Vragen van Neruda aan Van de Vendel
(In Vragen van Neruda reageert een dichter op drie vragen uit het Boek der Vragen van Pablo Neruda. Deze keer: Edward van de Vendel.)
Waarom beweeg ik zonder te willen,
waarom kan ik niet bewegen?
Het raarste bewegen dat ik van mijn lichaam ken is wat mijn bovenbenen willen als ik op een te grote hoogte sta. Ze beginnen dan namelijk aan de rest van mijn lichaam te sjorren. Ze denken er hardop bij, en ze klinken vrij overtuigend: ‘Kom nou!’ roepen ze tegen de rest van mijn lijf, ‘Kom, die rand over! Stap over dat muurtje, van hier naar de diepte is een avontuur. Vliegen kunnen we, we zullen luchtfietsen, ozonstruikelen, verdorie, kom nou!’.
Suïcidale bovenbenen worden het, op te grote hoogte. Moet samen met de rest van mijn lichaam altijd weer flink aan de bak om nee te schudden. Aan de waaromvraag zijn we, door al dat bovenbeengeworstel, nooit toegekomen.
Wie lijdt meer: wie altijd wacht
of wie nooit op iemand wachtte?
Hoe kan ik weten wie het meeste lijdt? Hoe kan ik meten wie het meeste lijdt? Ben ik de lijdensmeter van de wereld? Mijn empathie gaat ver, maar ik kom het lijdgehalte in het lijdreservoir van wie dan ook niet binnen.
Een betere vraag zou zijn: met wie lijden we in grotere mate méé, met wie altijd wacht of wie nooit op iemand wachtte?
Met de eerste denk ik, al vinden we wel dat hij of zij zich veel te slachtofferig opstelt.
De tweede doen we natuurlijk af als arrootje. Wacht namelijk nooit op iemand, omdat er op hém gewacht wordt. Ergens ook weer zielig, want bij het rimpeliger worden wordt deze non-wachter vanzelf minder wachtenswaard.
Arroschap is slechte verf, bladderbladder.
Hoe is het de onbeheerde fiets
gelukt zijn vrijheid te verwerven?
Ze lonkte. Ze floot naar Amsterdamse fierljeppers. Ze klakte met haar zadeltong en ontblootte even een velg. Onbeheerde fietsen zijn bitches.
Die in het westen dan.
In Tiengemeten en Acquoy hebben ze nog welzeker klasse. Trouw tot aan de roest.
Reacties