« Vragen van Neruda aan De Roode | Hoofdmenu | De Woordlijst 2006 »

Alles van waarde is commercieel

- door Michaël Stoker

Wie de verhitte discussies tussen dichters op weblogs en de reacties op uitslagen leest van wedstrijdjes als de Publieksprijs voor poëziebundels, het NK Poetry Slam of zelfs zoiets volkomen a-literairs als de eerste de beste ‘Kei van Utrecht’-verkiezing, vermoedt dat poëzie booming business is. Dichters en lezers die elkaar al cyberruziënd de loef proberen af te steken, elkaar zelfs digitaal in de haren vliegen; het wekt allemaal de indruk dat hier epoche wordt gemaakt, ja zelfs dat er geen twijfel over mogelijk is: poëzie doet er toe. De Bijenkorf opent zijn deuren om middernacht wanneer een nieuwe bundel van Ruben van Gogh verschijnt, mensen zijn bereid de zwaarste storm sinds decennia te trotseren om het bezoek van Tsead Bruinja aan de provincie Groningen niet te hoeven missen, ter bezinning bladert André Rouvoet in de pauzes van de kabinetsbesprekingen niet meer in de Bijbel maar in de Vette Chrétien. Plato zou zich omdraaien in zijn graf.

Die indruk zou kunnen ontstaan, maar tegelijkertijd kan ik me niet aan de indruk onttrekken dat Ruben van Gogh blij mag zijn als De Bijenkort überhaupt een exemplaar van zijn Oera Linda in het assortiment heeft, en dat de massa zelfs zonder storm (jammer genoeg?) al moet worden aangezet tot het bezoeken van een poëzievoordracht. En de Vette Chrétien van André Rouvoet is nog altijd Jezus Christus zelf. Ik vind het altijd een beetje treurig gezicht als je bij bundelpresentaties die grote stapels verse poëziebundels ten huize van de uitgever ziet liggen, en dan eigenlijk al weet dat een groot deel daarvan nooit de drempel overgedragen zal worden, hoogstens om naar De Slegte of de papierverbrander getransporteerd te worden. De meeste poëziebundels zijn nu eenmaal verlegen boerendochters in afgelegen boerderijen met hele dikke muren. Zie ze maar eens te vinden.
Het gekrakeel van dichters op de weblogs zal ongetwijfeld voor velen een digitaal equivalent zijn van borrelpraat. Maar ik heb soms de indruk dat het ze om meer gaat. Een drang om gezien of gelezen te worden. Enerzijds misschien om uiteindelijk gekocht te worden: dichter zoekt lezer. En anderzijds -als het besef is doorgedrongen dat de roep op weblogs natuurlijk niets anders is dan een roep in het gehucht zelf, hoogstens gehoord door een stel andere boerendochters - om erkend te worden.

Voorbeeld: een relletje naar aanleiding van de afzonderlijke nominaties van de poëzie-organisatoren Gijs ter Haar (Slamersfoort) en Gina van den Berg (Poëziecircus) voor de Utrechtse amateurkunstenprijs ‘Kei van Utrecht.’ Op De Contrabas werden beide stemoproepen geplaatst, met een stemadvies van Chrétien Breukers voor Van den Berg. Ter Haar beloofde namelijk met het prijzengeld een ‘alternatieve nacht van de poëzie’ te organiseren. Leek Chrétien zinloos. De vraag van sommige debaters wat zo’n ‘alternatieve nacht van de poëzie’ eigenlijk in zou houden, werd als volgt door Ter Haar beantwoord: "Met alternatief bedoel ik anders dan de Nacht in Utrecht waar geen dichter te verstaan is, met alterNatief (sic) bedoel ik als optie voor al die mensen die daar op afgeknapt zijn. En dan bedoel ik afgeknapt op dichters met veel pretentie maar zonder stem of contactuele eigenschappen. De Nationale Nacht van de Poëzie gaat podiumpoëzie op de kaart zetten zoals nog nooit tevoren." Bovendien wordt het "een nog nooit gezien poëtisch spektakel met de grootst mogelijke media-aandacht dat het establishment eens en voor altijd zal wakkerschudden." Ondanks de aanhoudende vraag naar namen en rugnummers, is er geen woord aan het plan toegevoegd, omdat "belangrijk aan het plan is dat er een geheim aspekt aan zit," aldus Ter Haar. Je kunt veel van Ter Haar vinden, maar een ultrakort projectplan schrijven, dat kan hij.

