Vragen van Neruda aan Groenewegen
(In Vragen van Neruda reageert een dichter op drie vragen uit het Boek der Vragen van Pablo Neruda. Deze keer: Hans Groenewegen.)
Zal mijn ongelukkige dichtwerk
blijven kijken met mijn ogen?
Uw vraag is onverdragelijk pathetisch. Alleen het woord 'ongelukkige' al. Alsof u om complimentjes verlegen zit. Daarbij, uw dichtwerk heeft nooit met uw ogen gekeken. Het kijkt met de ogen van steen, beek, wind, boom, gras, as en en met de ogen van vogel, vis, amfibie, rund, kat, insekt, worm en met de anonieme ogen van levenden en doden. U ziet, uw larmoyante vraag dwingelandt tot complimenten. Toch, uw vraag laat, ongewild misschien, het verschil zien tussen poëzie en praat. Als benauwde vraag van een anonymus in een ademend gedicht was hij op zijn plaats geweest. Dan was ze een verzuchting om verlossing, niet een kleinzielig ijdel heffen van uw nog vlezige schouders tegen handen die in de lege tijd de verborgen deur van een onbekende seconde om op te kloppen zoeken.
Wie mag ik vragen wat ik
op deze wereld ben komen doen?
Aangenomen u hebt uw scheerspiegel al dag na dag ondervraagd, begin eens met dat behoofddoekte meisje dat u al een tijdje in het tramraam begluurt. Als u bij de eerste volgende halte bent uitgestapt, uw wang is uitgegloeid, stel uw vraag aan de man die zijn zwarte eeltige voeten spoelt in een regenplas, aan een van de jongens in die groep opgeschoten jongens daar, die met de luidste stem, of beter mischien, die met de zachtste, of spreek die vrouw aan die van etalage naar etalage aarzelt welke van de kledingzaken ze die ze de hele middag is in en uit gelopen nu zal binnengaan, als u uitrust in de kroeg de kroegbaas of morgenochtend gewoon na het uitslapen, het scheren en het ontbijt, een van uw buren. Daarna pakt u een van de boeken die er toe doen, en gaat zitten lezen.
Voor welk raam bleef ik
kijken naar de begraven tijd?
Ruitjespapier. Wereldvenster. Sta mij toe een gedicht te citeren uit de bundel en gingen uit sterven. Zelf zie ik er wel wat in, en het ritme waarin het ademt geeft me lezend lucht.
kleine apologie van het schrift
alles was noch geschieht,
wird schlimmer sein, als was war. (wenzel)
zoals het ging en gaan zal, gaat het en dat het zo gaat
is onverdraaglijk, schrijf ik over van een meermaals
overgeschreven tekst die ooit, voor hij voor het eerst
werd overgeschreven, was opgetekend uit een vreemde
mond of uit een mij onbekende eigen mond, zoals
dat bij je zelf ook wel eens gaat, je hoort een stem
iets zeggen wat een vonk door je synapsen blaast
zo dat je het ondoordringbare kort doorziet in licht
dat je herkent en het is je eigen stem die iets vertelt
wat je ergens op zou moeten schrijven
wat niet vergaat en wat je terug kon vinden als
wat gezegd was dat zou zijn wat je dan net zocht
het luchtschrift van je ademnood, het handschrift
van een blindganger, een vlugschrift, uitvlucht, inzicht
in het ondoordringbare dat aanhoudend opdringt
kijk ik van het onontwarbaar kluwen duister buiten
in het opgeslagen boek, slaat het licht dat me daarin
opgaat door de ruiten en door het stervormig gat
vlaagt kou naar binnen over het hele onvoorbereide lichaam
aan de hand die wat de ogen daarin zien
als citaat noteert: dat het zo gaat is onverdraaglijk.
zo was het, zo is het en zo zal het zijn
Reacties