De canon van de dorpspomp
- door Michaël Stoker
Over bloemlezingen ontstaat altijd gelazer. Toen Gerrit Komrij in 1999 De Afrikaanse poëzie in 1000 en enige gedichten publiceerde waren de kritieken niet van de lucht. ‘Moet ons ‘n Kaaskop toelaat om die koninklike stempel op ons poësie te plaas? Eers het ons ‘n kulturele boikot beleef — nou kry ons kulturele neo-kolonialisme,’ schreef de columnist Jakop Regop in dagblad Die Burger, bijvoorbeeld. Er stond met die bloemlezing ook nogal wat op het spel. Juist in een samenleving als de Zuid-Afrikaanse, waar community building nog altijd een buitengewoon actuele en hachelijke zaak is, is de publicatie van een bloemlezing die in de titel spreekt van ‘De’ Afrikaanse poëzie, iets om met argusogen te beschouwen. De keuze van de bloemlezer loopt gemakkelijk het risico een politieke keuze te worden (zie voor een uitgebreid artikel over de receptie van Komrij’s Afrikaanse bloemlezing het artikel van Ingrid Glorie).
In Nederland zal de publicatie van ongeacht welke bloemlezing over Nederlandse poëzie niet zo snel politiek worden, maar desondanks natuurlijk wel voor gezaghebbend kunnen doorgaan. Door middel van het samenbrengen van een groot aantal gedichten, afgebakend door een bepaalde periode, construeert de bloemlezer immers een traditie waartoe de gebloemleesde dichters (bewust of onbewust) gaan behoren, en die als een paradigma voor de onderhavige periode kan gaan gelden.
Rutger Cornets de Groot publiceerde op Literair Nederland deze week een zinnige beschouwing van de recentste aller dikke bloemlezingen 25 jaar Nederlanstalige poëzie 1980-2005 in 666 en een stuk of wat gedichten, samengesteld door Chrétien Breukers. Zijn kritiek betreft voor een groot deel het smaakoordeel van de bloemlezer als leidend selectie-instrument. Dat smaakoordeel is vanzelfsprekend arbitarair en dermate dominant dat de inhoud van de bloemlezing meer een weergave geeft van de eruditie van de heer Breukers, dan van een bepaalde periode in de literatuurgeschiedenis. Cornets de Groot: ‘Dit is het fundamentele manco van Breukers’ bloemlezing. Hij heeft met zijn bloemlezing, hoezeer ook afgepaald tussen stringente tijdsgrenzen, geen tijdsbeeld willen presenteren.’ Daar is volgens mij niets mis mee, maar geef een dergelijk privéproject vervolgens niet de pretentieuze titel die het nu draagt. Die titel hoort niet te zijn 25 jaar nederlandstalige poëzie 1980-2005’in 666 en een stuk of wat gedichten maar De op heldere wijze meest raadselachtige Nederlandstalige gedichten 1980-2005 volgens de heer Breukers die zijn uiterste best heeft gedaan het getal van het Beest kwantitatief niet te overschrijden en kwalitatief zich zoveel mogelijk met het Beest te vereenzelvigen (beide mislukt). Ik vind het best als wie dan ook besluit bijna 700 willekeurig gekozen gedichten in boekvorm als privéprojectje te publiceren- zelfs als daar een half bos voor wordt gekapt (ik betaal via mijn pensioenfonds aan ernstiger zaken mee), maar kom niet aan met de pretentie van canonvorming. Daarvoor is de bloemlezing te ongefundeerd.
Zoals te verwachten viel, staat tegenover elke door Breukers opgenomen dichter een niet opgenomen dichter (misschien wel hét kenmerk van een goede bloemlezing). Zeker als de bloemlezer de lovenswaardige beslissing maakt ook poëzie van andere media dan het traditionele bundeltjespapier in aanmerking voor opname te laten komen, is een procédé van uitsluiting onvermijdelijk. Maar het kan toch niet de bedoeling zijn om juist in het oog springende dichters uit de afgelopen 25 jaar, zelfs als deze niet in de smaak van de bloemlezer vallen, uit te sluiten? Kan een dichter als Martin Reints in een vette bloemlezing over 1980-2005 ontbreken? Volgens Breukers wel: ‘Een gedicht mag niet met de spierballen rollen – de poëzie is geen apenrots.’ Reints zit op de apenrots. Net als o.a. Koen Peeters, Lidy van Marissing, Peer Wittenbols, Els Moors, Pem Sluijter (Buddingh’prijs 1997) en Arnon Grunberg. Cornets de Groot merkt terecht op dat Breukers dan weliswaar uit de nog onaangeroerde bron van het internet heeft geput, maar de hele ontwikkeling van het podium als medium voor poëzie, heeft gemist. Cornets de Groot gebruikt de term ‘podium- of slampoëzie’, maar die term is, zoals Ingmar Heytze terecht opmerkt in een reactie op het artikel, onjuist.
