Nieuwe Kaas. Veertien schrijvers schrijven Elsschot (DW B, NR. 1: februari 2007)
- door Xavier Roelens
Geachte lezer van dit weblog,
hebt u een afspraak met de geschiedenis? Het hoeft niet, u hoeft zich daartoe niet verplicht te voelen. Maar kijkt u toch eens, als u in een boekhandel komt, naar de foto op de achterkaft van de nieuwste DW B. Of surf, net voor het slapengaan, naar de site van het literaire tijdschrift. U kan er de zoveelste remake van Het Laatste Avondmaal ontdekken, ditmaal van de hand van Michiel Hendryckx. Verder in het boek, of de site, ontdekt u portretfoto’s door de huisfotograaf van De Standaard. Hij heeft zich waarlijk overtroffen.
En al hoeft de afspraak met de geschiedenis niet, misschien krijgt u toch zin om deze special rond Willem Elsschot te kopen. Daar bestaan in elk geval enkele goede (en minder goede) redenen toe.
Misschien klinkt het alsof ik u een kat in een zak zal aanpraten, maar laat mij dit maar meteen ontkennen. Ik wil eerlijk met u zijn. Sommige bijdragen vallen mager uit, zoals die van Kristien Hemmerechts en Benno Barnard. In een gefictionaliseerde brief van Martine Cuyt wemelt het dan weer van de voetnoten, wat het lezen ernstig verstoort.
Maar u zal ook nieuwe gedichten van Paul Bogaert en Peter Holvoet-Hanssen kunnen proeven. U zal kostelijk met de wederwaardigheden van Guido-van-het-magazijn Gezelle en Willem Elsschot, bedrijfsbazen en oprichters van Jay's, kunnen lachen, u gebracht door bedrijfsreporter Saskia De Coster. U kan zich laten troosten, of aangrijpen, door het intense verhaal van Anne Provoost, dat helemaal voldoet aan de eisen van de samenstellers: “Hou je op de vlakte zoals Elsschot, blijf aan de buitenkant van het personage zoals Elsschot. Maar schrijf a.u.b. niet zo koud als Elsschot. Verneder je personages niet, kleed ze niet uit. Welja, schrijf met enig mededogen. Maar het moet wel gaan over ontgoocheling. Ontgoocheling met een hoofdletter.”
De samenstellers, romancier-dichter Koen Peeters en chef Standaard der Letteren Jeroen Overstijns, leiden elke bijdrage in met een brief, waarin ze tot in detail aan de schrijver vertellen wat ze van hem of haar verwachten. Deze brieven lijken op het eerste gezicht irritant betweterig, maar ze bekoren in het spanningsveld dat ze vormen met de bijdragen zelf. Neemt u bijvoorbeeld de bijdrage van Atte Jongstra. Zijn persoonlijke ontboezemingen zijn al te navelstaarderig (over zijn vrouw, zijn vroegere vriendin waar hij kinderen mee heeft, over een lastige vraag van een recensente, blabla), maar de inleidende brief opent de tekst, door hem als antwoord op Elsschots overbekende gedicht “Het huwelijk” te presenteren.
Even verrassend is De ultieme recensie van Yves Petry. Deze man speelt op de eerder besproken achterkaftfoto de rol van Christus en regelt voor u een ontmoeting met Elsschot in het hiernamaals. U ziet er de auteur van het boekje Pensioen rondzweven in een "perfect egaal waas dat onveranderlijk zichzelf bleef", tot hij een halt wordt toegeroepen door iemand die zichzelf voorstelt als: “Ik ben wat u niet bent, nooit bent geweest en nooit zult worden. En daarop zult u altijd botsen. Zoals ik al zei, ik ken uw beperkingen. Het gaat er mij niet om u daarvoor te veroordelen. Ze worden alleen in rekening gebracht.” Bent u nieuwsgierig geworden hoe deze ontmoeting afloopt? Op de site zal u het volledige antwoord niet vinden.