Om de beweringen uit het plan even te inventariseren: op de jaarlijkse Nacht van de Poëzie komen 1500 mensen luisteren naar een stel onverstaanbare dichters zonder contactuele eigenschappen, die bovendien ‘veel pretentie’ hebben maar geen stem (wat dat ook moge betekenen), er bestaat zoiets als podiumpoëzie en we hebben een ingeslapen establishment. De discussie ontaardde van een goed bedoeld vragenuurtje in een woordenwisseling en uiteindelijk in een scheldpartij. Uit de felheid van de discussie en de uithalen over en weer leek het er even op alsof Ter Haar gelijk had: er bestaat een establishment dat zich in de wiek geschoten voelt door de ondermijning van hun jaarlijkse defilé van oudstrijders langs de aanvoerders der poëzie. Maar in werkelijkheid was de woordenwisseling vooral ontstaan door de bravoure waarmee het hele, in dit stadium nog nagenoeg inhoudsloze plannetje werd gelanceerd. De vraag naar wat er precies stond te gebeuren op zo’n Alternatieve Nacht, refereert in wezen aan een fundamentele kwestie: is er een underground-circuit met dichters die iets radicaal anders doen dan die dichters die in de Utrechtse nacht van de poëzie geprogrammeerd staan? Als die vraag bevestigend beantwoord kan worden, dan hebben we het misschien wel over een avantgarde, een groep dissidenten die niet past in de achthoek van de gevestigde orde. Als het antwoord op de vraag ontkennend is, dan hebben we het waarschijnlijk over een groep dichters die zichzelf met veel bombarie bombardeert tot avantgarde en die strategie hanteert om analoog aan het lot van voorbeelden uit de historische avantgarde uiteindelijk in de gevestigde orde terecht te komen.

Ik herinner me nog dat Het Poëziecircus, waarvan ik medewerker ben, een jaar of twee, drie geleden ongeveer ditzelfde idee heeft overwogen, namelijk om een alternatieve nacht van de poëzie te organiseren. Ik herinner me nog dat omstreeks die tijd dichter Lucas Hirsch eens aan een kroegtafel suggereerde of het niet wat was om een Alternatieve Nacht van de poëzie te organiseren. Ik herinner me nog dat tijdens de Nacht van de Poëzie in dat jaar enkele jonge, niet-geprogrammeerde dichters in de kleine zaal (waar uitgevers, tijdschriften en organisaties zich tijdens De Nacht kunnen manifesteren) suggereerden om zelf een alternatieve nacht van de poëzie te organiseren waar zij ook aan bod zouden komen. Kortom, het idee circuleerde. Er borrelden spontaan enkele namen voor de programmering op: Gijs ter Haar, Pom Wolff, Sander Koolwijk, Tom Zinger, Lucas Hirsch, Bernhard Christiansen, Sven Ariaans, Alexis de Roode, A.C.G. Vianen, Peter M. van der Linden. We zouden dan een dag voor, of liever nog op dezelfde avond als de Nacht, ergens in Utrecht op een ‘alternatieve’ locatie als Tivoli, De Winkel van Sinkel of Ekko gaan staan. Ik herinner me ook nog goed dat we dat idee snel hebben afgeblazen, toen niemand echt bereid was om er De Nacht voor te laten schieten. Een Alternatieve Nacht, als tegenhanger van een prachtig instituut als De Nacht van de Poëzie, zou een publiekelijk statement zijn, een statement bovendien dat grondige argumenten verdient. Wij konden ons allen destijds heel goed voorstellen dat een aantal van de eerder genoemde kandidaten voor de Alternatieve Nacht, ook best in de line up van de officiële Nacht zou passen zonder heel erg buiten de boot te vallen. Wat waren namelijk de enige gemeenschappelijke delers van die zogenaamd alternatieve dichters? Ze hadden allen een goede performance, ze waren nadrukkelijk actief in het slam- en podiumcircuit en ze waren nog niet gepubliceerd bij een erkende uitgeverij. Is dat voldoende om een alternatief festival in het leven te roepen? Voor de voordrachtstalenten en de slamaspiranten waren er toen ook al de NK en WK Poetry Slam, en een bundel is in elk geval bij veel van de bovenstaande namen een kwestie van tijd gebleken.

Bovendien leek ons een versplintering van het toch al niet massale poëziepubliek, de poëzie een niet erg grote dienst verlenen. Die alternatieve nacht is dus erg snel van tafel geveegd. Iets soortgelijks – mét, ik erken het, een belangrijk geheim onderdeel - is er nu door Gijs ter Haar weer onder vandaan gehaald. Ook al geeft Ter Haar geen namen en rugnummers, de vraag is wederom gerechtvaardigd in hoeverre hier sprake is van een avantgarde die zich wenst te manifesteren. Publiekelijke steunbetuigingen aan Gijs’ adres kwamen er van onder meer Pom Wolff en Erwin Troost, tot de sceptici (maar zeker niet ongeïnteresseerden) behoorden onder meer Ruben van Gogh, Ingmar Heytze en Bernhard Christiansen. Als we een blik werpen op de poëzie van Ter Haar, Wolff en Troost, is er dan sprake van een wezenlijk nieuw geluid? Een geluid dat bovendien onverenigbaar is met een plek in de Utrechtse Nacht van de Poëzie? Gijs ter Haar ziet er inderdaad ietsje anders uit dan pak ‘m beet Willem Kloos, maar is er poëticaal iets nieuws onder de zon? Met een beetje kloos-reading herken je in Ter Haar’s gedichten klassieke versvormen, heldere traditionele ik-lyriek die ook, op een anachronisme na, in de tijd van Kloos geschreven had kunnen zijn. Als we de redenering van Ter Haar volgen, dan zijn hij en zijn volgelingen in elk geval te verstaan, weinig pretentieus, goed bij stem en vol contactuele eigenschappen. Het klinkt als een omschrijving van Imca Marina. En dan nog: die omschrijving impliceert tegelijkertijd een diskwalificatie van dichters die de laatste jaren bij de Nacht van de Poëzie geprogrammeerd stonden. Je kunt Van Gogh, Heytze, Stitou, Lanoye, Wigman en die honderden anderen die bij De Nacht optraden, pretentieus noemen; wie ze onverstaanbaar vindt, moet z’n oren uitspuiten.

