« Is die pop en die rock-lirieke die poësie van die eie tyd? | Hoofdmenu | Winterwoordennacht Deluxe »

Vragen van Neruda aan Van Zuiden

(In Vragen van Neruda reageert een dichter op drie vragen uit het Boek der Vragen van Pablo Neruda. Deze keer: Henk van Zuiden.)

Is een woordenboek een graf
of een gesloten korf met honing?

Een woordenboek is meestal een gesloten korf met honing. Je hebt geen Dathe-pijp en evenmin luchtige lichtgekleurde kleding nodig om er bij te kunnen. Net als de smaak van honing, de plek waar de korven staan is bepalend voor de soort: het gezochte woord of betekenis kan verrassend zijn. Dat merkte ik jaren terug eens met een woord dat ik had gebruikt in een gedicht. Opeens stond in het mooi linnenblauw gekafte home-erotisch woordenboek dat het ‘behangen’ waar ik het over had (….”kom dan vannacht mijn kamer behangen”) een synoniem was voor met elkaar neukende jongens. Daar had ik niet aan gedacht, ik dacht puur aan een jongen in versleten werkkleding die met stroken behang op een trapleer staat te balanceren. Niet dat ik daar geil van zal worden, maar het is wel aangenaam om naar te kijken. Heel anders dan naar iemand die in de schuur van een overgeromantiseerde boerderij kippen aan het nekken is, of iemand die bezig is met een rituele slachting van een schaap. Hoewel dit laatste ethisch gezien verkiesbaar is boven de 24-uurs economiegelieerde onchristelijke slachtpartijen in een moderne vleesfabriek. Omdat het daar dagelijks kan gebeuren dat varkens nog levend aan een haak de schroeioven in gaan. Je hoeft geen dichter te zijn om je te kunnen voorstellen hoe hels pijnlijk dit is.

Waarom heeft de zoete kers
zo'n verdomd harde pit?

In de pit, de kern, zit nieuw leven. Hier past het om te variëren op Nijhoffs ‘Lees maar, er staat niet wat er staat’: Lees maar, er staat wat er staat. Wil je echter niet verder denken, proeven, lezen, dan is het enkel genieten van het vruchtvlees, ook dat kan en mag voldoende zijn. Tot dicht bij de kern van iets te komen, neem een gedicht, dan is het goed kersen eten met dichters. Zij weten het meest van hun eigen poëzie, al heeft niet elke dichter er zin in of behoefte aan om een gedicht te gaan verklaren. Daar ben ik het mee eens. Er staat, wat jij dénkt dat er staat. Wanneer ik aan jonge kinderen een workshop geef, vertel ik ze altijd dat ze zich niets moeten aantrekken van juf of mees die met een of ander lesboek op tafel van hen wil horen wat of de dichter heeft bedoeld met een bepaald gedicht. Onzin.
Daarmee begrens je een gedicht, maak je de kracht van poëzie kapot. Je spuugt als het ware andermans kersenpitten uit. Elke lezer heeft het recht en de vrijheid om wel of niet bij de kern te komen van een gedicht. Maken docenten dat eensluidend uit, dan kunnen we net zo goed allemaal spreeuwen worden, die eten ook om de pit heen. Bovendien vrees ik dat door dat dwangmatig verklaren de zin voor lezen vergaat. Ik vrees dat dit de mensen worden die wel naar dichters komen kijken en luisteren, maar zelden een poëziebundel aanschaffen. En wie kan naast Charlotte Scholten van de wind leven? (…. In de kamer heb ik/Gras gezaaid, dat staat zo fris./Een keuken heb ik niet./Ik leef al maanden/Van de wind.)

Zal ik mijn lichaamsgeur en kwalen
nog hebben als ik ontslapen ben?

Mnoh, lichaamsgeur. Zo lang je nog boven de grond staat, maskeren we de anders geworden lichaamsgeur, plat gezegd lijkgeur, middels het koel houden van het lichaam en sterk riekende bloemen zoals lelies. Ja, ook bij een dode zeg ik lichaam en niet stoffelijk overschot (hoewel, niet bij alle mensen, in het bijzonder sommige politici). Een overschot is een kliekje. Bijvoorbeeld voeksandijvie die in de pan overblijft en een paar dagen later opnieuw wordt opgewarmd en gegeten. Overschot, dat zeg je niet van een lichaam dat om een ziel huisde van iemand die jou leven gaf, of kleur of liefde of genegenheid. Geuren, die nestelen zich ook in je hersenen. Zo denk ik elk voorjaar bij de bloei van hyacinten aan mijn onvolprezen moeder. Hyacinten, het waren de eerste bloemen die na haar sterven bij haar werden gelegd. In de Joodse cultuur is het traditie dat iemand niet wordt opgebaard maar in een sobere kist komt te liggen die meteen wordt gesloten. Dat spreekt me wel aan. Het religieuze motief heeft de prettige bijkomstigheid dat er geen lichaamsgeur meer is te ruiken.
Kwalen die ik tot mijn dood meezeul, laat ik na mijn dood achter. Op aarde? Ik weet het niet, als dat zo is dan ligt het ook voor de hand dat andere mensen vroeg of laat met dezelfde kwalen te maken krijgen. Logisch dat de wereld er maar niet op vooruit wil gaan. Schrijven, dichten, is geen kwaal. Net zo min als eten en drinken, soms veel drinken. Aan dit alles heb je geen behoefte meer wanneer je gestorven bent. En toch, ik heb eens een documentaire over een Engelse dame gezien die bij hoog en laag beweerde dat ze Ludwig van Beethoven soms op bezoek kreeg, hij leidde haar hand en zij noteerde nieuwe composities. Ik moet zeggen dat ze niet bijzonder sterk waren. Daarom dit advies aan de schrijvers en dichters van nu: wees niet lui in dit aardse leven, dan hoef je vanuit het hiernamaals geen oude vrijsters en pokdalige eenzame jonge mannen lastig te vallen met niet tijdig geschreven verhalen en gedichten.

Reacties

Laat een reactie achter

Feeds


  • > Meer feeds...

Laatste reacties