonk als een augustuswind die door de tuinen oprukt. We telden dagen aan de hand van appels. We zagen ze echter ook bruin worden, verschrompelen, rotten en verdwijnen, de kiem van twijfel zaaiend over de getallen die, volgens de appels, zwijgzaam rondwentelden als zilveren ochtendboeken, liefdevol uit elkaar gepikt door hanensnavels – boeken die te hete dampen van voorgevoel en onmogelijkheid vrijlieten. Molenstenen van het ondoorgrondelijke.’ Enzovoort.
Ook de inleiding op zijn werk, met Jan Lauwereyns als ik-persoon en met Arnoud van Adrichem in een niet nader gedefinieerde rol, triggert. Het dagboekachtige verhaal over de ontmoeting tussen Lauwereyns en Dragomoshchenko wordt afgewisseld met filosofische bedenkingen over lezen en schrijven. Wat me voor deze tekst inneemt, is het gebruik van literaire teksten als onderdeel van de argumentatie. Zo leidt het lezen van Coetzees The Master of Petersburg tot de volgende bedenking: “Councillor Maximov lijdt, zo luidt de beschuldiging, aan ‘decisionisme’, aan ‘oordeelvellerigheid’. Fyodor spelt hem de les: lezen is je onvoorwaardelijk overgeven aan de veelheid der dingen, de eigen empathie zover mogelijk oprekken. Tegelijkertijd scharmaai je met een bijl en incasseer je de schedelsplijtende houw. Je vertolkt de dubbelrol van dader en slachtoffer, je bent zowel moordenaar als vermoorde. […] De dingen verdubbelen, en krijgen een verlenging die blijft duren. Er ontstaat een literaire ruimte die zich kant tegen simpele antwoorden, die de ‘oordeelvellerigheid’ uit hooghartige schaamte de rug toekeert.’ Daarna wordt ook poëzie van Ouwens, Wijnberg, Achterberg, Spinoy en Boog ingezet om onder andere te onderzoeken in welke mate het “zover mogelijk oprekken” kan gebeuren zonder psychotisch te worden.
Uit de rest van het nummer haal ik nog op een meeslepend kortverhaal van Lucas Hüsgen en beloftevolle gedichten van Berengaria Liedmeier en Ali Wauters. In de ‘boeken’-sectie staan tot slot de volgende reviews:
- Bart Vervaeck over Een geschreven leven I tot III van Sybren Polet: “Verwondering is tegelijkertijd opgaan in de wonderlijke wereld en beseffen dat jij het bent die die wereld zo mysterieus vindt. Die dubbelheid doortrekt Een geschreven leven, dat een mooi en altijd veranderend evenwicht vindt tussen zelfbespiegeling en spontaneïteit. De heel eigen en aangename verteltoon van dit drieluik ligt in de samenklank van het beschouwende en het verhalende, het abstracte en het concrete. Ook de compositie van het drieluik steunt hierop. Polet wisselt zijn herinneringen en bespiegelingen immers af met fragmenten uit zijn literaire werk […]. De ‘realistische’ autobiografie wordt zodoende afgewisseld met de mogelijke wereld van de verbeelding.”
- Floor van Renssen over Dood vogeltje van Marc Kregting: “Dood vogeltje is niet dood in de zin van ‘overleden’, een leven dat is afgesloten. Het is een leeg concept, zoals van een schrijver die een boek begint met een ‘dood’ personage, en na afloop van het schrijven van het boek hoopt te kunnen constateren dat hij het personage tot leven heeft gewekt. Kregting wil een personage tot leven wekken en dat proces tegelijkertijd onderzoeken. Algemener geformuleerd: hij wil het ontstaansproces van literatuur onderzoeken.”
- Sven Vitse over de Bachelard-special van Raster: “Een grondig essay zou het werk van Bachelard wellicht kunnen ontdoen van zijn fenomenologische wattigheid en het kritische potentieel ervan toelichten. […] Het is jammer dat een dergelijke poging ontbreekt[.]” En over de graphic novel-special van De brakke hond: “Kortom, het is een boeiend nummer dat de literatuurstudent in mij enigszins perplex en met vernieuwd inzicht in beperkingen achterlaat.”
Reacties