Werner Spalands Oudejaarsconférence 2006
- door Werner Spaland

(SAGE /2006)
Vanwege dichters op het web e.a. literariteiten.
Maar lees eerst dit.
Dan nu: 't oudejaarsblikje (of, zo u wilt, een column vol liefbido).
Want het geschiedde in het jaar 2006 dat er, gelijk andere jaren, een enorme hoeveelheid dwalende letters, aangestuwd door niet te duiden krachten, zich een weg baanden naar beslist te voeden woorden. Beslist ja, want geen letters, de woorden waren onbestaanbaar als het doen intrappen van een lang al wijd openstaande deur. Vette woorden dus, die volgevreten op hun beurt gedreven door een onvermijdbaar verlangen naar zinnen zich openbaarden aan een ieder die ook maar van het miniemste teugje aan woorden hield. Ja zeker, een ieder. En soms waren het gewoon ook dichters waaraan de wonderbaarlijke openbaring plaats had. Het zal geen verbazing wekken dat de met letters gevulde woorden in grote dankbaarheid door deze dichters werden aanvaard. Erger nog, direct vingen ze er veelal mee aan het papier te vullen, want, met hen, de dichters, heus er is altijd wel een woordje te wuiven bij tijd en wijle, zowel naar de zee alsook naar het water in de rivier waarboven de wind somtijds eigenwijs ondeugende spelletjes speelt met de strak aanwezige werkelijkheid vol werkelijkheid. Een werkelijkheid overigens, de dichters toch al een doorntje teveel in het oog. Donders, ze zijn er heel te overgevoelig voor. Al de wereld is een ronde mesthoop zo beweren ze vooral alsook veelal. Stevig gepropt werd er dus in 2006. Echter, het proppen gebeurde op een dusdanige manier dat het hier nog enige woorden aan duiding behoeft om het geheel in het juiste perspectief te zetten.
Dichters namelijk, ze zíjn me een ménsen!
Neem, om gewoon maar wat onderop te beginnen, als geheel willekeurig bijvoorbeeld iemand als Gijs ter Haar. Inderdaad een mens van je welste. Zich altijd een verwoest tornadootje spelend tijdens vele optredens op de slambühne, het mag zonder schroom gezegd als gesteld. Met alle lijf, met alle inktleden namelijk knalt deze mens de woorden als een danig gesloopte storm over het hier te lande altijd wel ergens aanwezig te vinden knoetlicht. Een kolk van aaneengeregen zinnen laat zich dan luid spuiten uit dramatisch gevormde hompen waarmee deze dichter zichzelf als het ware op de planken aan elkaar knoeit. Een loei aan loeien wil die kolk zijn, als moet met alle geweld de wereld samengetrokken in de woei-woei-woorden van deze dichter. Een dichter ook die zichzelf daarbij graag en zonder overdrijving gewaardeerd ziet als de enige echte slam-specialist van op z’n minst heel Nederland gezien de drachtige kreten uit datzelfde verwoeste tornadolichaam mocht er eens een jury heel te stout een andere mening zijn toegedaan.
Een flink baasje dus, deze Gijs.
Terecht?
Ach, zie en dwaal aan de woorden op de site van deze dichter. Gelezen namelijk blijft er meestal geen al te smakelijke bühnewokkel van over, niet meer dan wat daklege pruttel zich hulpeloos spelend als was het een kam voor een schedel waarop alleen de suggestie van haar zich nog wat wil manifesteren in uiterste wanhoop tegen een te verknallende kaalheid.
Werkelijk, het kon in 2006, Ter Haar mocht zomaar geschieden.
