Irony and beyond - DWB 2006, 5/6
- door Xavier Roelens
Het DWB-dubbelnummer Irony and beyond is een kloefer van 292 pagina’s geworden. Zowel essays, kortverhalen als gedichten gaan op het thema in. De essays – daar beperk ik me in dit eerste deel toe – zijn interessant, divers en over het algemeen vlot geschreven, desondanks blijf ik met een wat makke nasmaak zitten.
Sjoerd-Jeroen Moenandar heeft het naar aanleiding van de rellen rond de Deense cartoons over vrijheid van meningsuiting, maar meer nog over de gevolgen voor de moslims zelf: ‘Ik moet eerlijk zeggen dat ik niet geloof dat de woedende massa’s in de islamitische wereld een serieuze bedreiging vormen voor de vrijheid van meningsuiting in het Westen. Ze zijn veel meer een bedreiging voor de moslims zelf, die in hoog tempo het recht verliezen om moslim te zijn zoals zij dat zelf zouden willen.’ En iets verder, in een retorische vraag: ‘Waarom zou de Profeet, naast lichtend voorbeeld, niet een bron van vermaak mogen zijn, zoals voor mijn grootvader?” De nuchtere analyse van alle tien de cartoons is een verademing en een aanrader.
Pierre Schoentjes heeft het over picturale ironie als botsing van twee werelden: ‘[Z]elfs de meest elementaire picturale ironie vertelt nog steeds een verhaal: het spel met symmetrie en contrast brengt de tijd in het beeld binnen. Net als de ruimte nodigt de tijd ons uit om verschillende verbanden te leggen. Zo is het interessant om op te merken dat van alle mogelijke verhaalvormen ironie wellicht een van de kortste is, een die met heel weinig middelen kan worden gezegd. Ongetwijfeld vormt dit ook haar grootste aantrekkingskracht.’ Ik heb wel mijn twijfels bij sommige voorbeelden. Het beeld van een exuberant paleis van Saddam Hoessein omgeven door schamele hutten: ik vind dat schrijnend en ik vind het bijna even schrijnend dat iemand dat ironisch vindt.
Stéphanie Vanasten gebruikt in een niet altijd even heldere redenering een passage uit Claus’ Het verdriet van België en het logo voor Documenta IX om over ironie en het groteske te praten: ‘Het groteske komt […] van de grond daar waar het de ratio of het Vernunft minder verabsoluteert ten gunste van een associatieve en emotionele rationaliteit. […] [Ironie daarentegen wordt] doorgaans geassocieerd met intellect en reflectie. Toch stelt ze haar lezer op de proef om ludieke verbanden en connecties te articuleren. Zo kan het samenspel van ironie en groteske ten slotte wellicht opereren in het beeld van de schommeling. Op een dergelijk traject is er dan ten minste nog een halte gewenst bij twee etappes: de groteske ironie en de ironie van het groteske. De eerste halte naderen we wanneer ironie aansluiting zoekt bij het radicale en bij de hyperbool of litotes van de overdrijving. De tweede halte komt wanneer het extreme en het radicale teruggekaatst worden naar de ongepaste plaats waar ze vandaan komen en zo vanuit hun doelwit een ludieke deconstructie begint.’
Martijn Hendriks & Maaike Lauwaert hebben het over de videospelen Grand Theft Auto en The Sims: ‘[Er] wordt van de kijker verwacht dat hij een ironische houding aanneemt. Op het eerste gezicht krijgt hij meer dan bij televisie een actieve rol. Het lijkt niet alleen te gaan om het waarnemen en begrijpen van de in het spel ingebedde ironische elementen maar ook om het aannemen van een ironische houding ten opzichte van het spel. […] Toch is het de vraag of de participerende rol van de speler in het zoeken van ironische betekenissen actiever of productiever is dan wat van de tv-kijker wordt verwacht. De participatie van spelers lijkt toch niet echt een intellectuele of reflecterende rol te vereisen, maar vooral een soort onvoorwaardelijke aandacht – een bereidheid om te blijven spelen[.]’
Erg prettig om lezen vond ik het artikel van Tom Sintobin over Boy George en diens ironische maskerade: ‘Boy George [...] kleedt zich altijd onconventioneel, waar hij ook verschijnt. Hij kleedt zich ook elke keer anders, zodat bij hem de permanente verandering wél bewaarheid wordt. Hij doet dat als individu en niet als groep, en hij doet dat erg grillig en dus niet volgens een vast omkeringsprincipe. Dat is erg belangrijk: het betekent namelijk dat hij geen gefixeerde, alternatieve wereld aanbiedt, maar alleen verandering as such.’
Ook de zanger van The Kinks, Ray Davies, krijgt een artikel. Maarten Steenmeijer bekijkt zijn levensloop en benoemt hem als ‘het onvrijwillige slachtoffer van zijn onvrijwillige ironie’. Het is meer een biografische schets dan een essay en is alleen maar in die eerste functie geslaagd te noemen.
We hadden al computerspelletjes, maar er zijn ook hedendaagse films. Brigitte Adriaensen analyseert ironisch gelardeerde geweld- en oorlogsfilms als Pulp Fiction, C’est arrivé près de chez vous, No Man’s Land en La Vita è Bella. De analyse is boeiend en voor het eerst overtuigt de definitie van ironie me: ‘Zoals Philippe Hamon stelde in zijn boek L’Ironie littéraire, is ironie vergelijkbaar met een echo: een ironische uitspraak is altijd een verwijzing naar een andere uitspraak waar dan kritisch afstand van wordt genomen.’ Ook de volgende zin heeft van mij twee uitroeptekens meegekregen: ‘Irony is in the eye of the beholder.’ Dat zelfkritische inzicht heb ik gemist in de essays van Pierre Schoentjes, Maarten Steenmeijer en (zie hieronder) Anne Decelle.
