Centrum voor poëtische volkscultuur
- door Michaël Stoker
Op 7 februari werd het regeerakkoord voor het vierde kabinet balkenende gepresenteerd. De Righteous brothers van de Nederlandse politiek presenteerden een document waar W.G. van der Hulst de ghostwriter van lijkt te zijn. Balkenende heeft nu vooral behoefte aan stabiliteit: veel kan er met zo’n tikje conservatief akkoord niet misgaan. Alles blijft grotendeels bij het oude of wordt vervangen door iets nog ouders. We moeten nog steeds vijf dagen nadenken voordat we embryo’s mogen opzuigen, de pil van Drion komt niet in de verzekeringspolis en we hogen hier en daar een dijkje op voor die stijgende zeespiegel-waar-het-toch-zo’n-vaart-niet-mee-zal-lopen. We gaan, kortom, samen leven en samen werken: Het Nederlandse polder-neoliberalisme wordt vervangen door het Nederlandse polderchristen-socialisme. Voor de poëzie zal het allemaal weinig te betekenen hebben, of het moet een herwaardering van de oude domineesdichters zijn, zoals J. ten Kate: de Eeuwige arbeidt met geduld / Naar de grondwet der ontwikkling, /die Hij stelde en-zelf vervult!
De cultuurparagraaf in het regeerakkoord belooft in elk geval gouden jaren voor koekhappen, zaklopen, slootjespringen en palingsteken. Er worden per saldo 50 miljoen extra euro’s geïnvesteerd in ckv-bonnen, in allochtonen die naar een theater durven en in amateurkunst en volkscultuur. Ja, we lezen het goed: volkscultuur. De term die in 5500 pagina’s Het Bureau van J.J. Voskuil ongemeen in zijn hemd wordt gezet, als een vakgebied waartoe onderzoek behoort naar zoiets als de ophanging van de nageboorte van het paard, het midwinterhoornblazen en het geloof in kabouters, wordt door het Ten Katekabinet tot speerpunt van de cultuurparagraaf gemaakt. Wanneer straks de nieuwe cultuurnota wordt opgetekend zou het dus zomaar kunnen dat de kaalslag onder theater- en muziekgezelschappen van de vorige nota in stand blijft of zelfs wordt voortgezet, ten faveure van de volkscultuur: C.C. de Pannenlap, kantklosvereniging Klos Vast en natuurlijk al die wollige uitstapjes met jonge Marokkanen naar museum en theater... Ze kunnen hun slag slaan. Het is opmerkelijk dat de minister die straks zijn handtekening moet zetten onder die nota, academicus Roland Plasterk, een Voskuil-fan van het eerste uur is. Die weet dus in elk geval hoe gecompliceerd het gebruik van het begrip volkscultuur is en ook dat de held van de roman, Maarten Koning, een allesbehalve solide geloof in die term heeft: ‘Het lijkt ons niet nodig de bezwaren tegen de term volk in volkscultuur nog eens breed uit te meten. Na alle discussies die erover gevoerd zijn, is iedereen er nu wel van doordrongen dat hij door zijn vaagheid onbruikbaar en door de suggestie van eenheid misleidend is’, citeert Voskuil uit het Volkskundig Bulletin, ergens in 1975. Op de vraag van een collega wat Maarten Koning eigenlijk onder ‘cultuur’ verstaat, antwoordt hij: ‘Als de bevestiging van een tijdelijk sociaal-economisch evenwicht, die weer verandert als dat evenwicht verstoord wordt.’ (Het Bureau 4, p. 175 / p. 902).