Zo ook mocht ene Pom Wolff. Plop, zomaar zonder echte tegenwind was ie er eind 2005 met een dichtbundel. En dat na al die beginnende stameljaartjes op het inmiddels vergane Schrijf.Net waar ie, o dompel op de nog te komen glorie, meerdere malen vanaf is geduwd door de webmaster wegens een koontje te veel aan hechte sleursluipende en vooral ook overtalige gramwoorden. Maar opnieuw wist hij zich in het dichterswereldje te wurmen, deze Pom. Via gezellige sites als het al niet meer bestaande Poëtry Alive en andere et cetera’s kwam ie gewoon weer helemaal terug. Zo terug zelfs dat liedpulleke Van Zuiden hem behulpzaam werd bij het uitgeven van, jawel, de al eerder genoemde eersteling "je bent erg mens" om al direct daarna (het erge-mens-debuutje was zowaar nog klam op het blad) dit zo aangeplopte dichtertje ook nog eens te helpen met een tweede bundel; "toen je stilte stuurde" geheten.
Twee bundels in nauwelijks een jaar tijd!
Waarbij bovendien die eersteling kwel en godbetert door ene Ton van 't Hof lovend werd besproken als zijnde een echte dichtbundel. Deze man Hof, het mag niet anders, had waarschijnlijk tijdens de lectuur van het Wollfsbundelke een ietwat te luid dichtnummertje van Rick de Leeuw aan zijn hoofd waardoor het vast niet tot hem door heeft mogen dringen dat hij in voornoemd bundelke te doen had met een pneumpapadichter van de soort dijhijg over vooral wilneuk met een gleufje dooldood in de wollige glijglibberwoorden op kranige afdank naar een totaal geflipte wiphemel. Verdomd, het mag werkelijk echt niet anders mogen, die van ‘t Hof had anders toch zeker wel een ietwat leper gepiept?
Maar goed, nog te verdragen dit alles.
Een deuntje heel veel erger is de pas opgestarte site van deze Pom Wolff waarop de hecht sluipende veelwoorden, deze dichter nu eenmaal straf in de kleffe kleren zittend, het allerhoogste hoogtij kunnen vieren. Pom Wolff heeft zogezegd bij gebrek aan andermans digitale bühneplanken gewoon zijn eigen podium gecreëerd, het moge straal duidelijk zijn. Ook trekt zijn site op bijna alle geval in potentie mislukkende dichtertjes aan als eendagsvliegen die net voor hun dood beseffen dat ze op het hun door het lot gegeven ééndagsmomentje nog niet een minuut behoorlijk van klets-klats-poëm geleefd hebben en op de Pomsite nog even in een voorlaatste doodmoment wanhopig hun snufje ééndag willen scoren. Maar genoeg over Pom Wolff en zijn wereldje. Nog meer van deze dichter hier, 't zou zijn als peper en zout strooien op de staart van een draaimolenpaard. Wél wil nog dit gezegd: deze Wolff is graag een veenomeen van- en vooral voor zichzelf, hij zal vast nog heel veel van hem horen.
Pauze? Koffie en zoete koek?
Lekker, maar we graven eerst nog even verder in de onderlagen van dichtland en vinden zowaar een dichter met een naam die de drager ervan wel verplicht dichter te worden. Een waar lot namelijk 'n naam als Vogelezang te dragen, want daarmee valt in het leven toch zeker alleen nog te kwinkeleren? En dat doet ie dan ook deze dichter. Een hele debuutbundel lang snavelt hij als een onvolgroeid en te hongerig vogeltje de bladluisjes vanonder de blaadjes vandaan, spuugt, na hier en daar wat dichterlijke smakverwondingen toegebracht te hebben aan de luisjes, ze op papier en wil nu hel en potver hevig teleurgesteld zijn dat deze bundel veel te weinig wil zijn besproken in litland. Ja werkelijk, zo teleurgesteld is de dichter hiervan, dat hij knarsend iemand op het randje van bijna smeekte een recensie te schrijven over zijn bundel, en hij, de dichter, zou dan wel even zorgen dat deze recensie in de De Gekooide Roos kwam alsook op De Contrabas geplaatst zou worden. Eigenlijk erger nog was het, want in zulk een grote wanhoop is deze dichter dat hij die iemand tussen neus en lippen door ook nog wat regeltjes opgaf waaraan deze recensie diende te voldoen. Het vergt teveel van dit stuk ze hier allemaal op te noemen, maar samengevat: de tendens van de bespreking mocht in MOETENDE zin toch wel overwegend positief zijn. Heus, zo schreef de dichter het deze iemand voor. Hij, deze kwinkelerende dichter, zit in de redactie van de hierboven genoemde Gekooide Roos; een wat in de marge verwijlend digitaal litblaadje dat heus haar bestaansrecht nog wel zal gaan bewijzen, ooit. Een eigen promo-site ook heeft deze dichter. Een aantal zeker toekomstige bundelgedichten vindt men daar, waarbij, toegegeven, opvalt dat de bladluisjes almaar groter groeien naar mogelijk heel echte bladluis, wellicht zo zelfs dat er in de toekomst misschien wél spontaan een gerenomeerde criticus zal zijn die holadijee helemaal uit zichzelf...
