Poëzie plaatsen - over de poëzie van F. van Dixhoorn
- door Samuel Vriezen
Een telefoontje laat op de avond: Dix aan de lijn, hij is vrolijk, hij heeft een ideetje. Zijn nieuw boek, Twee Piepjes, komt uit en hij wil iets bijzonders doen bij de presentatie, een canon-voordracht met verschillende stemmen, maar hoe dat moet weet hij niet precies. Iets voor mij om uit te werken? Ik heb nauwelijks tijd wegens veel projecten en wegens met een week op vakantie moeten, maar Dix is niet zo maar een dichter. Hij is een van de meest interessante dichters die nu schrijven in dit land, zeg maar gerust een van de spannendste dichters die ik ken tout court. En zo gebeurt het dat ik op donderdag 29 maart mijn debuut beleef als dirigent. Ik dirigeer de premiere van Twee Piepjes, tekst F. van Dixhoorn, structuur S. Vriezen, voordracht door de dichters Joost Baars, Hélène Gelèns, Ben Zwaal, Rozalie Hirs, Tsead Bruinja, Astrid Lampe, ikzelf en de criticus Rutger H. Cornets de Groot. Zelf lees ik alleen de eerste pagina, die uit de tekst "de wat" bestaat, zestien keer herhaald; deze pagina lees ik 49 keer voor, een totaal van 784 keer "de wat", of 1568 piepjes. De andere sprekers lezen elk de tweede tot en met de dertigste pagina, afzonderlijk inzettend en door elkaar heen sprekend in een tijdschema van mijn ontwerp.
Een geweldig evenement, maar toch in de eerste plaats omdat het een nieuw boek van Dix is. Al ruim tien jaar schrijft Dix zijn poëzie, met die van geen ander in onze taal te vergelijken. In 1994 kreeg hij de Buddingh'-prijs voor het bij Perdu uitgegeven gedicht Jaagpad. Datzelfde jaar kwam bij De Bezige Bij een bundel uit, Jaagpad/Rust in de tent/Zwaluwen vooruit, gevolgd in 1997 door Armzwaai/Grote keg/Loodswezen I. Deze gedichten zetten de contouren van de typische Dix-stijl neer met hun pagina-opmaak van 16 regels per pagina en hun getallenreeksen die door de tekst heen lopen. In 2000 kwam een bundel uit van 6 gedichten van elk zeven pagina's, Takken molenwater/Kastanje jo/Hakke tonen/Hakke tonen/Uiterton/Molen in de zon. Een soort variatiereeks: de gedichten blijven hier binnen het stramien van de zestien regels en blijven werken met getallenreeksen, maar de dichter speelt met zes heel verschillende manieren om binnen dat kader een gedicht te structureren. In 2003 kwam Dan op de zeevaartschool, het eerste boek dat uit maar één gedicht bestond. En nu is er Twee Piepjes, gedicht.
Wat is er nou zo mooi aan deze poëzie? Dix gebruikt immers nauwelijks het soort rare rijke taal dat in Nederland binnen een halve seconde als poëtisch en artistiek wordt herkend. Hij schrijft zinnetjes als "ik ben nu hier" waar hij toch ook had kunnen schrijven over, zeg, "het walmende waggelwoord" of ik weet niet wat. En dat met die getallen en met die rare pagina-indelingen, is dat niet gewoon een raar truukje, dat er voor moet zorgen dat we een kleine handvol nogal gewone zinnetjes heel bijzonder gaan vinden? Een pagina met maar één woord er op (in dit gedicht: "hoed") - is dat wel serieus? Zo beschouwd is het begrijpelijk dat de Pfeijffers van deze wereld, gewend als ze zijn om heel vrolijk te worden van lange reeksen interessante woorden achter elkaar, niks schrijven over Dix.
