« Music and lyrics | Hoofdmenu | Hans Faverey - 3 gedichten »

Alles van waarde is commercieel (II)

- door Michaël Stoker

Toen dichter Fernando Pessoa in 1927 zijn brood verdiende als handelscorrespondent en tekstschrijver, werd hem door een Amerikaans concern de opdracht verleend een slagzin te bedenken voor de introductie van een nieuw drankje in Portugal. "Primeiro estranha-se, depois entranha-se!", schreef hij: ‘Eerst ben je verbaasd, daarna ben je verslaafd!’ De leuze wekte vooral de interesse van het ministerie van Volksgezondheid, die het nieuwe drankje uit voorzorg uit de handel liet nemen. Tot 1974 is Coca Cola in Portugal een verboden drankje gebleven (absint daarentegen is in tegenstelling tot de meeste Europese landen in Portugal nooit verboden geweest).

Het fenomeen dat schrijvers en dichters hun talent tegen betaling aan opdrachtegevers lenen is van alle tijden. In een artikel in NRC constateerde Ron Rijghard dat 4/5 van 52 ondervraagde dichters weleens een gedicht in opdracht schrijft. De opdrachtgevers varieerden van overheden en energiebedrijven tot warenhuizen en producenten van kattenvoer. De prijzen variëren van een paar tientjes voor een gedicht in opdracht van een literair tijdschrift tot een paar duizend euro in de commerciële sector. Uit het artikel blijkt voorts dat het leeuwendeel van de opdrachtschrijvers geen traumatische ervaringen aan hun commerciële activiteiten heeft overgehouden. Eigenlijk geven alleen Mustafa Stitou en Piet Gerbrandy aan door onbevredigend resultaat geen gelegenheidsgedichten meer te schrijven. Gerbrandy: ‘De muzen zijn geen hoeren, maar godinnen.’ Die formulering in het interview met Rijghard vond Gerbrandy zo geslaagd, dat hij haar hergebruikte in zijn essay ‘formats & targets’ in Volksverheffing, Jaarboek voor Poëzie 2006. Daarin schetst hij het horrorscenario van een ‘gestandaardiseerde wereld waarin alles gecontroleerd wordt en in geld valt uit te drukken.’

Ook kunst valt volgens Gerbrandy ten prooi aan de economie: films, beeldhouwwerken en klassieke concerten zijn immers geldverslindende ondernemingen. De enige echt vrije kunst is de poëzie. ‘Als geen andere kunst is ze in staat volledig haar eigen gang te gaan, zich onafhankelijk op te stellen, commentaar te leveren uit de marge.’ Gerbrandy’s redenering volgt de economische logica dat wanneer een filmproducent investeert in dure apparatuur, decors en acteurs, het resultaat (het kunstwerk) deze investering moet terugverdienen. En dat resulteert in eenheidsworst, veilige werkjes, meer van hetzelfde. De dichter daarentegen heeft zijn bicpen en zijn velletje papier al met de verkoop van, zeg, drie bundels terugverdiend en kan daarom aan het economische fatum ontkomen. Maar ze doen het niet! ‘Dichters willen tegen elke prijs meedoen aan de economie,’ schrijft Gerbrandy. Optredens op festivals, gedichten op gevels en trottoirs, gedichten in opdracht van het stadsbestuur, de bierbrouwer en de verzekeraar én het incestueuze trekje van dichters om elkaars verjaardagen plat te lopen, zorgen ervoor dat ‘ze uiteindelijk allemaal dezelfde gedichten schrijven.’ De resultaten zijn ‘risicoloos’ en ‘politiek correct’, en vandaar Gerbrandy’s ontboezeming in het NRC-artikel dat hij spijt heeft van de enkele zwakke momenten waarop hijzelf een opdracht heeft aangenomen: ‘slecht gelegenheidswerk, waarvoor ik me moet schamen.’