Zoete koek, toch een plakje zoete koek.
Daarna het bergje op, de bijna top lonkt.
En daar, op die bijna top, geschiedde in het al genoemde jaar 2006 ook dat een verwacht vuurwerk bij een strak gepland evenement zomaar niet gepland uitbleef. Lang al van tevoren namelijk had zich aankondiging op aankondiging gestapeld om toch vooral het zo komende gebeuren de aandacht te geven die het verdiende. Overal op het internet kwam men wel dit pamfletje tegen. Ja hel en zowaar, de hele wereld Nederland hoorde in hoopvolle afwachting gebracht; alleen al hierdoor namelijk ging het poëtisch gezien beslist een bijzonder jaar worden! Ha, de wereld Nederland zou sidderen op z’n liedvesten. Een ieder zou daarna op zijn hoede leven. En ook de schrijver van die zo dikke Komrij zou eindelijk eens op een stevig knipoogje gaan stuiken. Tenminste zo wilde het degene die het evenement veroorzaakte zich graag laten aanleunen.
Maar hel en ploem ploem, het vuurwerk, vooralsnog bleef het uit.
Een tuttig smeuldingetje gloeide op hier en daar, hooguit. Geen Komrij die zich om dat gestoken knipoogje aan de hoogste kerktoren verhing, geen woedende dichters die zich buitengesloten voelden, geen pennen door poëtische ogen geramd, geen zwaar uitgewoonde schrijvers met wanhoop in de knakdelen, geen algehele schrijfstaking, geen alles vernietigende oorlog in litland, geen te heerlijke lachwekkende rechtszaken, geen... Hooguit, zoals gezegd, een onbenullig buitje regen daar, een ietwat fellere hier, zo heel wel extra onopvallend door de hier te lande toch altijd al danig vallende regen dat het geen regenjas, geen dijk verontruste. Het geval ging uit gelijk een te mooie zijden kous aan de enkel van een mislukte dame; geheel zonder opwek naar vuur.
En zo kwam het dat de hele wereld Nederland al snel heerlijk weer de glazige ogen aantrok en in de al zo vaak gesignaleerde slaap sukkelde tot het ooit wellicht weer eens een vette breekworst zal worden voorgehouden. Dat, overigens, kan nog wel eens een aardig tijdje gaan duren want hoelang is het geval Pfeijffer nu helemaal geleden? Weet u nog? Als een barokke granaat, zo kwam ie ons litlandje binnen gedenderd. Deze dichter plofte direct tot aan de top met zijn kranige essay over eenvoudig versus moeilijk. Heel de wereld Nederland wist direct van deze Ilja. Verdomme echt tot werkelijk waar, om Pfeijffer kon direct al niemand meer heen. In raketvlucht was zijn kostje gepocht. Naar grote hoogten schoot hij. Zonwezenlijke hoogten. En daar zweeft hij sindsdien. In grote eenzaamheid zoals alleen groten dat kunnen. Ongenaakbaar ook. Echter donnerwetter alsook hoe nu verder? Hoe nog meer, nog hoger te klimmen? Want eigenlijk heeft deze dichter alles al gehad; vier of vijf zeker niet onopgemerkte dichtbundels, een paar universelijke werkjes, een romannetje of drie, een danig vijver beroerend essaybundeltje, ja werkelijk alles is er al, en nauwelijks zeven- achtendertig jaartjes oud deze dichter. Potver-de-kwel inderdaad zeg, want waar nog te eindigen met zulk een bliksemse carrière?
