Bericht uit Lissabon
- door Michaël Stoker
Ik verblijf deze maand in Portugal. Het land van fado, fatima, FC Porto, bacalhau, en lepel zo nog een rijtje cliché’s op. Pessoa (volgens vertaler August Willemsen Portugal’s grootste en enige bijdrage aan de twintigste eeuwse literatuur) ontdeed zich van de cliché’s van zijn land met de beroemde frase: ‘Mijn vaderland is de Portugese taal.’ De zin is exemplarisch voor een oeuvre dat inderdaad kosmopolitisch en internationaal van aard is en tegelijkertijd onlosmakelijk verbonden met Portugal, voornamelijk vanwege de taal. De taal als vaderland maakt dat een eeuwige zwerver als Slauerhof kon schrijven: ‘alleen in mijn gedichten kan ik wonen’, en dat Nooteboom zich kon ophouden in ‘straten waar de woorden wonen.’ De taal wordt een plaats, een natie, waarvan de grammatica de regels bepaalt en de kaften van het woordenboek de grenzen aangeven. Het suggereert voorts dat poëzie los staat van de politieke, sociale en maatschappelijke structuren in een land. Portugezen, Brazilianen, Mozambiquanen, Angolezen, Kaapverdianen, Azoreanen, Madeirensers en Timorezen, delen Pessoa’s vaderland verspreid over vier continenten, terwijl hun fysieke staten niet meer allemaal onder dezelfde vlag worden geschaard.
Nederlandse en Vlaamse dichters worden daarom niet geheel onterecht tot hetzelfde vaderland gerekend, dat, zoals de cliché’s over geografische naties bewijzen, vast bepaalde kenmerken heeft. Vraag aan een buitenlander waaraan hij denkt (als hij al ergens aan denkt) bij het land Nederland en de tulpen, klompen, wiet en wat al niet, vliegen je om de oren. Vraag een buitenlandse poëzieliefhebber naar de Nederlandse poëzie en waar komt hij mee aanzetten?
Ik heb mijn best gedaan om in Portugal eens rond te vragen naar de vooroordelen over de Nederlandse poëzie, maar het bleek vooraleerst nodig uit te leggen dat er zoiets bestaat als Nederlandse poëzie. Desondanks verscheen in 1997 een uitgebreide bloemlezing met Nederlandse poëzie, samengesteld door de in Portugal residerende Gerrit Komrij en vertaald door Fernando Venncio.
Komrij begint zijn voorwoord met het door mij al aangehaalde citaat van Pessoa en merkt erover op: ‘Dichters en gedichten – ze leven in hetzelfde vaderland, of de tekst nu in Swahili, Portugees of Nederlands is geschreven. In een anthologie van Nederlandse poëzie, zal men, hoop ik, eerst de poëzie zoeken, daarna – mocht daar reden toe zijn – aforistische zinnen en drukfouten, en pas in de laatste plaats een Nederlandse stempel.’ Dat wil de Portugese lezer natuurlijk best, als hij die Nederlandse stempels niet al bij voorbaat door Komrij voorgeschoteld had gekregen: puritanisme, soberheid (‘voortkomend uit de calvinistische wortels van het land’), een voorliefde voor hard werken en gemeenschapszin (‘twee dingen die volgens mij [Komrij dus - MS] samenhangen met het klimaat - de democratie gedijt beter bij matige temperaturen – en de noodzaak zich dag en nacht tegen de binnenvallende zee te verdedigen’). Alstublieft, als dat niet een stel giganten van cliché’s is... De lezer richte zich bij voorkeur op de aforismen en de drukfouten, die Nederlandse stempel heeft Komrij er al voor u opgeslagen.
De literair socioloog gaat verder: hij brengt in herinnering hoe Aldous Huxley schreef dat hij de schilderijen van Mondriaan pas begreep toen hij vanuit een vliegtuig Nederland gadesloeg met zijn rechtlijnigheid van tulpenvelden en weilanden. ‘ Onder invloed van dit landschap zal de Nederlandse poëzie zich streng en zonder boertige kwinkslagen tonen,’ concludeert Komrij. Om zijn portret van de Nederlandse poëzie kracht bij te zetten, maakt hij vervolgens de vergelijking met de schilderkunst: de nauwkeurigheid van de Nederlandse meesters, Rembrandt, Vermeer, de rechtlijnigheid van De Stijl... Zo moeten de Portugezen de Nederlandse dichters zien: als literaire broeders van de beroemde realisten in de schilderskunst. ‘Zelfs een zo weinig realistische dichter als Gerrit Kouwenaar,’ schrijft Komrij, ‘geeft blijk van een enorme aandacht voor de kleinste details.’ Om het af te maken, kreeg de bloemlezing een toepasselijke regel van Lucebert als titel mee: Uma migalha na saia do universo, een kruimel op de rok van het universum.