We hebben al mooie kortverhalen en mooie gedichten gehad. Maar ook uw hersenen krijgen lekker behapbaar voer. David Van Reybrouck legt Elsschots Het dwaallicht naast Het leven en de dood in den ast van Stijn Streuvels. Hij stipt gelijkenissen (“In beide gevallen ondergaan de hoofdpersonages tijdens die nacht een merkwaardige transformatie: ze worden niet iets of iemand anders, zoals de regels van de schrijfkunst het voorschrijven, maar ze beseffen dat ze altijd dezelfde zullen blijven, dat het geen avance is, dat hoop al even grotesk is als troost.”) en verschillen aan: “Bij Streuvels is het personage een machteloos, binnensmonds monkelende brok gemoed. Hij ligt overhoop met de wereld die hem dat hofstedeke of die liefkozing nooit zal gunnen. Bij Elsschot daarentegen ligt het personage overhoop met zichzelf, het conflict is verplaatst naar binnen en elkeen voelt zich onwennig bij die nieuw verworven verantwoordelijkheid voor het lot.” Aan het eind spreekt Van Reybrouck zich ten faveure van Streuvels uit, zoals gevraagd door de samenstellers.
Koen Rijmenants legt dan weer de brievenschrijver Alfons De Ridder naast de romanschrijver en dichter Willem Elsschot en stelt vast dat de grens, ook stilistisch, dun is. Een mens zou er brieven van beginnen lezen. En Tom Lanoye, deze maal in de huid van een fiscus gekropen (enkel figuurlijk), komt tot de volgende diepe overpeinzingen: “Wie zijn persoonlijke problemen wijt aan een samenleving, beliegt zichzelf. Hij had maar in zijn uppie moeten blijven wonen. [...] De hoeksteen van het maatschappelijke leven is het zelfbedrog van ieder van zijn participanten. En dat is er niet op verbeterd met het stijgen van het sociaal verkeer en de explosieve groei van het internet.”
De samenstellers openen en sluiten de Elsschot-debatten met een eigen bijdrage. Koen Peeters schenkt ons het eerste hoofdstuk uit zijn nieuwe roman Grote Europese Roman. Persoonlijk – ik blijf u tot het eind eerlijk mijn mening geven – heeft dit hoofdstuk mij niet gelijmd voor de roman, maar u kan nog altijd voor uzelf beslissen of u later dit jaar Grote Europese Roman wil kopen, zonder dat u de onvermijdelijk lovende recensie in de Standaard der Letteren hoeft af te wachten. Jeroen Overstijns tot slot kreeg als opdracht mee: “bezin eens over de intellectueel.” De bottomline van zijn betoog is: “Iedereen heeft een zekere angst, laten we kijken naar wat het met ons doet, hoe het ons handelen drijft.” En aan de andere kant van het menselijke spectrum: “Kennis is nog steeds een sacraal goed.” Overstijns’ analyse van die bedreigde (of zich op zijn minst bedreigd voelende) minderheid zou niet misstaan hebben in een aflevering van Jambers, en verdient al uw aandacht.
Extra bij het DW B-nummer zijn de kleurenfoto's van Charlotte Lybeer, een persoonlijk relaas door Jan Baetens over films vs. boeken en reviews:
- Bart Vervaeck over Favonius van Allard Schröder en ALVB van IJlander: “De goede satire gunt de lezer een blik in die andere kamer [van het verborgene] terwijl ze het schijnbaar heeft over de burgerlijke kamers die we zo goed kennen. Op hun eigen manier gunnen ALVB en Favonius de lezer zo'n blik op de wereld diep onder aarde. Misschien is het goed eerst te kijken voor we springen.”
- Gaston Franssen over Heimwee naar van Robert Anker: “Opeens zie je allerlei passages uit Ankers voorgaande werk oplichten en rijg je ze aan elkaar tot een rode draad: van het 'heimwee naar een toekomst in je keel' uit Van het balkon naar het 'heimwee van het leven' uit Nieuwe veters, en via het 'lege heimwee in reklame en tv' uit Goede manieren verder naar het 'heimwee naar zichzelf' uit De broekbewapperde mens, om ten slotte te eindigen bij Ankers nieuweling, een verzameling van 45 gedichten met titels als 'Heimwee naar modernisme', 'Heimwee naar Reve', 'Heimwee naar de dag voordat jij kwam', enzovoort. [...] Alleen het heimwee kan het verleden werkelijk redden, maar om heimwee te krijgen, moet het heden zegevieren over de wereld van vroeger.”
- Sven Vitse over Een dag in maart van Pol Hoste: “ Passant [het hoofdpersonage] gaat in Montréal op zoek naar wat er niet is – de eenvoud van deze formulering is bedrieglijk.”
Na nog een kladje (neemt u dit letterlijk, alstublieft: u ziet enkel een manuscript en een bewerkt typoscript, geen eindresultaat) van Henk van der Waal en na nog drie korte tijdschriftrecensies zal u met een verrijkt hart het pasgekochte boek kunnen sluiten. Slaap zacht.
Reacties