Onderscheid tussen ‘podiumdichters’ en ‘dichters’ is artificieel. Ik heb het al eens eerder op dit weblog gezegd, in iets krassere bewoordingen en werd toen op het dorpsplein van de heer Breukers genadeloos door de mangel gehaald. Of ik eens een poëziebundel wilde gaan lezen en daarna een netjes geformuleerd leesverslag wilde indienen. Dat is namelijk meneer Breukers’ sterke kant, poëziebundels lezen, daar is ie goed in, en daar heeft ie plezier in. En omdat niemand ooit zovéél poëziebundels heeft gelezen als de heer Breukers, heeft de heer Breukers zich opgeofferd om ‘de beste poëzie van dichters die in de laatste kwarteeuw hebben gedebuteerd, in een bundel, een tijdschrift of op het web’ in kaart te brengen. En niet op het podium dus. ‘Ik vat poëzie op als een kunstvorm die het best gedijt op papier,’ schrijft Breukers in zijn voorwoord bij de bloemlezing. Ik ben dat met hem eens. Maar dat sluit nog niet uit dat poëzie ook heel goed kan gedijen op het podium. En hij gaat voorbij aan het feit dat veel dichters, zeker in het laatste decennium, gebruik maken van het podium als medium om hun poëzie ten gehore te brengen en te laten gedijen. Zeker beginnende dichters, die nog geen handvatten hebben om zich in het literaire veld vast te grijpen, nemen hun toevlucht naar open podia en poetry slams. Een deel daarvan stroomt door naar geprogrammeerde podia, festivals en/of literaire tijdschriften, en het overgrote deel daarvan verdwijnt in het afvoerputje van de poëzie.
De suggestie dat er een ontologische status ten grondslag zou liggen aan de poëzie van dichters die zich openbaren via het podium, is onzin. Het onderscheid podium vs. papier is kunstmatig, maar wordt wel degelijk gemaakt. De bloemlezing van Chrétien Breukers bewijst dat. Dichters die tussen 1980 en 2005 zijn gedebuteerd op een podium en hun bekendheid voornamelijk daar hebben verworven, zijn grotendeels aan het blikveld van de bloemlezer onttrokken gebleven. Kopstukken uit de podiumscene als Serge van Duijnhoven, Olaf Zwetsloot, Pom Wolff, Sander Koolwijk, Bernhard Christiansen, Tom Zinger en Sven Ariaans, ontbreken. Van de winnaars van het nationale poetry slam kampioenschap is er één in de bundel opgenomen: Erik Jan Harmens. Harmens heeft (niet toevallig) twee jaar geleden het slamcircuit de rug toegekeerd en is inmiddels uitgegeven bij Nijgh & Van Ditmar. Pas dan bereikt een dichter het blikveld van de bloemlezer. Breukers’ tunnelvisie is debet aan het ontbreken van bijvoorbeeld Pim te Bokkel; al jaren te zien op verschillende podia in het hele land, alvorens deze winter te zijn gedebuteerd bij Nieuw Amsterdam.
Voordat ik weer door een brandende hoepel moet en onder auspiciën van Breukers een leesverslag van zijn bloemlezing moet produceren: ik ben voornamelijk een lezer van poëzie en pas op de tweede plaats een luisteraar. Ik bezoek literaire (open) podia omdat deze, naast het oude tijdschrift, een medium vormen waar nieuwe poëzie van bekende en beginnende dichters te horen is. Vooral geprogrammeerde podia hebben nagenoeg dezelfde functie als literaire tijdschriften: er is een redactie die in haar ogen onrijp werk scheidt van lezenwaardig en/of, in het eerste geval, beluisterenswaardig werk. Het is een omissie wanneer machthebbers binnen een cultureel veld, of zij die pretenderen tot de machthebbers te behoren, de oren sluiten voor één bepaald medium. Dat heeft niets met smaak, maar alles met verantwoordelijkheid te maken.