Het begrip ‘volk’ is vaag en misleidend, het ‘begrip ‘cultuur’ is onbestendig en veranderlijk. Al met al een nietszeggende term in een coalitieverklaring, en waarschijnlijk juist om die reden zorgvuldig uitgekozen. The Righteous Brothers moesten het immers eens zien te worden op basis van schier onverenigbare partijprogramma’s en konden daarbij zo min mogelijk inhoud gebruiken. Wat er onder volkscultuur wordt verstaan, zal dus pas blijken als het geld verdeeld wordt. De hele paragraaf, met zijn amateurs, jongeren en allochtonen, doet het ergste vermoeden. Belangenorganisatie Kunsten92 trekt in elk geval vast aan de noodbel, of juister geformuleerd: kondigt in navolging van een weeralarm bij drie vlokken sneeuw en een terreuralarm bij een biddende moslim in een treintoilet, een modieuze alarmfase af. Het is wat prematuur om te bepalen of die alarmfase met cultuur onder de hoede van Plasterk wel helemaal terecht is. In zijn hoedanigheid van columnist van De Volkskrant schreef Plasterk immers: "Discussies over subsidie aan de kunst komen snel in de ongemakkelijke sfeer van elite versus massa. Het is gemakkelijk en gevaarlijk om te roepen: waarom zou een kaartje voor toneelgroep De Appel via subsidie goedkoper gemaakt moeten worden dan een kaartje voor een musical van Joop van den Ende? Niet omdat het Appel-publiek armlastiger is, integendeel. Waarom zou de muziek waar Rijkman Groenink van houdt gesubsidieerd worden, en fanfare niet? (...) Mijn argumenten zijn dit beslist niet; er zijn op zich goede redenen voor steun aan de kunst.’ (17/9/2004). Maar Plasterk zal zijn vrijblijvende columnistenmening nu moeten vertalen in concreet beleid. De amateurs, de allochtonen en de kantklossers zullen zich straks op de coalitieverklaring kunnen beroepen als mocht blijken dat Plasterk zijn geld toch ruimschoots aan De Appel en de Nationale Reisopera heeft uitgeven. Een preventieve alarmfase van Kunsten92 (die zich overigens voornamelijk toespitst op het in de financiële begroting opgenomen ‘profijtbeginsel’ van de kunsten) is dus alleszins begrijpelijk.
Poëzie staat niet echt bekend als een zeer onder amateurs, jongeren en allochtonen geliefde kunstvorm, en zou dus best eens fikse klappen kunnen verwachten van het nieuwe kabinet. Het Fonds voor de Letteren zag bij de vorige cultuurnota (2004) al anderhalve ton van zijn budget weggesnoept worden en het is de vraag hoe de commissie volgend jaar indachtig de cultuurparagraaf van het huidige kabinet, zal oordelen. Er gaat bij het FvdL immers relatief veel geld naar enkele in elk geval weinig onder de nadrukkelijk in de cultuurparagraaf genoemde groepen gelezen auteurs. Maar ook instellingen als Poetry International en Poëziefestival Landgraaf zijn in deze paragraaf kwetsbaar. Misschien is het daarom goed wanneer de literaire sector en dan met name de poëzie, vooruitlopend op de nieuwe cultuurnota, analoog aan de alarmfase van Kunsten92 - zij het iets minder pathetisch -, een stevig tegengeluid laat horen. Plasterk lijkt me namelijk de kwaadste niet; hij leest weleens iets. Vergeleken met staatsecretaris Van der Laan en haar opvolger Maria van der Hoeven, hebben we het hier over De Groene Amsterdammer versus de Viva. Een minister die Joost Zwagerman een ‘veelschrijvende kobold, poet laureate van Arts en Auto’ noemt, lijkt me iemand met het poëtische hart op de juiste plaats. Laten we de minister en de schrijvers van de cultuurnota dus tijdig aantonen, dat het eventueel onder het mom van het profijtbeginsel korten van de grote literaire organisaties, slecht is voor het poëtische klimaat. Juist nu er een klimaat is met record aantallen bundelpublicaties en een levendige podiumcultuur, is het zaak dat klimaat te intensiveren en niet af te zwakken.
De redenering dat de beter gesitueerden ook best iets meer voor een kaartje voor hun poëzie-avondjes kunnen betalen in plaats een substantieel gedeelte door de staat geschonken te krijgen, klinkt schappelijk. Maar uiteindelijk zal de uitvoering van zo’n redenering zich alleen maar tegen de door de coalitie zelf in de cultuurparagraaf opgestelde speerpunten keren. Als Poetry International wordt gekort op haar budget, zal zij zich immers in toenemende mate wenden tot de commerciële sector en particuliere of kleine fondsen; geldschieters die nu door niet-staatsgesubsidieerde instellingen worden aangewend om hun activiteiten te financieren. Die zullen vervolgens nauwelijks in staat zijn om hun hoofd boven water te houden.