Nog geen jaar later neemt de spijtoptant in het jaarboek voor poëzie echter één van die beschamende gelegenheidsversjes op, waarover hij opmerkt: ‘Geen slecht gedicht, al zeg ik het zelf, maar van de eerste tot en met de laatste regel voorspelbaar.’ Ik weet niet hoe de opdracht luidde, kan de broodheer niet achterhalen en ik weet niet welk doel het gedicht diende. Maar in elk geval klinkt in Gerbrandy’s hypocriete commentaar evengoed de lokroep van de sirene der commercie door als in de door hem beschimpte nevenactiviteiten van dichters. Waarom spijt hebben van een gedicht en het dan alsnog plaatsen in een jaarboek? Vanwaar de kwalificatie ‘slecht gelegenheidswerk’, om daarna te beweren ‘geen slecht gedicht’? Waarom ‘geen slecht gedicht’ als het ‘van de eerste tot en met de laatste regel voorspelbaar’ is? En is de opdracht van een dichter aan zichzelf om een gedicht te schrijven, niet net zo goed een opdracht? Helemaal wanneer de dicher er een werkbeurs van het Fonds voor de Letteren voor ontvangt? Gerbrandy ontving in 2004 in elk geval 80.000 euro voor het schrijven van twee boeken, weliswaar essaybundels, maar toch. De tirade tegen de formats en de targets in de poëzie wordt op die manier wel erg vrijblijvend. ‘Omdat de dichter erbij wil horen, is de Muze een hoer geworden,’ parafraseert Gerbrandy zijn al eerder in NRC geformuleerde stelling. De enige hoer in dit verhaal is Gerbrandy zelf.

Het hele circus van stadsdichters, gedichten bij foto’s, schilderijen, glas, gevels en god mag weten wat nog meer, is niets nieuws onder de zon. Gerbrandy erkent zelf er ook weleens aan mee te doen. Misschien hoort een commerciële uitbating van de poëzie wel een beetje bij de poëzie, zoals die ook bij schilderkunst, muziek en toneel volkomen vanzelfsprekend is. De architectuur kan eigenlijk alleen maar bestaan door opdrachten: het zal bovendien niet erg gewaardeerd worden wanneer een architect volkomen autonoom een leuke expressie van zijn allerindividueelste emotie voor iemands deur bouwt. En het is een a-historische opvatting om te beweren dat poëzie daarvan verschoond is of zou moeten zijn. Horatius bijvoorbeeld, werd in 17 vc tot officiële dichter van Rome benoemd en kreeg van keizer Augustus de opdracht om ter gelegenheid van de Romeinse eeuwfeesten een feestzang te schrijven. Een groot deel van Vondel’s lyrische oeuvre bestaat uit gelegenheidspoëzie, zijn Gijsbrecht is in opdracht van de Amsterdamse Schouwburg geschreven, zijn Inwydinge van 't Stadthuis t'Amsterdam ontstond na een opdracht van het stadsbestuur. Hubert Korneliszoon Poot is misschien wel het archetype, in elk geval het meest bekende voorbeeld van de brooddichter. Anders dan gebruikelijk wenste hij immers van zijn poëzie te leven en nam allerhande opdrachten aan. De man heeft zich voor van alles laten betalen: van lofdichten op hoogwaardigheidsbekleders, tot grafredes en epithalamia.

Of al die gelegenheidsgedichten de poëzie een dienst bewijst valt nog maar te bezien. Daar heeft Gerbrandy een punt. Ik miste in het NRC-artikel het argument van de maatschappelijke betrokkenheid in gelegenheidspoëzie. De beloning en de stok achter de deur om een gedicht af te krijgen, zijn begrijpelijke argumenten maar gaan voorbij aan de mogelijkheid met een gelegenheidsvers maatschappelijke betrokkenheid te tonen. Iets wat bij poëzie beslist geen vereiste is, maar juist bij gelegenheidspoëzie volkomen gelegitimeerd. Gedichten op blikken kattenvoer en flesjes parfum zijn leuk en aardig (in elk geval niet iets gevaarlijks), maar poëzie bij politieke of sociale gebeurtenissen kan van belang zijn. Doordat de dichter wordt uitgedaagd te schrijven over actuele zaken, heeft hij de kans zijn stem te verheffen in een debat dat wellicht enige reflectie kan gebruiken. Ook als de resultaten niet in het voordeel van de opdrachtgever uitpakken. Jan Vos, de lijfdichter van de Amsterdamse regentenaristocratie halverwege de 17e eeuw, organiseerde in opdracht van het stadsbestuur allegorische voorstellingen bij gedenkwaardige momenten en conformeerde zich daarbij niet altijd aan de heersende politieke mores. Vondel stelde in een gelegenheidsgedicht bij de verjaardag van het beursgebouw van Hendrick de Keyser (1643) het in zijn ogen misplaatste vertrouwen in de economische voorspoed aan de kaak.