Voorts wil ik beslist niet beweren dat de toevoeging van een heel arsenaal podiumdichters kwalitatief aan de bundel zou hebben bijgedragen; dat had moeten blijken. Maar lezers van deze bloemlezing wordt de mogelijk een oordeel daarover te vellen bij voorbaat ontnomen. De canonvorming gebeurt op deze manier wel erg eenzijdig. En hoe moeten die beginnelingen, die zich op het podium vaak een god in het diepste van hun gedichten wanen, zich ontwikkelen wanneer zij geen serieuze kritiek krijgen? De opname van de meest toonaangevende onder hen, zou allicht een dergelijke kritiek stimuleren. En de stimulering van podia heeft nut: het podium als medium heeft een aantal regulerende functies: dichters, vooral de jonge honden, kunnen vrijblijvend aanmodderen zonder dat Wim van Til uit zijn krappe behuizing hoeft te groeien, of er halve bossen gekapt hoeven worden. Daarbij is het van belang dat dichters die zich oriënterend in het podiumcircuit begeven, geconfronteerd worden met de voorafgaande hoofdstukken van de geschiedenis waaraan ze nu pretenderen het nieuwste hoofdstuk toe te voegen. Wie regelmatig podiums en slams bezoekt, moet constateren dat maar weinig dichters zich van het voorafgaande bewust zijn. Het aantal wielen dat daar gemiddeld opnieuw uitgevonden wordt, ligt vele malen hoger dan het landelijke gemiddelde. In Utrecht loopt bij Het Poëziecircus momenteel de serie ‘De Vertolkingen’, waarbij een voordrager bij elke literaire voorstelling werk van dode dichters reciteert. De laatste was op 15 maart met Frank Groothof, de volgende op 22 april waarbij Nadja Hüpscher werk van (waarschijnlijk) Hans Andreus voordraagt. Deze vertolkingen en de programmering van nog levende renommée’s, zoals Esther Jansma, Erik Lindner en Menno Wigman, zijn voor de beginnende dichters op het podium en in het publiek, een expliciete uitnodiging zich bewust in te schrijven in een traditie.
Daarom is de afwezigheid van kopstukken uit de podiumscene in Breukers' bloemlezing ook zo jammer; er had genadeloos kunnen blijken in hoeverre poëzie van Ariaans, Wolff, Ter Haar, Koolwijk, Van Duinhoven e.a. aansluiting zoekt bij dan wel onwetend is van de traditie waar zij zich onvermijdelijk bij inschrijft. De titel en de canonvormende pretentie van Breukers had zo’n opname volledig gelegitimeerd. Smaakoordelen zijn er voornamelijk voor de lezer.
Uiteraard zijn er ook dichters die over het medium reflecteren en er de idiosyncratische mogelijkheden van gebruiken. ACG Vianen, Xavier Roelens, De Woorddansers, Sven Ariaans en Bernhard Christiansen gebruiken ritme, klank en theatraliteit op een manier die voorbehouden is aan het podium. Dan is er een goede reden om ze uit te sluiten van opname in een bundel die op papier verschijnt, maar het feit dat Breukers bekende podiumbestijgers als Robin Block, de al genoemde ACG Vianen en Bart FM Droog wél opneemt, wijst op een jammerlijke incoherentie. De ervaring van poëzie op het podium, het horen en zien van poëzie dus, kan voorts wel degelijk een rol spelen in het waarderen van een dichter. Van Dixhoorn kwam voor mij pas in beweging toen ik hem zijn bundel ‘Dan op de Zeevaartschool’ hoorde voordragen, op papier bleef die (aanvankelijk) doodstil. En verdomd: Van Dixhoorn staat ook niet in de bloemlezing. Alles is een kwestie van smaak, maar wie de Buddingh’-prijs wint (Van Dixhoorn won hem in 1994), hoort, al was het maar voor de historische volledigheid, thuis in zo’n overzichtswerk.
Juist de opname van dichters die voornamelijk op podia indruk maakten, had Breukers’ bloemlezing duidelijk doen onderscheiden van die van Komrij (immers in 2004 nog eens geactualiseerd). Zeker in het licht van de constatering van Marc Kregting in ‘Laden en Lossen’ (2006): ‘Grofweg kan achter ‘het’ postmodernisme op de tijdbalk podiumpoëzie worden gezet. (...) Verder dan het gevoel dat poëzie lang is geschreven voor De Ander en nu voor Anderen, kom ik niet. Maar omdat podiumgedichten, niet in het minst door Internet, exponentieel toenemen, groeit het aantal dat inadequaat begeleid of domweg over het hoofd gezien wordt door de kritiek, de eerste ring. (...) mij is in de Lage Landen althans geen boek bekend waarin podiumpoëzie via de gedichten zelf op haar merites wordt beoordeeld.’ (p. 159) Buiten het feit dat ook Kregting de term ‘podiumpoëzie’ (die in enge zin immers slechts van toepassing is op een beperkt groepje voornamelijk voor het podium schrijvende dichters) gebruikt voor het werk van de grote groep dichters die zich momenteel voornamelijk manifesteert op podia, deel ik zijn observatie. De ‘eerste ring’, om in Kregtings terminologie te blijven, ontgaat veel. Bloemlezer Breukers, met zijn canonvormende pretentie tot die eerste ring te behoren, is een expontent van die constatering. De afwezigheid van podiumdichters komt de bloemlezing niet ten goede en maakt het smaakoordeel van de bloemlezer te nadrukkelijk aanwezig. Als er al sprake kan zijn van canonvorming bij deze bloemlezing, dan is het de poging van de heer Breukers om zelf tot de canon te behoren. Is het niet als dichter, dan is het wel als bloemlezer. De bloemlezing mist het élan en de vinger aan de pols van de gebloemleesde tijd, om als een standaardwerk voor de periode uit de titel door te gaan, maar geeft wellicht een aardig beeld van in elk geval één canon: de canon van de dorpspomp.
Reacties