« Verslag BK Slam (1) | Hoofdmenu | Van geluk gesproken »

Interview met de vier genomineerden voor de Buddingh'-prijs

- door Olaf Risee

Op woensdag 20 juni wordt in de Rotterdamse Schouwburg de C. Buddingh'-prijs 2007 uitgereikt voor de beste debuutbundel, gekozen door de jury bestaande uit Eva Gerlach, Erik Lindner en Bart Meuleman. De winnaar ontvangt 1200,- euro. De genomineerde dichters zijn Pim te Bokkel (Wie trekt de regen aan?, Nieuw Amsterdam), Hélène Gelèns (niet beginnen bij het hoofd, Uitgeverij 521), Ester Naomi Perquin (Servetten halfstok, Van Oorschot) en Bernard Wesseling (Focus, Nieuw Amsterdam).

Eerst de emo-vraag: wat ging er door je heen toen je vernam dat je genomineerd bent?

Wesseling: Ik dacht: er zijn er dus die het wel begrijpen.

Perquin: Ik vind het een heel prettig iets. Dat mag ook wel eens gezegd worden.

Te Bokkel: Die vrijdag werd ik gebeld door mijn redacteur. Ja, was zijn antwoord toen ik vroeg of alles goed ging. Ja, alsof het Nu Even Niet van belang was. Hij vroeg meteen of ik al gebeld was. Nee, zei ik. Hoezo? Dat zou ik later nog wel vernemen. In zo'n situatie gaan er meerdere dingen door je heen. Ergens hoop je op een nominatie, maar ergens bekruipt je ook de angst dat je gebeld wordt door de grote baas: “Meneer Te Bokkel, wij moeten u helaas meedelen dat – vanwege een ernstig gebrek aan gretige aftrek – de gehele oplage van uw bundel als oud papier verkocht zal worden. U wordt bedankt.” Het bleek mee te vallen. Toen ik 's middags tijdens college gebeld werd, vluchtte ik stiekem de zaal uit. Er was een vrouwenstem aan de andere kant van de lijn. Ze vertelde dat ik genomineerd was voor de Buddingh'-prijs, waarop ik zei dat ik blij was.

Gelèns: Eén woord: JA! En een opwaartse kracht: ik maakte een rare huppelsprong.

Wie van de vier genomineerden verdient volgens jou de Buddingh'-prijs het meest?

Wesseling: Degene die het eerlijkst gewerkt heeft, die het dichtst bij een zekere waarheid wilde komen. Hélène is zo iemand, volgens mij. Pim ook. Die andere dame met die mooie naam ken ik niet. En dat ik zelf mijn best heb gedaan, weet ik.

Perquin: Ik ken het werk van mijn medegenomineerden slechts in vogelvlucht en oordeel liever op basis van zorgvuldigheid - ik vind het volstrekt niet juist om daar een onkundig - want ongefundeerd - antwoord op te geven. Wel doet het me deugd dat er een aardig vierluik is samengesteld - dat de dichters ieder een andere stem laten horen. Wie de Buddingh'-prijs verdient is naar mijn mening diegene die met de grootst mogelijke zorgvuldigheid, de grootst mogelijke aandacht en de grootst mogelijke liefde voor de poëzie gewerkt heeft. Het is overigens zeer de vraag of zoiets valt te meten.

Te Bokkel: Er is een jury aangewezen om de balans op te maken en die zal de verschillende verdiensten tegen elkaar afwegen. De mysterieuze Ester Naomi, de dynamische Hélène, oorlogsheld Wesseling of ik hier. De groente die het meeste weegt zal het etiketje met de 1200,- euro ongetwijfeld waard zijn.

Gelèns: Ikzelf. Mijn bundel beantwoordt het best aan mijn idee van goede en vitale poëzie.

Heb je al enig idee wat je met het prijzengeld gaat doen mocht je het winnen?

Wesseling: Schuldeisers verbijsteren. En verder een klein tijdje boven mijn stand leven.

Perquin: Geld: hoe krijgen ze het binnen en waar brengen ze 't naar toe? Er viel vroeger meen ik toch een doodse stilte als je er op een verjaardag naar vroeg. Al die taboes die maar uitsterven, daar moest ook iemand maar eens iets aan doen. Afijn, je eet eens een hapje, koopt wat mooie boeken - en spaart wat voor later, als je gewoon weer vergeten bent. Heel gezellig dus.

Te Bokkel: Nee, laat ik mij maar geen illusies maken.

Gelèns: Een maand schrijven.

De prijs is vernoemd naar en daarmee ook een soort eerbetoon aan Cees Buddingh'. Heb je iets met deze dichter?

Wesseling: Waargebeurd: toen ik op de Middelbare zat moest ik eens ten overstaan van de klas bij wijze van ouderwetse straf de blauwbilgorgel opzeggen. Ik haat de blauwbilgorgel. Afgezien daarvan schroomt Cees Buddingh' de humor niet en dat blijft zeldzaam, zelfs in hedendaagse poëzie. Het is weliswaar light-verse, waar ik geen fan van ben, maar in zijn soort de beste (kijk alleen al naar de keur aan adepten die hij heeft: Ivo de Wijs enz.). Dat vergt een zekere moed. Licht op de hand wordt vaak verward met gemakkelijk, net zoals geleerdheid wordt verward met wijsheid.

Perquin: Buddingh' is naar mijn mening een redelijk aaibare dichter. Hij buldert niet. Toch gebeurt er iets wezenlijks, tast hij verder dan je op het eerste gezicht zult zien. Hij lijkt eerder voor nabij dan voor veraf te kiezen, in de wetenschap dat het surrealistische, het ongewone, het dagelijkse, het universele - dat zit allemaal in dezelfde blik. Hij hoeft er zogezegd de deur niet voor uit. Het is die ongehinderde, oprecht pretentieloze werkwijze die goede poëzie oplevert. Die ik benijdenswaardig vind.

Te Bokkel: Toen ik in 2005 mijn Bachelor of Science haalde, kocht ik een bloemlezing uit zijn werk. De gedachte dat poëzie iets is dat je overal kan tegenkomen vind ik aantrekkelijk. In de vroege versies van mijn manuscript stond ook nog een verwijzing naar de regel “de beste gedichten schrijft men al aardappels schillend”. Deze en andere opzichtige verwijzingen heb ik uiteindelijk toch maar uit de tekst gesloopt.

Gelèns: Toen ik als dertienjarige met de ziekte van Pfeiffer op bed lag, vermaakte ik mij door gedichten te zingen. Ik zong ook Buddingh'. Zijn gorgelrijmen zongen makkelijk weg, maar het absurdisme in een gedicht als Natuurkunde vond ik mooier. Na mijn schooltijd heb ik me niet meer in zijn werk verdiept.

Reacties

Laat een reactie achter

Feeds

  • klik hier voor het allerlaatste (literatuur-)nieuws


    > Meer feeds...

Zoeken

  •  

Laatste reacties

Colofon

Advertenties