Eh...
Goed, goed, voorlopig wat hitsig? bij Ellen ten Damme in liedjesland zo mochten we als fijne kijkgrage allen op de nationale telolvisiebuis warmpjes meebeleven.
Aldus ongemerkt toch wat aan de top gekomen willen we nu wel wat faamnamen, waard hier te mogen prijken. En zie tussen de vingers van dit stuk spartelt Rutger Kopland, een al wat oudere dichter die... Maar nee, te flauw. Deze dichter is door voornoemde Ilja al stout op een slopend slabedje gelegd. En het is met oude sla net als met oud geld, raak je het aan dan ga je er als vanzelf ook een tikje onaangenaam van ruiken. Nee! Geen Rutger. En ook over Komrij zal hier niet gesproken worden, want al zo bijna te oud inmiddels dat alle kracht uit zijn kwaaibroek verdwenen had moeten zijn. Maar godverdehoepel zeg, zie toch weer eens zijn dit jaar verschenen boekje "Meer gouden woorden" waarin hij als vanouds, wellicht wat te vanouds, de krak over de politieke krengen van dit land legt. En toch, ik weet het niet, sommige mensen leven misschien te lang, regelrecht en heel kwaadaardig sukkelt zo’n gedurig uitblijvende dood uiteindelijk tegen al hun vroegere faam in. Zie als ultiem voorbeeld de schrijver Mulisch, toch verworden tot een ietwat treurwekkend verdwaasd oud baasje dat bij tijd en wijle nog wat mag komen mompelen op de ooit door (een toen zeker nog nieuwe kwaaibroek dragende) Komrij geduide treurbuis. Overigens nog te vinden, dit treurbuiswoord, in 't befaamde boekje "Horen zien en zwijgen" van deze Komrij waarin de meeste televisie uitzendingen van die tijd (1976) wat mij betreft uiterst origineel op de dodelijke korrel werden genomen.
Maar faamnamen, daar waren we naar op zoek in dit stuk om dit stuk een redelijk fatsoenlijk balansje te geven, namen van in de hele wereld Nederland bekende dichters die vooral ook op het web nogal doende zijn al hun genialiteiten om te werken naar een gratis digitale taal.
Webmonsters dus.
En ja, nauwelijks nog aan de zoektocht begonnen dreunen we al direct tegen Droog aan, tegen ene Bart F. M., u weet wel, de man die Pfeijffer wel eens even Gronings in de bahrokke kuit ging bijten, maar in het bekje vooral het harde luchtledige vond. Een literaar drama van jewelste zo is graag te stellen. Maar kramp zeg, nemen we deze Droog dan verglijden we met alle kans terug naar de onderkant van het begin waarmee we via de dichter Gijs ter Haar begonnen. Natuurlijk, er zou genoeg vrolijks over bijvoorbeeld zijn heen-en-weer-ren-optredentjes te zeggen zijn, maar toch: even geen Bart F.M. hier. Het dal namelijk hebben we al gehad.
Een Han van der Vegt dan maar?
Want een echte dichter volgens de al eerder hier geroemde Ilja Leonard Pfeijffer die in zijn bespreking van het lange gedicht 'Exorbitans' van Van der Vegt opmerkte: 'En uiteindelijk is het gedicht natuurlijk een volledige mislukking. Maar in elk geval mislukt het glorieus. (...) Werd de poëzie maar vaker bezocht door zoveel pretentie.'
Ja zeker!