Maar ze hebben geen gelijk. We gooien deze hele manier van redeneren dus weg en we wijzen er op dat poëzie poëzie is omdat het geen proza is - om het simpel te houden. Poëzie is de restcategorie van het proza, zeker in Nederland, waar nauwelijks een traditie van grootschalig poëtisch proza bestaat (anders dan bijvoorbeeld in de VS of in Frankrijk). En schrijven in verzen, in zichtbaar poëtische vormen, is in de eerste plaats niet het verzinnen van gekke woorden maar het zetten van de juiste woorden op de juiste plaats - om het simpel te houden. Maar dan is het misschien zo dat poëzie meer poëzie wordt naarmate de dimensies 'plaats' en 'woorden' meer tegen elkaar opgewassen zijn. In de meeste poëzie in het Nederlands wordt, dat heb ik nu al ruimschoots gesuggereerd, de dimensie "woord" veel hoger aangeslagen dan de dimensie "plaats". Maar bij Dix wint per bundel juist de dimensie "plaats" aan betekenis. Om eindelijk het woord de ruimte te geven waar het recht op heeft.
Plaats op verschillende manieren. Door van de 16 regels die op een pagina staan een steeds ander aantal wit te laten - tot maximaal 15 witregels op een pagina, zodat er pagina's ontstaan met maar 1 tekstregel er op (bijvoorbeeld "3. kra kra kra" in de tweede Hakke tonen, of "een boot" in Dan op de zeevaartschool), maar er zijn ook heel andere distributies van tekst over de 16 regels mogelijk: uitgebreide wit-stroken tussen twee kleine groepjes tekst (in Uiterton bijvoorbeeld), uiteenlopende witregelpatronen, of plaatsing van de tekst bovenaan, middenop of onderaan de pagina (deze 'deining' van tekst op de pagina speelt een sterke rol in de eerste Hakke tonen en in Dan op de zeevaartschool). Ook maakt het uit of de tekst op de linkerpagina of op te rechterpagina staat - de dichter houdt soms zelfs rekening met hoe een tekst zich verhoudt tot de tekst die op de andere kant van hetzelfde blad papier staat, zoals in de eerste Hakke Tonen, waar bij het schrijven rekening is gehouden met wat er door een pagina heen kan schijnen.
Plaats ontstaat óók door de getalsstructuren. Die delen de tekst volgens heel eigen ondoorgrondelijke wetten in in alineas of misschien in 'verzen' - hoe dan ook, ze ritmeren de tekst. Ze articuleren een onderverdeling, en evenals de paginaopmaak differentieert die onderverdeling de tekst - de getallen maken ruimte voor de woorden. Waarbij een "1." heel anders werkt - de 1. geeft een nieuw begin aan -dan een "4." De getallen structureren trouwens niet alleen maar op een blinde manier, maar ze zijn zelf ook personage. Getallen kunnen elkaar zelfs pesten: op pagina 32 van Twee Piepjes lees ik: "2. een zet geeft 3.", en zo is het natuurlijk, elkaar een zet geven is precies wat getallen doen, dat weet iedere wiskundige, dat weet iedere kleuter die, net zoals de getallen, wel eens in een rij heeft gestaan.
Die passage echo-t tegelijk Dan op de zeevaartschool, p. 30: "wat ik weet/1. dat een bepaald deeltje/een onvoorspelbare duw geeft 2./3. weghalen". Het 'deeltje' waar hier weer over gesproken wordt kan op afstand communiceren met een gepaard deeltje: "als het ene deeltje/iets overkomt/is dat op hetzelfde moment/ook aan het andere/af te lezen", staat er in Dan op de Zeevaartschool, p. 27. En daarmee is een derde ruimte-effect in het werk van Dix aangewezen. Verschillende plekken in zijn teksten communiceren met elkaar. Een stukje tekst, of een pagina-indeling, of een getal staat nooit op zichzelf, maar kan vaak in verband worden gelezen met paralelle elementen die op een andere plek in het gedicht staan, of soms zelfs in een ander gedicht.
De poëzie van Dix is dus een poëzie die ruimtes maakt. Elk gedicht en elk boek doet dat weer op een andere wijze. Takken molenwater/[...] is een bundel in zes kleine wereldjes: zes gedichten die elk op een andere manier zeven pagina's indelen: grillig zoals in de tweede Hakke tonen, 'opgehangen' hoog op de pagina zoals in Molen in de zon, of in twee 'oevers' verdeeld zoals in Uiterton. In Dan op de zeevaartschool in de ervaring veel meer zwevend: de plaatsing van de tekst op de pagina meandert omhoog en omlaag op een rustig kabbelende, nooit helemaal voorspelbare manier.