Ook de ironie in de films waarin Hugh Grant en Richard Curtis samenwerkten, wordt ontleed, door Paul De Bruyne: ‘Het ironische moment ontstaat slechts als het personage een (helikopter)visie ontwikkelt waarin hij buiten die situatie gaat staan. Het is een dubbele ethische en bewustzijnspositie die ongetwijfeld de ironicus in een superieure positie plaatst. De ironische houding is geen kritische houding, indien we met kritisch bedoelen dat de gegeven situatie als veranderbaar / te veranderen gewenst wordt. Het is misschien zelfs een beetje een laffe positie, omdat de beperkingen, debiliteiten, onrechtvaardigheden en tegenstrijdigheden van een situatie (h)erkend worden zonder dat de wens uitgedrukt wordt die te veranderen. De ironische situatie toont een voorwaardelijke solidariteit met een bestaande situatie en de mensen erin.’
Matthijs de Ridder toont dan weer aan hoe de hard core Vlaamse beweging in de eerste helft van de twintigste eeuw moeite had met Vlaamsgezinde ironici, zoals Karel van de Woestijne, Paul van Ostaijen en Gaston Burssens. Dit artikel werkt ook als een spiegel voor het hedendaagse Vlaamse triomfalisme: ‘Nationalisme is nu eenmaal niet de piste waarop dubbelzinnigheid hoogtij kan vieren. Zeker niet nu bij de zelfverklaarde erfgenamen van het Vlaams-nationalisme de nadruk definitief is komen te liggen op het uitspelen van superioriteit tegenover nieuwkomers. Hoe kan je immers de wereld waarin je leeft relativeren als je vervolgens een ander de toegang tot die wereld wil ontzeggen? Kan niet. Gebeurt niet.’
Anne Decelle bespreekt de tweesnijdende ironie in AUB van Paul Bogaert: ‘Signalen van ironie zijn er dus in overvloed. Dat een onsamenhangende woordcumulatie – Hamon noemt het een ‘lexicale cyste’ – als waarschuwing kan fungeren, ligt voor de hand, wat overigens ook geldt voor een woord als ‘medley’ dat expliciet een kitscherige context evoceert.’ Dit citaat legt onmiddellijk bloot waar ik vragen bij heb. Vooreerst is er het gebruik van woorden als ‘onsamenhangend’ en het focussen op ‘signalen van ironie’, vaak terugkomende woorden waarmee de angel uit de poëzie van Bogaert wordt gehaald en alleen het negatieve moment wordt beklemtoond. Daarnaast houdt haar verwijzing naar ‘medley’ als metafoor voor Bogaerts schrijfstijl helemaal geen rekening met het vers waaruit dat woord geciteerd wordt: ‘Dit is de eeuw ook van medleys helaas’. De nuancering die ‘helaas’ aan het vers geeft, wordt door Decelle helemaal ontkend. Bogaerts poëzie lijkt mij een goede opportuniteit om beyond irony te denken, maar die kans heeft Anne Decelle helaas niet gegrepen.
De eerste helft van het nummer eindigt met een filosofisch getinte briefwisseling tussen Stefan Hertmans en Helena de Preester, draaiend rond de socratische ironie (de geveinsde onwetendheid) en het verschil tussen de filosoof en de sofist. Hertmans: ‘Na 9/11 werd het, in de restauratieve sfeer van een bang en defensief Amerika dat geen enkele ervaring heeft met oorlog op eigen bodem, bon ton om de ironische intellectueel met de vinger te wijzen […]. Ironie te kort, zeer zeker, een halve wereld in brand. Maar hoe men ook moord en brand schreeuwt, er bestaat geen definitieve troost voor de breuk tussen ervaring, verlangen en gedachte. Dit inzicht kan op zijn beurt een soort troost zijn, het kan zelfs tot grote tolerantie leiden, maar het blijft de magere troost van het denken, dat wakker ligt in de nacht en zich zijn sofistische vliegenmepper ziet ontstolen worden.’ De Preester: ‘Het is wegens de stijl dat de waarheid van een filosoof vergaat als hij opgenomen wordt in een andere waarheid of in een andere stijl, of als hij in een secundaire tekst wordt weergegeven.’
Over het algemeen krijgen we goede analyses van de ironie in een deeltje van de (culturele) wereld. Een aantal artikels overstijgt de analyse niet, een merendeel gelukkig wel. Maar toch blijf ik met een wat makke nasmaak zitten. Die nasmaak krijg ik door het tijdschrift te vergelijken met een ander reflectief literair tijdschrift, Yang. In Yang slaagt de redactie erin om in een nummer en/of een dossier een zekere eenheid van sfeer te creëren, het gevoel dat elk artikel met een ander te maken heeft. In een gemiddelde Yang krijg ik een intiem, bevoorrecht gevoel: het gevoel aan tafel te zitten met enkele slimme mensen en naar hun dialoog rond een bepaald thema te mogen luisteren. DWB draagt eerder de sfeer van een symposium uit: ook slimme koppen die rond een bepaald thema praten, maar los van elkaar, zonder wetenschap van wat de ander zal zeggen, of gezegd heeft, of tegelijkertijd aan het zeggen is in een andere zaal. Die sfeer is droger en het succes van een nummer is eerder een optelsom: een verhouding interessante-oninteressante lezingen. Zo bekeken is deel 1 goed. Maar als geheel is het nummer te onsamenhangend, zelfde onderwerp of niet.
Reacties