Hoewel, het geneuzel in een werkboek van deze Han van der Vegt op de Contrabas in het verleden, een werkboek waarin hij het veelal heeft over alle eigen dichtdoedingetjes, het zou zomaar een geldige reden mogen hebben kunnen zijn om hem geen bescheiden plaatsje te geven hier, want zoveel woorden fröbelen rondom de eigen gedichten het heeft toch iets van mmwah. Maar ja, als Pfeijffer hem zo’n hemels plekje aanwrijft moeten ook wij wel zeggen: Han van der Vegt is hot. Dan moet hij er hier godver heus bij mogen! Helemaal ook omdat ie zo knap die overtoverlange gedichten van hem hup zomaar uit het hoofd weet op te lepelen vanaf deez of gene alle mogelijke podia. Gedichten evenwel, waarvan, volgens mijn antenne, tijdens het bühnelezen geen hond wat zal behappen, want zoals ik al vaker heb beweerd in recensies (Wijnberg ook zo ongeveer inmiddels mocht ik horen in een documentaire) het gesnater vanaf de bühne gaat, toegegeven, voor een deel ook door mijn ongeduld, meestal het ene oor in het andere oor uit. Zeker geldt dit bij lange gedichten vaak zo ongeschikt voor het podium wat mijn - en nu ook eh... Wijnbergs - persoontje betreft. Geen sprake is er namelijk van de mogelijkheid tot reflectie op dat moment. En degene die zegt het wel allemaal te kunnen verstouwen tijdens zo’n voorleessessie, die kwekt waarschijnlijk wat al te bangig met de hype mee om maar geen paardebloem in het rozenveld te hoeven lijken. Hooguit de stem, de klank en de lijftaal zijn met heel veel goede wil als zodanig te waarderen tijdens zulks bühnegebeuren. Maar waar hebben we het dan nog over meer dan dat het heel af en toe, maar dan ook heel af en toe, wel eens helpt een dichter op de bühne aan te horen om zijn dichtwerk eventueel wat meer wilwillend tegemoet te treden. En godver, zo bedenk ik me plots, dat zeurboekje op de Contrabas moet er natuurlijk noodgedwongen bij opdat de poëzie van deze Han van der Vegt dan pas echt zal willen gaan werken.
Een laten werk-boekje. Pleureka zeg!
Wie nu nog?
Eh...
Eh...
Eigenlijk geen lol te beleven hier aan de top. Jammer dat we Gijs al hebben gehad.
Natuurlijk, we kunnen het over ene Risee gaan hebben met z'n nog steeds? nauwelijks twaalf in elkaar geflanste gediggies, toch een huh?basis vanwaaruit hij een bek opzet alsof ie al een bundeltje of wat op zijn naam heeft staan en waar dan ook nog eens 'n raar deel van de litwereld met kloek bewonderende glansoogjes bij staat te kijken of ie een hels aankomend wonder mag zijn. We kunnen het over ene Xavier Roelens hebben waarvan de nog te komen bundel op voorhand al door Risee in de wattekens is gelegd, een Roelens ook die verwoede pogingen doet om in het walhalla van letterland te komen middels heuse kritisch keuvelende glimteenstukjes (eh... waar is dat frommelspeenstuk over die van Bastelaere op z'n site gebleven?) waar een hooglievende klimplant nog niet aan zou willen beginnen al had ie al het zelfvertrouwen van bijvoorbeeld een Breukers. Ja, we zouden het werkelijk zomaar over deze twee coryfeeën kunnen hebben nu ze in de hoedanigheid van nauhgty twins saampjes met sloere roodstalen flaplaarzen per se literair Nederland binnen willen rampen als hadden ze een diploma diepduiken op zak zo groot als de kaart van poe hé zie Nederland. Heus, het zou... Maar we kunnen het natuurlijk ook over de underperformer Harmens gaan hebben die op de radio wel zulk een slappe interviews houdt bij tijd en wijle (zelden vraagt ie eens lekker door op het moment dat het er toe doet) dat het vaak te poëzalig wordt om er naar te luisteren. Mijn radio in ieder geval zakt er samen met mij van door de knieën kwekt die Harmens door de lampgewanden van mijn geluidstechniekdingetje ons wereldje in. Verdomd, drie keer ben ik ermee terug geweest naar Media Markt, met mijn radio, maar daar kunnen ze niks meer aan die Harmens doen zo beweren ze stellig dan hooguit aan het door mij daar gekochte geluidsapparaat een extra Harmens-uitzetknopje monteren dat automatisch klik zegt als deze Harmens weer dreigt te verschijnen in de ether. Maar pfffrrt zeg, da’s toch geen oplossing? Want hoe met al die lieve luisteraars die zo'n knop nog niet hebben?