In de praktijk van mijn werk bij Het Poëziecircus komen gelegenheidsgedichten ook voor. Eind vorig jaar vroeg de Sociale Verzekeringsbank om gedichten van drie dichters bij de viering van vijftig jaar AOW. Drie dichters schreven elk een gedicht waarin ze de hun persoonlijke visie op de ouderdomswet vatten. Eén gedicht werd door de opdrachtgever geweigerd. Het was te somber, te zwartgallig en te onbegrijpelijk om te worden voorgedragen bij wat toch een feestelijk moment met ministers, ambtenaren en hoogwaardigheidsbekleders moest worden. Strofe 1 en 3 konden nog wel door de beugel, maar strofe 2 verpestte de boel. Of strofe 2 integraal geschrapt kon worden. Dichter X - ik heb de betreffende dichter geen toestemming gevraagd voor het noemen van zijn naam - weigerde dat te doen. Er volgde een lange correspondentie waarin de organisatoren opsomden wat de bedoeling was, wat er in het gedicht zou moeten staan, wat AOW precies inhield, kortom, dat er alle aanleiding was om één groot hosanna van het gedicht te maken. De dichter kon er niet mee uit de voeten en werd van de line up verwijderd.

Ik heb het gedicht van dichter X met hand en tand verdedigd. Ik heb geprobeerd met een interpretatie aan te tonen waarom het gedicht, als kritische reflectie, juist een toevoeging op het congres kon zijn. Niets mocht baten. We hebben toen, onder de tijdsdruk van drie resterende dagen tot het evenement, besloten een experiment uit te voeren. Poëziecircus-directeur Gina van den Berg heeft de emails van de congres-organisatoren gescand op trefwoorden, heeft die verpakt in een transparant, vrolijk versje en heeft het binnen twintig minuten als alternatief aangeboden. Het gedicht werd direct geaccepteerd. Daags na het evenement kwamen er emails van toeschouwers die het ‘schitterende gedicht’ boven een ambtenarenbureau hadden gehangen. Gina van den Berg had voor dit gedicht in opdracht nog nooit een gedicht geschreven.

Dat het hier niet gelukt is een kritisch gedicht aan de opdrachtgever te slijten, komt omdat men vrolijke vertellinkjes verwacht. Kattenblik- en parfumflesjespoëzie. Ze verwachten een kunstje, omdat ‘poëzie’ wel chique staat in de congresbrochure. De consultant managers, of hoe die types ook mogen heten, die het programma samenstellen hebben echter nog nooit een poëziebundel in handen gehad, hebben geen idee wat poëzie eigenlijk is en waartoe zij in staat is. Ze willen geen dichter, ze willen een tekstschrijver.

Het is verleidelijk (want gemakkelijk) om dan met Gerbrandy’s afkeer te reageren en naar het Fonds voor de letteren te rennen, maar ik zou juist zeggen: werk aan de winkel! Niet capittuleren! Meer poëzie in opdracht! Als er geld in aanmerking komt voor de besteding aan poëzie, dan is het wel de goedgevulde kas van multinationals en overheidsinstellingen die anders toch op gaat aan chique amuses en kaviaar. Het gelegenheidsvers is bezig met een opmars die een volwassenwording van het genre inhoudt. Zoals de consultant managers het wel uit hun hoofd laten tegen de minister van sociale zaken te zeggen dat zijn lezing op het AOW-congres een tikje zwartgallig is, zo zouden ze dat ook niet tegen de dichter moeten durven zeggen. De dichter moet dan echter wel zijn plaats in de maatschappij opeisen. Het is grandioze flauwekul dat de poëzie als zodanig, die volgens Gerbrandy op het spel staat, daardoor in in gevaar zou komen. Wanneer poëzie niet meer in staat zou zijn te functioneren in en te reageren op een wereld van commercie en joligheid (en dat afgewezen gedicht van dichter X wordt natuurlijk ooit alsnog ergens gepubliceerd), dan schiet de poëzie tekort. Het is juist de poëzie die daar, om er toe te doen, bovenop moet zitten, de formats en targets moet stellen, met als een niet geheel vervelende bijkomstigheid een aardige boterham voor de dichter, verdiend met zijn eigen handen. Hermes, de god van de welsprekendheid was niet voor niets tevens de god van de handel.

Reacties

Laat een reactie achter

Feeds

  • klik hier voor het allerlaatste (literatuur-)nieuws


    > Meer feeds...

Zoeken

  •  

Laatste reacties

Colofon

Advertenties