En in Twee piepjes zijn weer andere organisaties te zien. Het gedicht is veel strakker, doorzichtiger, in zijn opzet dan de meeste eerdere gedichten. Verwijzingen en echo's die in de tekst en in de bladspiegel optreden zijn explicieter. Veel dingen gebeuren twee keer (het heeft tenslotte Twee piepjes). Iets dat bijvoorbeeld twee keer voorkomt is de letterlijke herhaling van een klein zinnetje, waarbij één van de twee keer het zinnetje wordt ingeleid door de tekst "dat is er een": zo staat op pagina 14 "de weg/naar het bos/die niet meer/gebruikt wordt" en op pagina 15 "2. dat is er een/de weg/naar het bos/die niet meer/gebruikt wordt". Alsof het zinnetje eerst en passant verschijnt, maar een pagina verder wordt 'opgemerkt' en expliciet in het gedicht opgenomen. Op pagina 27 is sprake van een 'verrekijker', die qua plaatsing op de pagina overeenkomt met 'een variatie' die aan het eind van het gedicht is geplaatst. Getallen en tekst lopen in elkaar over: "1. klok" (p. 13) is natuurlijk ook leesbaar als "een klok", en op pagina 21 staat "noteer een 1.". Er zijn meer, veel meer van dit soort spiegeleffecten en verbanden tussen de verschillende elementen van de poëzie aan te wijzen.
Het gaat bij dit soort dingen niet alléén om een ingenieus grafisch ontwerp. Twee piepjes bevat ook verhaalelementen - zo vindt er kennelijk een onderzoek plaats in een ziekenhuis, maar het gaat evengoed over natuur, weer, seizoenen. En deze categorieën - van ruimte en van 'verhaal' - werken op elkaar in. Het feit dat de woorden een overwogen plaats hebben maakt de woorden ook veel vrijer om hun betekenissen te ontplooien. Dit gebeurt bijna vanzelf in het hoofd van de lezer, terwijl hij door de spiegels in de tekst heen en weer geslingerd wordt. De 'verrekijker' is exemplarisch. Deze wordt niet alleen gebruikt om een vogel te zien (op p. 11) maar kijkt ook vooruit en treft dan, op een analoge positie op de pagina, acht paginas verderop, niet een tweede verrekijker aan, maar 'een variatie'. Deze woorden hebben natuurlijk lokaal, op de plek waar ze staan, een betekenis, maar tegelijk een structurele betekenis die over het gedicht gaat. Verrekijker kijkt naar variatie; variatie varieert verrekijker; en deze beweging vestigt, in de tekst zelf, een kringloop van identiteit en verschil.
Al deze processen zijn onnadrukkelijk en ongedwongen. Wie gewoon rustig de tijd neemt om het boekje te lezen, en nog eens te lezen, en nog eens te lezen, gaat steeds meer werkingen van de woorden zien. De simpele woorden die Dix gebruikt blijken, als je ze als lezer laat werken, steeds en steeds meer rijkdom in zich te hebben. Dat is het echte wonder van de taal: je hoeft haar daar alleen maar de ruimte voor te geven.
En bij de lezing door acht stemmen in feestzaal van De Bezige Bij kwamen dit soort werkingen weer op een heel eigen manier naar voren. Herhalingen konden expliciet gehoord worden als twee dichters tegelijk verschillende pagina's lazen, die elkaar spiegelden. Maar ook het zinnetje "jij bent aan de beurt" kon in deze setting letterljk worden genomen: dan zette er een nieuwe stem in. De verschillende stemmen lazen dezelfde tekst met steeds andere betekenissen, die ook, afhankelijk van de steeds verschillende teksten in de andere stemmen, steeds anders konden werken. Zo kwam niet alleen de rijkdom van de tekst, maar ook de eigenheid van elk van de zeven stemmen goed naar voren: van sereen en beheerst tot komisch en grillig, tegen een onophoudelijke hartslag van "de wat"-ten.
Reacties