Ook kunnen we het nog hebben over het feit dat er nogal wat dichters hier niet aan bod gekomen zijn, volkomen willekeurig overigens, of over het feit dat ik geen druif zin meer heb verder te schrijven aan dit literaire wandelingetje, in een heilige bui van verhoogde wandelzin begonnen, maar er, uit een bizar soort plichtsbesef, toch nog even mee door moet gaan (was ik ervoor gevraagd, NOOIT was ik er aan begonnen), zeker ook daar ik nog een eigenzinnig stroompje overgebleven schrijfvocht in mijn hete schoenvoeten weet om nog de laatste stappen te kunnen klossen met bijvoorbeeld ene Ep Meijer die dan wel het stoere besluit nam om zijn huis met goudkraan, vrouw en kinderen weg te doen om de schrijverij, echter dit stoerbesluit (toch een lekker romantisch idee uit de negentiende eeuw toen de kunstenaar zonodig in armoe moest lijden om, in dit geval, tot de schrijf te komen) nu wel weer op zo'n danig koketterende wijze zit uit te benen op zijn site dat ik als liefdevol slurper van het geschreven woord de neiging boven geklotst krijg een wens te gaan braken dat deze Ep toch maar alles bij het oude had gelaten. De eigen treurstanden zo onvoorwaardelijk op gaan zitten doffen, hel, het is niet mijn bordje soep. In mijn soep moet de lepel rechtop blijven staan van anderdiers vlees en niet van het eigen uitgebleekte viesvelletje. Daar hebben we toch zeker L.H. Wiener al zo'n beetje veel en heel veel beter voor?
Nog meer?
Welnee, we gaan het over niks meer hebben, we gaan afsluiten.
Hoewel, die Ingmar Heytze ook wel een lekker beschrijftypje is zo met dat reisfobietje van hem, dat hij probeert op te lossen door middel van het voortrazen over gods wegen op een Vespa met een snelheid zo hoog dat de boze buitenwereld hem even geen kwade boe kan maken. Waarachtig, die boze buitenwereld schiet als een versnelde film langs weerszijden van de Vespa en aan hem, op die Vespa gezeten, voorbij. Het is heus, hij schreeuwt er zelfs zo nu en dan over in interviews, schrijft erover in stukjes waarmee wij als graaglezers natuurlijk uitermate verguld zijn, want waarlijke (niet-Epse) autobio-akkefietjes je kan er als lezer maar niet genoeg over lezen. Hij, deze Ingmar, schrijft ook gedichten, maar die zijn toch een stuk minder leuk te beleven veelal. Nee, geef ons dat straatangstje maar, want dichters, god mens, die hebben we deeztijds al zoveel te genoeg en...
Stop nu!
De nagels van mijn heilige wandelvoeten malen, zo zonder druifzin, al een tijdje zuchtledig in mijn pantoffels van totaal uitgeputte vreugde over de beschrijving van zulk 'n olijk ulevellenbestaan als van bovengenoemde poëten. En om nu alleen nog wat droge maalnagels te zijn zo op het laatst van dit oudejaarspraatje het is niet hun sip of tea zo stralen ze dwars dwars door de geruite stof van mijn huisglijders heen uit, want niet op 'n haar na geveld, ha, ze hadden nog wel even...
Echter, zin is up, time is up.
Rest mij het jaar 2007 schoorvoetend aan te kondigen. Want 2006? U zag maar!
Reacties