De bloemlezing zelf is overigens goed. Er zijn zo’n vijftig dichters opgenomen, variërend van Gezelle en Kloos tot Huigen en Verhelst. De vertaling is adequaat, de bundel is tweetalig en gepubliceerd door het grootste poëziehuis van Portugal. Hij leverde me zelfs een kleine ontdekking op: de voor mij totaal onbekende Vlaming Alex Gutteling (1884-1910). Maar toch zat dat voorwoord van Komrij me niet lekker. Had hij voor de juiste strategie gekozen om een vreemde poëzie bij de Portugezen te introduceren? Is de aandacht voor het detail en de rigoureuze rechtlijnigheid werkelijk de kern van de Nederlandse dichtkunst? En waarom die eenzijdige vergelijking met de schilderkunst? Alsof Kouwenaar niet meer dan een literaire imitatie is van een stel driehonderd jaar dode schilders. Wie wil kan Leopolds Om mijn oud woonhuis peppels staan of Vasalis’ Aan een boom in het vondelpark, gemakkelijk lezen als een pittoreske schildering van een exotisch tafereel. Maar uiteraard zijn niet de peppels en de boom het object van deze gedichten – en daar trekt Komrij’s voorwoord de aandacht naartoe – het werkelijke object is allesbehalve de boom en de peppels. ‘Dit is de binnenkant van je buitendeur,’ schrijft Kouwenaar in zijn bijdrage aan de bloemlezing als een stille hint naar Komrij, die hem niet heeft opgepikt. Bovendien moet Komrij als inwoner van Portugal, die neem ik aan zo nu en dan ook eens een Portugese poëziebundel ter hand neemt, weten dat zijn stempels van aandacht voor het detail (Sophia Mello Breyner Andresen) en gestrengheid (Manuel Gusmao, Ana Luisa Amaral) net zo goed op Portugese dichters van toepassing zijn.
Komrij’s drang om de Nederlandse poëzie in zijn voorwoord te ‘verpittoreskiseren’, vindt zijn oorsprong in een misvatting over Pessoa’s aforisme ‘Mijn vaderland is de Portugese taal’. Wie de oorspronkelijke context van die zin kent, het Boek der Rusteloosheid, weet dat het Pessoa om iets anders te doen was dan de literatuur een nationale identiteit te verschaffen. De taal voorstellen als een land betekent dat je niet zozeer van doen hebt met wie hem spreekt of schrijft, maar vooral de woorden en zinnen zelf tegenover je hebt. De vraag is dan niet zozeer wat Kouwenaar, Leopold en Vasalis te zeggen hebben in dat puriteinse landje van kadasters en regels, de vraag is wat de gedichten de lezer te zeggen hebben. Het Nederlands is voor Kouwenaar net zozeer zijn vaderland als het Portugees voor Pessoa. Er wonen woorden en die woorden hebben iets te zeggen. En natuurlijk heeft dat vreemde land, zelfs in vertaling, exotische kenmerken. Pessoa’s Boek der Rusteloosheid, een eclectisch meesterwerk met subtiele, groteske en uiterst gedetailleerde observaties en overpeinzingen, is niet alleen vanwege de taal Portugees bij uitstek. De logische ruimte voor de protagonist kan alleen maar de stad Lissabon zijn met zijn Mondriaaneske benedenstad, visvrouwen, loterijverkopers, zwervers, trams, etc. Onmiskenbaar Portugal, onmiskenbaar Lissabon. En toch universeel, omdat het Pessoa niet gaat om de pittoreske of exotische scènes in zijn boek, zeg maar de fotomomenten van de literatuur, maar deze voor zichzelf laat spreken. Het is zijn vaderland, maar de lezer mag er binnen en zelf zijn weg vinden. De woorden leven een eigen leven. Het lokale transcendeert tot het universele.
Pessoa’s zin was er niet voor bedoeld om voor of tegen een nationale identiteit van de literatuur te pleiten, maar om van de taal een levendige plaats te maken die door velen bezocht kan worden. Een plaats waar geen vlag boven wappert, of een stempel op geslagen hoeft.
Reacties