En als er iets pretentieus te noemen is, dan is het wel het lanceren van een plan dat meevaart op de faam van De Nacht van de Poëzie en zich tegelijkertijd afzet tegen het vehikel. De anti-establishment insteek, een alternatief festival, etc; het is grootspraak van de dichter die avantgardisme gebruikt als strategie om met de schijn van baanbrekendheid door te stomen naar de olympus van de poëzie. Er moet zogenaamd weer eens een establishment worden wakkergeschud. Er is altijd een establishment. In het podiumcircuit is er ook een establishment, en daarbinnen is zelfs in het slamcircuit ook weer een establishment. Maar dat wakkerschudden, en die bravoure, zijn alleen interessant wanneer op inhoudelijke gronden vastgesteld wordt dat er inderdaad massaal is ingedut. Wanneer een fris stel dichters constateert dat hun voorgangers of tijdgenoten de poëzie tot stilstand heeft gebracht. Dat kun je momenteel slecht beweren. De poëzie is bewegelijker dan ooit. Iedereen kan op podia in het hele land en op allerhande weblogs en websites zijn poëzie kwijt. Daar zitten zowel goede traditionalisten als vernieuwers tussen. Zoals Thomas Vaessens al in zijn boek Ongerijmd Succes aantoont, presenteren die dissidenten en vernieuwers zich echter steeds minder als groep. Nu de poëzie inmiddels een grote archipel van (vaak zelden bezochte) exotische eilandjes is geworden kan iedereen ruzie met iedereen krijgen. En dat lijkt me nu eens geen stimulerende situatie voor de poëzie. Een poëziebundel is immers een commercieel product. Het product van een dichter die het nodig heeft gevonden het werkje naar een uitgever op te sturen, die het op zijn beurt nodig heeft gevonden om het boekje voor een euro of vijftien te slijten. Beschouw het dan ook als een commercieel product. We hebben het over een tak van de literatuur waarin bundels in een gemiddelde oplage van 500 stuks verschijnen, waarin hele carrières met touw en elastieken overeind gehouden worden, waarin nog te vaak voorleesavondjes voorkomen met meer voorlezers dan toehoorders. Een publieksprijs voor de beste bundel heeft dan ook pas zin als er voldoende publiek voor die bundel is gevonden. Momenteel is de beste voorwaarde voor het winnen van de prijs - getuige de winnaar van vorig jaar en de huidige koploper - niet zozeer het schrijven van een goede bundel, maar het volgen van een lerarenopleiding en een carrière in het (middelbaar) onderwijs. Zeker; alle initiatieven die de zolders met onverkochte poëziebundels mogelijk kunnen redden van de kachel, zijn wat mij betreft welkom. Maar een uitbreiding van het poëziepubliek lijkt de prijs (vooralsnog) niet tot gevolg te hebben. Evenmin als een Alternatieve Nacht van de Poëzie. Zolang er niet is aangetoond - geheim aspect of niet - dat er werkelijk een miskende avantgarde bestaat die de tegenvoeter van een ingeslapen establishment vormt, heeft zo’n Tegennacht geen enkele zin. Ze zou het publiek hoogstens kunnen verdelen, maar zelfs daartoe acht ik haar nauwelijks in staat, in twee kampen die elkaars activiteiten nauwelijks opmerken. Het lijkt me zinvoller om goed georganiseerde, niet ideologische gevoede of vooringenomen festivals, literaire avonden en café’s te (blijven) organiseren waarin ruimte is voor een zo groot mogelijke variëteit aan dichters. Het lijkt me tevens zinvoller als de ondernemers in de poëziewereld hun energie stoppen in de vraag hoe ze in elk geval eens moeiteloos van een toch al bescheiden eerste, en misschien wel tweede oplage van elke poëziebundel afkomen. Bijvoorbeeld door er zich eens hard voor te maken dat de prijs van een bundel met 40 gedichten niet meer dan een tientje kost? Dat zou een mooiere geste naar oude én nieuwe lezers van poëzie zijn dan een publieksprijs en een Alternatieve Nacht bij elkaar.

Reacties

Laat een reactie achter

Feeds

  • klik hier voor het allerlaatste (literatuur-)nieuws


    > Meer feeds...

Zoeken

  •  

Laatste reacties

Colofon

Advertenties