Als de poëzie al mag profiteren van die extra 50 miljoen euro’s, dan hoeft er beslist niet méér geld gestoken te worden in de stimulering van amateurdichters, bijvoorbeeld door de activiteiten van Stichting Schrijven, hetgeen volgens de beoogde stimulering van amateurkunst en volkscultuur valt te verwachten. Het gaat er wat de poëzie betreft veeleer om, de honderdduizenden schrijvers van gedichten ertoe te bewegen zich te ontwikkelen door meer poëziebundels aan te schaffen en te lezen. Daarvoor is dan weer Stichting Lezen in het leven geroepen, maar die legt de focus wel erg op de romankunst en heeft bovendien al een staatssubsidie van 2 miljoen te besteden. Dat lijkt me meer dan genoeg. Misschien is het daarom een goed idee om een overkoepelend poëzie-orgaan in het leven te roepen dat als exclusief speerpunt de verspreiding van poëzie heeft, zowel in de vorm van bundels als in de vorm van podiumactiviteiten. Niet eenzijdig op de manier zoals afzonderlijke (kleine) poëziestichtingen en organisaties nu al te werk gaan, maar veelzijdig door een samenwerkingsverband te creëren van alle verschillende organisaties die zich momenteel richten op de poëzie. Deze paraplu kan er vervolgens voor zorgen dat activiteiten gelijkwaardig over Nederland en door het jaar verspreid plaatsvinden, kan campagnes uitzetten die recent verschenen bundels bij al die activiteiten voor het voetlicht brengen en geeft een tijdschrift uit waarin de Nederlandse poëzie op de voet gevolgd wordt. En het mooie is: het kost nauwelijks iets. Ik schat dat die 2 miljoen van Stichting Lezen ruimschoots voldoende is. De afzonderlijke stichtingen en organisaties gaan gewoon door met hun (lokale of regionale activiteiten) en de paraplu beschermt hen tegen zwaar weer en gaat coördinerend te werk. En nog mooier: die paraplu bestaat op papier al een beetje. Wat mij betreft zou De Poëzieclub, in 2000 opgericht door Gerrit Komrij, deze functie moeten vervullen. Voornaamste doelstelling van die club is immers: "de poëzie voor zo veel mogelijk mensen aantrekkelijk en toegankelijk maken," iets wat met de tweeduizend abonnees op clubblad Awater na 7 jaar nog maar moeizaam is gelukt.
In 2004 werd de subisidieaanvraag van De Poëzieclub in het kader van de cultuurnota 2005-2008 afgewezen, omdat de commissie De Poëzieclub nog teveel een ‘aangekleed tijdschrift’ vond, in plaats van "een ware club die uitstraalt dat poëzie voor iedereen is." Met een kleine wijziging van strategie en organisatiestructuur kan De Poëzieclub echter gemakkelijk een zinvolle bijdrage leveren aan het vegroten van de belangstelling voor allerlei vormen van poëzie. Door de steun van bekende namen uit de poëziewereld als Gerrit Komrij en Ilja Pfeijffer, de uitgave van het inhoudelijk inmiddels uitstekende tijdschrift Awater, alsmede een in de toekomst uit te breiden samenwerking met bestaande poëzie-organisaties, heeft de Poëzieclub inderdaad de potentie om op nationaal niveau een stimulerende uitwerking te hebben op de beleving van poëzie. Een OC&W subsidie lijkt me dan geen enkel probleem meer, ja, in het licht van de huidige cultuurparagraaf zelfs onvermijdelijk. Door de sturende en verbindende werking van zo’n club beslaat zij immers alle activiteiten die er momenteel op poëtisch vlak in Nederland ontplooid worden; van poetry slams tot poëzieworkshops, van lezingen tot ckv-lessen. Bestaande regionale initiatieven als Passionate in Rotterdam, Het Poëziecircus in Utrecht, De Wintertuin in Nijmegen, Winternachten in Den Haag en Stichting Poëziefestival in Landgraaf, kunnen autonoom blijven functioneren, terwijl hun activiteiten samen (gecoördineerd door De Poëzieclub) een nationaal belang dienen. Om werkelijk een vinger aan de pols te houden van de Nederlandse poëzie zou het tijdschrift Awater bovendien een tweemaandelijkse of zelfs maandelijkse uitgave moeten worden in plaats van het kwartaalblad dat het nu is. Het abonnement zou moeten worden losgekoppeld van die opdringerige ‘clubkeuze’ van poëziebundels die elke abonnee verplicht met zijn abonnement aankoopt. En de verkoop van het tijdschrift en de abonnementen kan worden verricht bij de talloze evenementen in het hele land, waarvan De Poëzieclub de paraplu vormt. Zo kan de poëzie allicht op een iets efficiëntere, doeltreffender en beklijvender wijze worden gestimuleerd dan nu gebeurt. Zo’n overkoepelend orgaan, dat in nauw contact staat met solide, regionale stichtingen en instellingen, zou een slagvaardige strategie kunnen zijn om ‘de poëzie voor zo veel mogelijk mensen aantrekkelijk en toegankelijk maken.’ Sterker nog: wanneer we in staat zijn om met een birds-eye view de poëtische krachten te bundelen, voorspel ik dat poëzie in het volgende regeerakkoord automatisch tot de volkscultuur wordt gerekend.
Reacties